Sytze Steenstra Blog

Archive for the ‘kunst’ Category

Ben Leenen: K I O S K

leave a comment »

Er is een nieuw boekje van mij uitgekomen, over het werk van Ben Leenen, ter gelegenheid van een tentoonstelling van zijn werk in het Gouvernement aan de Maas, het provinciehuis in Maastricht.

Ben Leenen KIOSK boek foto

Het boekje is het resultaat van een nauwe samenwerking tussen Ben en mij. De omslag is een houtdruk van Ben, en hij is ook de drijvende kracht achter de Elephantine Press, waar het boek is verschenen. Inlichtingen: benleenen@gmail.com.

De tentoonstelling, warm aanbevolen, is nog te zien tot 29 maart 2019, op weekdagen tijdens kantooruren, tussen acht en vijf. Wie gaat kijken doet er goed aan meteen even naar het Bonnefantenmuseum te lopen om daar de tentoonstelling ‘Een postume samenwerking. Ine Schröder en haar archief’ te zien (tot 26 mei, een deel van de tentoonstelling blijft staan tot 1 september 2019).

Ik knip en plak hier een stuk uit mijn KIOSK-tekst:

“Openheid is het heersende principe in het werk van Ben Leenen. Het is een streng uitgangspunt, hoe zachtmoedig het werk tegelijkertijd ook is. De beeldende motieven in zijn werk kunnen op ieder moment inschikken en plaats maken voor een citaat, een vervorming, een toeval, en wanneer zoiets zich aandient, is het verplichtend. De sfeer van het werk is door Helga Scholl, kunsthistorica, tegenwoordig ook directeur van “Raum für Kunst” in Aken, omschreven als “vluchtig en fragiel, peinzend, dromerig, anarchistisch en eclectisch”. Zij heeft gelijk; aan de ene kant is het werk vriendelijk, zacht en aaibaar. Toch heeft Leenen deze expositie in het Gouvernement maandenlang “Unpleasant to the touch” willen noemen. Waarom? Simpelweg omdat een Amerikaanse dichter, van wie Ben Leenen werk had gepubliceerd bij The Elephantine Press, dat ooit als eerste opmerkte toen Ben hem een bundel in de hand gaf en hij de ruwe oppervlakte van de inkt op de omslag voelde. Als citaat zonder context, willekeurig, of onwillekeurig herinnerd, als dwaalgast, als garantie dat de stroom niet door vaste procedures wordt beheerst en gedomineerd.

Openheid is ook niet plezierig om aan te raken. Wie die keerzijde niet kent, heeft het werk van Leenen maar half gezien. Openheid is vaak pijnlijk, het is geen mild uitgangspunt. De traditie van het experiment is streng en veeleisend, het is een experiment op zich om je met die traditie in te laten. Die openheid is Ben Leenens tweede natuur, een vast onderdeel van zijn kunstenaarschap, net als de ambachtelijke ervaring waarmee hij het afbreekmes in het triplex hanteert, met een gemak alsof het een potlood is dat over het papier glijdt, als hij zijn drukplaten snijdt. Het hanteren van dit principe van openheid vormt in mijn ogen ook de verbinding met het werk van Ine Schröder, de levenspartner van Ben Leenen. Zij hanteerde een strenge vorm van anti-monumentaliteit bij het maken van haar sculpturen. De strengheid, die een bewuste kunstpolitiek van de negatie inhield, géén pronkstuk maken, géén vaste vorm aannemen, verbond hun gescheiden ateliers. En nu is er ook het voetpad langs de rivier dat de twee gelijktijdige tentoonstellingen verbindt. Het archief van Ine Schöder, tweehonderd meter stroomafwaarts, in het Bonnefantenmuseum aan de Maas, de kiosk van Ben Leenen in het Gouvernement aan de Maas, tweehonderd meter stroomopwaarts.”

Ter gelegenheid van de tentoonstelling van Ine Schröder bracht het Bonnefantenmuseum een groot, chronologisch geordend archiefboek uit, onder de titel “Uncorrected Proof – Ine Schröder”. Op de laatste bladzijden van het boek zijn een paar korte teksten van mij opgenomen.

De twee tentoonstellingen, en de twee boeken, zijn enorm verschillend. Er zijn ook veel vormen van openheid. Het loont de moeite , het is ontroerend, te zien hoe twee deskundige kunstenaars die openheid beoefenen en beoefend hebben.

foto sculptuur of staketseltje Ine Schröder

Een van de werken van Ine Schröder in het Bonnefantenmuseum

 

Hoezo experimentele romantiek? Waarom Walter Benjamin?

leave a comment »

Ik heb nu al drie keer geschreven over Benjamin-imitaties. Maar daarmee sta ik nog maar aan het begin van de serie die ik in mijn hoofd heb, en dat maakt dat het nu hoog tijd is om zonder omhaal te schrijven over de waarde die ik hecht aan het werk van Walter Benjamin, en waarom ik dat verbind aan die term ‘experimentele romantiek’.

Allicht waren die drie eerdere stukjes een vorm van uitstel: het is moeilijk het werk van Benjamin te typeren en er recht aan te doen. Hij was een metafysicus, een filosoof die zijn werkterrein verlegde naar de vergankelijke, tijdelijke ervaring, naar het gebied van het banale, het alledaagse, niet het terrein van de eeuwige waarheid, van de tijdloos geldige natuurwet, of van de onbetwistbare vooruitgang. Het vergankelijke, en de manier waarop mensen taal en beelden gebruiken om dat vorm te geen en uit te drukken, dat was Benjamins domein.

Benjamin leefde van 1892 tot 1940, en dat is al lang geleden. De meeste aandacht gaat altijd uit naar zijn werk na, pakweg, 1925, toe hij schreef over surrealisme, bevriend raakte met Bertolt Brecht, Marcel Proust vertaalde, experimenteerde met een scheut marxisme in zijn metafysica, die vooral een voortzetting van het Kantianisme was en bleef. Benjamin werkte als literair journalist en essayist, en had een wijd vertakt netwerk in de Duitse en Franse letterkunde en in de literatuurwetenschap van zijn tijd. Je kunt hem dus plaatsen in de avant-garde, en zijn werk beschouwen als een van de vele experimenten met de verhouding van kunst en leven, en dat klopt allemaal.

Maar de kern van Benjamins werk ligt toch ergens anders: zijn domein is niet de verhouding van kunst en leven, en het eventueel opheffen van de grens daartussen, iets wat bijvoorbeeld John Cage en Robert Rauschenberg, ieder op zijn eigen manier, zich ten doel stelden. Benjamins aandacht werd opgeëist door de onvermijdelijke plaats van kunst in het leven, in taal, in beelden, in denkbeelden.

Op het ogenblik – sinds ik werk aan dit boek over experimentele romantiek – heb ik meer oog voor de andere kant van Benjamin, zijn filosofie en zijn werk van voor 1925. Zijn aandacht voor de ethiek van Kant, zijn behoefte om de strenge, formele ethiek van de categorische imperatief (“handel zo dat de stelregel van je handelen als algemene wet gesteld kan worden”) uit te werken en te transformeren door te onderzoeken welke vooronderstellingen zo’n formele ethiek in het taalgebruik kent. (Als ik probeer dat in te vullen, wordt het iets als: “gebruik taal zo, dat je taalgebruik recht doet aan de vergankelijkheid van de menselijke ervaring, en hanteer daarbij beelden en symbolen zo dat de vrijheid van anderen geen geweld wordt aangedaan”.) Dat komt al in de buurt van een artistiek en van een romantisch programma. Wat het werk van Benjamin bijzonder maakt, is dat hij zijn kantiaans-metafysische overtuiging combineerde met een grote betrokkenheid bij de Jugendbewegung van voor de Eerste Wereldoorlog, en dat hij ook was beïnvloed door Stefan George, de Duitse symbolistische dichter-filosoof die zichzelf stileerde tot dandyeske opvolger-en-overtreffende-trap van Goethe, Hölderlin, Baudelaire en Nietzsche. Benjamin kende de literatuur van het Duitse fin-de-siècle door en door, aan den lijve. Die literatuur was versmolten met de Lebensphilosophie, waarin vitaliteit gebruikt kon worden als troefkaart om alle ethische bezwaren mee van tafel te vegen, en ontwikkelde zich tot een kunstreligie waarin de verering van de Griekse oorspronkelijkheid, van de Duitse taak op het wereldtoneel, en van het idee dat er een offer gebracht moet worden, omdat alleen de offerdood (meer of minder duidelijk gemodelleerd naar de kruisdood van Jezus) garant kan staan voor de ultieme artistieke waarheid – waarin die drie ideeën vermengd zijn. Dit is een zware en bedenkelijke cocktail van poëtische en levensbeschouwelijke ideeën die ver afstaat van de kantiaanse ethiek, maar zijn kennis daarvan stelde Benjamin wel in staat de mythologische stromingen van het tijdperk waarin hij leefde tot in de verste uithoeken te verkennen, te becommentariëren en te kritiseren. Zijn literaire programma en zijn filosofische programma vallen daardoor samen.

Een van de kenmerken die het zo moeilijk maken om Benjamin ergens op vast te pinnen, om zijn werk eens en voor goed te definiëren, is dat hij voortdurend al schrijvend kritisch varieert op het werk van al die dichters over wie hij essays (niet zelden van boeklengte) schreef, die hij vertaalde, schrijvers wiens werk hij op zijn duimpje kende en gemakkelijk kon parafraseren. Benjamins taalgebruik is bijna voortdurend een medium van reflexiviteit, zijn woordkeuze, zijn beeldspraken, zijn allegorieën bevatten heel vaak commentaren op andere literaire en filosofische stellingnames. De lezer kan veel aanvoelen, maar moet ook veel gelezen hebben. Maar overal is de boodschap: taal is niet gewoon, is er niet zomaar, is niet alleen maar pragmatisch en utilitair. Taal is altijd, onlosmakelijk, verbonden met beelden, met historische categorieën, met symbolen, mythen, religieuze overtuigingen. Wie een in een vreemd taalgebied leeft, een andere taal spreekt en leest, voelt daarvan de vreemdheid, en leert zo ook iets zien van de vreemdheid van de eigen taal, en kan beseffen dat er geen neutrale standaardtaal is, dat die er niet kan zijn.

Benjamins werk is geschreven na de tijd die gewoonlijk als de romantische periode wordt aangeduid. Het laat zien hoe in de eerste decennia van de twintigste eeuw de literatuur, als verdichting van de taal in het algemeen, voortdurend werkt met mythische beelden die Benjamin niet als onwetenschappelijk terzijde schuift, maar die hij reflecteert, herschrijft, herschikt, transformeert, kritiseert, om er een taal van te maken die nog rijker is, nog beeldender, maar vooral ook ethischer. Die zowel recht doet aan de vergankelijkheid als aan de behoefte aan universele geldigheid die in Kant besloten ligt. Noem dat, voor mijn part, experimentele romantiek.

notitieboekje "Benjamin

Notizen 'Benjamin'

Nog een ‘Benjamin-boek’ zonder Benjamin. Een geintje van Suhrkamp, de Duitse uitgever van Benjamins werk. Een blanco notitieboekje dat lijkt op Suhrkamps prestigieuze pocketreeks vol grote namen uit de geesteswetenschappen, met een citaat van Benjamin op de rug

Written by sytzesteenstra

13 augustus 2018 at 23:01

Walter Benjamin leeft en werkt nu in Eindhoven (Experimentele romantiek 3)

leave a comment »

Kenneth Goldsmith maakte een remake van het Passagen-Werk van Walter Benjamin (1892-1940); hij verplantte Benjamins boek over Parijs in de negentiende eeuw naar New York in de twintigste eeuw. En er kwam een bijbehorende tentoonstelling in New York.

Het Van Abbemuseum in Eindhoven maakte de collectietentoonstelling ‘The Making of Modern Art’, nog te zien tot 3 januari 2021, eveneens op basis van een Benjamin-remake.  Het Van Abbemuseum baseert zich op Benjamins filosofische opstel ‘Het kunstwerk in het tijdperk van zijn technische reproduceerbaarheid’ uit 1936. De auteur van de remake is dit keer Goran Djordjević, zijn boek heet “Walter Benjamin: Recent Writings 1986-2013”, verschenen bij uitgeverij ‘New Documents’ in 2014. De tentoonstelling bevat nogal wat tekstborden, waarop steeds weer naar de teksten van deze namaak-Benjamin wordt verwezen.

niet-nu Benjamin in Van Abbe

In zijn opstel uit 1936 betoogde de echte Benjamin dat reproductietechnieken als fotografie en film de traditie van de beeldende kunsten ingrijpend veranderen. Als alles gekopieerd kan worden, en als dat op grote schaal gebeurt, zou de betekenis van authentieke kunstwerken kunnen verschrompelen, en zou het massale gebruik van gereproduceerde beelden een evidente maatschappelijke en politieke betekenis kunnen krijgen. Kunnen. Ik onderstreep het woord; Benjamin ontwikkelde een hypothese.

een Mondriaan naast een kopie van dezelfde Mondriaan

 

Djordjević versimpelt het werk van Benjamin heel drastisch. Als er geen echt relevant verschil is tussen origineel en kopie, is het een wel erg curieuze gewoonte om sommige objecten in deftige museumtempels te bewaren. Wat is de geschiedenis van die curieuze gewoonte? Waarom worden sommige objecten ‘kunstwerken’ genoemd en gekoesterd? Wie doet daar aan mee, hoe werkt dat?

pseudo Benjamin

Benjamin (de echte, het verschil met zijn ‘kopie’ Djordjević is erg groot) schreef in zijn kunstwerk-opstel over “het verval van de aura”, en hij was minstens zo geïnteresseerd in die aura als in dat verval. Benjamin schreef een hele reeks teksten over kleur, over regenbogen, over fantasie, over de mimetische ervaring, en zijn hele werk is misschien wel in de eerste plaats een inleiding in de historische ontwikkeling van de auratische ervaring, en in de filosofische grondslagen van een ervaringsbegrip dat de kleur van herinneringen en dromen, de fantasie, de inherent persoonlijke ervaring nadrukkelijk een eigen plaats geeft in de “grote” wereldgeschiedenis. Benjamin groef zich een eigen weg door de rijstebrijberg van de geschiedenis van de metafysica en van de poëzie, en van dat traject blijft bij Djordjević maar weinig over. Misschien is het wel een teken aan de wand dat de collectietentoonstelling werd ingericht door medewerkers van de Efteling – dat vertelde een vriend me tenminste -, omdat de Efteling natuurlijk veel ervaring heeft in het bouwen van suggestieve namaak. Dat levert natuurlijk een leuk filmpje op:

Het bovenstaande klinkt misschien erg negatief, omdat de zombie-versie van Benjamin die Djordjević presenteert me niet echt bevalt. Aan de andere kant is het een interessante tentoonstelling, zeker de moeite waard om te bezoeken; het van Abbemuseum is volgens mij so wie so het Nederlandse kunstmuseum dat in zijn tentoonstellingen de beste vragen stelt.

En voor wie meer wil weten over Djordjević is hier een informatieve recensie vol achtergrondinformatie te lezen, door Rachel Wetzler, LA Review of Books, April 21st, 2014: https://lareviewofbooks.org/article/walter-benjamin-writings-death.

Written by sytzesteenstra

10 augustus 2018 at 12:56

Experimentele romantiek: nog eens over Kenneth Goldsmith en Walter Benjamin

leave a comment »

Nog even over dat filmpje van vorige keer. Kenneth Goldsmith in dat rode pak, met groene sokken aan, die in het verlengde van de diskjockey en de videojockey (hij is de man achter UbuWeb, de formidabele website met avantgarde materiaal) zichzelf als tekstjockey presenteert. En dat dan weer aangekondigd door een CNN presentator, “You can’t beat a good book … but this week calls you to a sterner duty…”

‘Tekstjockey’ is een woord dat ik heb verzonnen. Goldsmith noemt zichzelf ‘conceptual poet’. Dat ligt in het verlengde van de stroom zeefdrukken uit de fabriek van Andy Warhol, de Elvissen en Marilyns en Mao’s en soepblikken en elektrische stoelen en auto-ongelukken en beroemdheden, en natuurlijk in het verlengde van de conceptuele kunst. Goldsmith schreef er zelf over, in een boekje dat hoort bij Documenta 13, “Letter to Bettina Funcke”: “In 1969, the Conceptual artist Douglas Hueber wrote, “The world is full of objects, more or less interesting; I do not wish to add any more.” I’ve come to embrace Huebler’s ideas, though it might be retooled as, “The world is full of texts, more or less interesting; I do not wish to add any more.” Iets minder welwillend: de aandacht verschuift van het maken van kunst naar het maken van publiciteit.

Aan de andere kant, Goldsmith maakt wel degelijk nieuwe teksten, nieuwe tekstcollages. Omvangrijke ook. De Amerikaanse vertaling van Walter Benjamins Passagen-Werk, ‘The Arcades Project’, telt 1073 bladzijden, en Goldsmith’s variant, niet over Parijs 1800-1900 maar over New York, 1900-2000, telt er 913. Beide boeken bevatten talloze citaten, ze zijn even hoog, dat van Goldsmith is iets breder.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Het boek van Goldsmith heeft een gouden – goudkleurige – band en zit in een gouden cassette, een vormgeving die een beetje een gimmick is. Maar het echte verschil zit natuurlijk in de tekst. Het allerlaatste citaat dat Goldsmith heeft opgenomen, op het schutblad achterin, is van Walter Benjamin zelf: “Method of the project: literary montage, I needn’t say anything. Merely show. I shall purloin no valuables, appropriate no ingenious formulations. But the rags, the refuse – these I will not inventory but allow, in the only way possible, to come into their own: by making use of them.” Zo lijkt Benjamin zelf wel een tekstjockey.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Wat Goldsmith vast heel goed weet, maar buiten beschouwing laat, is dat Benjamins Passagen-boek, ook al is het een project dat Benjamin op geen stukken na heeft kunnen voltooien, toch wel degelijk heel veel teksten van Benjamin zelf bevat. Wat de ‘conceptual poet’ niet hoeft te doen, maar wat Benjamin zich wel had voorgenomenen ook terdege deed, was wat in het Duits ‘Begriffsarbeit’ heet: aan de slag met die concepten, ze onderzoeken en bijschaven. Áls het boek ooit afgekomen was, zou Benjamin er een eigen filosofische kennistheorie voor hebben geschreven. Hoe die in elkaar zou hebben gestoken, daarvan geven de boeken en essays die hij wel afkreeg, en die met het Passagen-Werk samenhangen, een behoorlijk goede indruk. Het zijn er minstens vier of vijf: het opstel over ‘Het kunstwerk in het tijdperk van zijn technische reproduceerbaarheid’, het opstel ‘De verteller’, de ‘Thesen over het begrip van de geschiedenis’, het Baudelaire-boek, en hoofdstuk (of ‘Konvolut’) N in het Passagen-Werk zelf, Benjamins map met aantekeningen voor zijn filosofie van de geschiedenis.

 

Vergeleken met Benjamins eigen werk valt dat van Goldsmith dus tegen. Aan de andere kant is het een leuk boek, dat ook nog eens er aan heeft bijgedragen dat in 2017 in het Jewish Museum in New York een grote tentoonstelling ‘The Arcades: Contemporary Art and Walter Benjamin’ te zien is geweest. Zou ik daar graag hebben rondgekeken? Reken maar.

Bij die tentoonstelling was ook een gidsje voor kinderen. De kids gallery guide. Daaruit:

Walter Benjamin (1892–1940) was a writer and
thinker who examined history in order to
understand the culture of his own time. This
exhibition is inspired by Benjamin’s book called
The Arcades Project in which he explores ideas
related to city life in Paris during the 19th century.
The artworks in this exhibition relate to themes in
Benjamin’s book.
Use the clues inside to find the following works of
art and talk about them with your grown-up.

“Talk about them with your grown-up.” Prachtig.  Met een kleine variatie: begrijp de cultuur van je eigen tijd en word zodoende je eigen grown-up; is er een mooier motto?

https://thejewishmuseum.org/exhibitions/the-arcades-contemporary-art-and-walter-benjamin

 

 

Written by sytzesteenstra

6 augustus 2018 at 17:35

Experimentele romantiek: een begin

leave a comment »

Ik werk al een poos aan een nieuw boek, met als onderwerp een manier van denken/onderzoeken/kijken/voelen die veel meer ruimte geeft aan reflexiviteit en samenhang dan gangbaar is. Tijdens de research en tijdens het schrijven kom ik heel vaak dingen tegen die me interesseren, die er bij horen, die aansluiten bij mijn thema, maar die ik niet in mijn boek kan plakken, of waarvan het raakvlak bij nader inzien toch te klein is. Mijn plan: die dingen de komende tijd wel hier op mijn blog plakken, vertellen, of laten zien.

Wat ik precies bedoel met ‘experimentele romantiek’ wordt dan in de loop der tijd ook vanzelf duidelijk, hoop ik. Ik heb zeven namen geselecteerd, zeven thema’s waarover ik ga schrijven, stuk voor stuk mensen en onderwerpen waarover ik al jaren lees en nadenk, en die ik op dit blog voor een deel ook al eerder heb genoemd. Walter Benjamin, Theodor W. Adorno, Pierre Bourdieu, David Bowie (de vreemde eend in de bijt), A. S. Byatt, Elizabeth LeCompte en The Wooster Group, de de Documenta in Kassel. Filosofen, sociologen en kunstenaars, vaak dat allemaal tegelijk.

https://edition.cnn.com/videos/business/2014/06/03/spc-reading-for-leading-kenneth-goldsmith.cnn

Waarom Walter Benjamin? Missschien, onder andere, omdat je dit curieuze CNN-filmpje over zijn werk kunt bekijken, waarin ‘conceptueel dichter’ Kenneth Goldsmith uitlegt waarom hij een nieuwe versie van Benjamins nooit voltooide Passagen-Werk aan het maken is. In de serie ‘Reading for Leading’ waarin na Goldsmith nota bene Michel Barnier aan de beurt is, die nu namens de EU met Groot-Brittannië over de Brexit onderhandelt. Niet de beste inleiding bij Benjamins werk, zeker niet, maar wel een van de meest curieuze — al is er ook daar veel concurrentie.

 

 

Written by sytzesteenstra

2 augustus 2018 at 22:16

Twee boekjes over Ben Leenen

leave a comment »

twee boekomslagen Ben Leenen

Hier liggen ze naast elkaar, de twee boekjes. Twee teksten van mij over het werk  van Ben Leenen, beeldend kunstenaar, en ook meteen twee voorbeelden van het werk van Ben, omdat hij de omslagen en de boekjes zelf heeft gemaakt.

“Hoe alles zacht neuriet: een lezer als schilder”, en “Sjablonen van herinnering en toeval.  De procédés van Ben Leenen”.

Een citaat uit het tweede boekje: “Ben Leenen werkt veel, hij maakt lange dagen in zijn atelier. Het snijden van sjablonen en drukplaten is arbeidsintensief, net als het drukken zelf, en ook het keer op keer onder handen nemen van de schilderijen is tijdrovend. Maar al dat werk geeft hem de gelegenheid zijn motieven steeds te laten circuleren, van schilderij naar prent en terug.” Dat heb ik niet overdreven. Ook deze boekomslagen heeft Ben meermalen getekend en gedrukt en overgedrukt. Hier zijn een paar voorstudies van Ben voor het eerste boek. Dat is er uiteindelijk heel anders uit gaan zien: deze prent vormt nu de ondergrond voor de omslag van het tweede boek, tenminste bij een deel van de oplage.

een dummie van een ontwerp van 'Hoe alles zacht neuriet'

voorstudie van hoe alles zacht neuriet

een prent-voorstudie voor de omslag van 'Hoe alles zacht neuriet"

Nog een citaat, uit het eerste boekje, die tekst heb ik al eens in zijn geheel op dit blog gezet: “Als Ben een plaats heeft in de kunstgeschiedenis (en waarom zou hij die niet hebben?) dan is die plaats niet op een chronologische tijdbalk, maar in een stad aan de rivier waar de voorbije honderd jaar aanwezig zijn, een stad met boekwinkels en antiquariaten waar alle eigenaren Ben heten: Ben Shahn, Ben Vautier en Ben Katchor. Vanaf de brug bij de haven zie je landinwaarts twee grote bergen: de Robert Rauschenberg en de Saul Steinberg.”

de boekpresentatie

Boeken, maar ook prenten en schilderijen zijn te koop bij Ben Leenen: benleenen@gmail.com / 043-3251609.

Written by sytzesteenstra

7 februari 2016 at 22:50

Uitnodiging boekpresentatie

leave a comment »

Ik heb hier eerder geschreven over het werk van Ben Leenen, beeldend kunstenaar. Ik heb er nog een tweede tekst bij geschreven, en Ben Leenen heeft van die twee opstellen twee boekjes gemaakt, die we samen gaan presenteren. Vrienden en onbekende lezers, van harte uitgenodigd!

boekpresentatie

 

 

 

 

Written by sytzesteenstra

12 januari 2016 at 19:10

Geplaatst in kunst

Een buis van tape, leuk, maar, eh, interactie?

leave a comment »

Tube numen-for use Schunck

“Een buisglijbaan: kinderdromen worden waar!”

“De uitgang was geblokkeerd door een of ander obstakel, maar het was niet van steen; het scheen zacht en een beetje mee te geven, maar toch ook sterk en afwerend; lucht filterde er doorheen, maar er was geen lichtstraaltje te zien. … Over de gehele breedte en hoogte van de tunnel was een enorm web gesponnen, ordelijk als het web van de een of andere reuzespin, maar dichter geweven en veel groter; iedere draad was dik als een touw.”

“The curatorial concept delves into the murky territory of both physical and psychological interiority, thematising immersion, introspection and probing of the depths of self. The main idea was to transform the whole building into a convulsive mind/body organism whose slippery inner limits a motivated explorer has yet to trace and confront. The stretched biomorphic skin of Tape Paris is marking the entry point to the whole experience, being a literal incarnation of an inner-directed, regressive environment – the sense of descent into the primordial always lingering around its openings.”

 

Hierboven zie je mij kruipen en klauteren in de “Walk-in installatie Tape”. Best leuk, even in een speeltuin. Schoenen en sokken uit en kruipen door een zacht meedeinende buis van breed verpakkingstape. Het rook er een beetje naar plastic en lijm, maar het was niet kleverig en ook niet benauwd, waar ik even bang voor was. Het was in de cocon van tape wel een stuk warmer dan in de rest van het gebouw. Dat was in Schunck, het cultureel centrum van Heerlen.

Ik klom er in voor de pret, maar ook een beetje omdat ik me daartoe verplicht heb, als deelnemer aan de klankbordgroep van “Push and Pull”, een project van Schunck en het  Mondriaanfonds over participatie, waarvan deze installatie weer een aflevering is. Ik heb er al eens eerder hier over bericht, in februari van dit jaar, bij de eerste installatie. Knorrig werd ik daar toen van. Nou ben ik liever blij dan knorrig, dus ik herhaal nog een keer dat dat kruipen en klauteren best leuk was. Ja, leuk.

Maar met interactie had het toch weinig te maken. In feite was de tape-buis juist afgeschermd van alles wat in interactie zou kunnen uitmonden. De installatie was keurig ingericht boven een tentoonstellingsplatform dat vast in die zaal ligt, zonder uitlopers of tentakels naar de kinderbibliotheek, de lift, het trappenhuis of het café, allemaal in dezelfde zaal of daar vlakbij. De enige mogelijkheid tot interactie werd gevormd door de bewaker, wiens enige taak het was op die buis van tape te passen. Een vriendelijke man, die me meteen een anekdote over een andere tentoonstelling vertelde. En nee, het was niet toegestaan boven op de buizen te klimmen. Verder werd de sfeer vooral bepaald door waarschuwingen en verbodsborden.

Schunck waarschuwingen rond Tube numen for use

Ik ben dit stukje begonnen met drie motto’s die ik zelf bij elkaar heb gezocht. Wie de kunstwereld een beetje kent, ziet meteen waar het menens wordt. De buisglijbaan vond ik in de internetcatalogus van een bedrijf in speeltuintoestellen. Het reuzenspinneweb komt uit  Tolkiens ‘In de ban van de ring’. En het Engelse citaat komt van de website van de makers van de tape-installatie zelf. Hun toelichting bij een eendere versie van dezelfde installatie, in het Parijse Palais de Tokyo, laat de alledaagse werkelijkheid resoluut achter zich. “Transformatie van het hele gebouw… letterlijke belichaming van een naar binnen gerichte, regressieve omgeving… ” De publiciteit van Schunck is van hetzelfde laken een pak, ook daar wordt veel meer beloofd dan de installatie waarmaakt.

De makers van de tape-installatie noemen zich “Numen/For Use”, en op hun website valt te lezen dat ze designers zijn die enerzijds modernistische meubels ontwerpen (“For Use”), anderzijds theaterdecors en kunstinstallaties maken. Die kunst-kant van hun werk heet dan “numen”, naar het numineuze, het Kantiaanse Ding-an-sich. “Noumenon is hence the eternally latent reality of an object, a total and absolute existence of an object; an ideal form of which every phenomenon is merely a Platonian shadow.” – nog een citaat van hun website. Zulke claims, gebaseerd op geleende filosofische systemen, maken interactie wel lastig. Zeker als die systemen ook nog eens, zoals hier, extreem dualistisch zijn, dat wil zeggen: de werkelijkheid indelen in twee domeinen waar tussen geen interactie mogelijk is. Tussen pretentie en tape gaapt een kloof. Gaap.

In het algemeen is mijn indruk van het “Push and Pull” project tot nu toe dat de ambtelijke interactie tussen het Mondriaan Fonds en Schunck bepalender is dan die tussen kunstwerken en publiek. Intensiever ook, want: daar is geld beschikbaar, daar worden beslissingen genomen. De beeldende kunst-werkelijkheid zelf is in dat opzicht dualistischer dan het thema “interactie” (ludiek, open, speels, toch?) zou kunnen suggereren.

 

Written by sytzesteenstra

8 november 2015 at 19:46

Ine, trouw aan het atelier, aan het maken

leave a comment »

In het Maastrichtse Bonnefantenmuseum is een kleine tentoonstelling van werk van moderne en hedendaagse Limburgse beeldhouwers, samengesteld door Han van Wetering, een beeldhouwer die even optreedt als gastconservator. Er is ook werk bij van een vorig jaar gestorven vriendin, Ine Schröder: vier kleine houten latwerkjes, opgehangen aan de muur.

Overzicht van vier werken van Ine in het Bonnefantenmuseum

Het is fijn Ine’s werk in het museum te zien, in het gezelschap van bekendere beeldhouwers als Shinkichi Tajiri, William PARS Graatsma en Han van Wetering zelf. Maar ik mis Ine’s atelier. De muren van het museum zijn even wit als de muren van het oude schoollokaal waarin Ine werkte, en nog schoner ook, maar ik mis de kist met latjes en plankjes  waarin Ine vrijwel alles wat ze maakte ook weer liet verdwijnen, het lichte gevoel van onthechtheid, of andersom, het onthechte gevoel van lichtheid. Ik denk dat ze duizenden werkjes heeft gemaakt, en het overgrote deel daarvan ook weer uit elkaar heeft gehaald.

Toen ik voor het eerst in haar atelier kwam zocht ik naar de betekenis van haar beelden, en na lang heen en weer praten wilde ze, bijna als concessie in een onderhandeling, wel toestaan dat er  verbanden konden zijn met herinneringen aan ruimtes, bijvoorbeeld aan de hoge verticale opening in een trappenhuis, of aan de ruimte onder een bureau. Nu ik het opschrijf zie ik wel dat ik werd afgescheept met niet veel meer dan een tautologie: ruimtelijk werk heeft te maken met de ervaring van ruimtes. De ervaring van ruimte heeft een persoonlijk aspect, een binnenkant, een geschiedenis.

“Dat proces, dat is het mooiste wat er is”, zei Ine, en dat ging over het werkproces, over het proberen en het zoeken in het atelier. Over het zoeken van het moment waarop voor het eerst samenhang te zien is, waarop een werkstuk of een tekening voor het eerst een eigen kracht heeft, en over haar werk om precies dat moment steeds weer even te bewaren, zonder het plechtiger te maken dan het is.

Een wandsculptuur van Ine Schröder

Ik kende Ine al een paar jaar voordat ik besefte dat ze chronisch ziek was, ernstig ziek ook, ze wist dat ze niet heel oud zou worden. Ze sprak er weinig over, en ook dan alleen nuchter en onthecht. Na haar dood maakte uitgeverij Huis Clos een klein herinneringsboekje, Ine. Dit was mijn bijdrage:

Bijna niets, open, in : "Ine", uitgeverij Huis Clos

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

 

 

Written by sytzesteenstra

6 april 2015 at 14:38

Recensie van een abstractie

with one comment

Soms heb ik een kunstwerk al beoordeeld in de eerste oogopslag. Of eigenlijk is het andersom: het overkomt me wel eens dat een kunstwerk me ogenblikkelijk een zinkend gevoel bezorgt, de zekerheid dat het geen plaats openlaat voor mijn emoties of voor mijn vragen. In dit geval: een installatie in Schunck, in Heerlen, “Wat zou je doen met een miljoen?” Een vraag die me al bij voorbaat aan loterijen doet denken, en daarmee aan een stroom van reclame en hele en halve onwaarheden die ik liever uit de weg ga. De wereld waarin de voorgestelde kansen niet kloppen, waarin ‘gratis’ niet gratis is en waarin liefdadigheid betekent dat allereerst de directie rijk wordt – kijk de recente geschiedenis van de Nederlandse loterijen er maar op na.

Wat zou ik doen met een miljoen? Een ander huis kopen, een reis maken, aan mijn kinderen geven, aan een goed doel geven, aan een actie tegen loterijen geven, een kunstwerk kopen, nog een miljoen vragen, als de visser uit het sprookje ‘de visser en zijn vrouw’? Van wie is dat miljoen eigenlijk? Is er wel een miljoen? Wat gaat die vraag uit de weg? Politiek, sociologie, geschiedenis?

Vervelende reclame: "gratis kans op een miljoen!"

Je komt binnen op de opening, kijkt een ogenblik rond, en ziet: een ruimte die is beplakt met kranten. Voor de interactie zijn er kant en klare stickers gedrukt, de bezoeker wordt aangemoedigd een sticker op een krantenbericht naar keuze te plakken. Is dit interactie of juist niet? Is dit niet de werkelijkheid van multiple choice vragen, van krasloten, van ingekaderde pseudo-communicatie? Zulke overwegingen duren hooguit tien seconden. Daarna besloot ik maar een beetje afzijdig te blijven, en mijn jas aan te houden, al is dat warm: een jas biedt afstandelijkheid, een vorm van bescherming. (Ook tegen mijn eigen ongeduld.)

Overzicht van de installatie "Wat zou je doen met een miljoen?" in Schunck

Overzicht van de installatie “Wat zou je doen met een miljoen?” in Schunck

Na de openingsspeeches heb ik nog rustig rondgekeken. De vijf hoge ramen rechts op de foto hierboven waren beplakt met spiegelfolie; wie de gang achter de ramen betreedt ziet alleen zijn eigen spiegelbeeld, en kan een koptelefoon opzetten waarop ruis te horen is, alleen ruis. Volgens een verklarende wandtekst is hier “ruimte gemaakt voor onverschilligheid”, in de ruimte die is beplakt met kranten “kun je de actualiteit wikken en wegen en kun je dat wat jij belangrijk acht markeren”.

De stickers

De stickers

Mijn probleem is dat ik een sticker plakken op kranten net zo onverschillig vind als met een koptelefoon vol ruis naar een spiegelwandje kijken. Wat maakt het uit? Niet geselecteerde oude kranten zijn ruis. Is dat interactie, een sticker plakken? Met wie, of met wat? De strakke lijn tussen onverschilligheid en interactie in de installatie lijkt mij een cliché, geen kunstwerk.

De hamvraag
De hamvraag

“Met ‘Push and Pull’ lanceert Schunck een nieuwe reeks tentoonstellingen die de interactie tussen publiek en hedendaagse kunst centraal stelt.”

De installatie is gemaakt door een klas (zeven studentes) van de docentenopleiding van de Maastrichtse kunstacademie, met drie begeleiders. Van hun visie op geld, of op politiek, of op de maatschappij, of op de media, of op kunst, of op het leven, weet ik niets: hun installatie zwijgt er in alle talen over. Volgens mij is er helemaal geen sprake van interactie tussen publiek en hedendaagse kunst; kunst wordt niet zomaar in klasverband gemaakt. In feite is dit interactie tussen kunstinstellingen onderling (museum, academie, Mondriaan Fonds), interactie tussen vertegenwoordigers en spreekbuizen van kunstinstellingen. Dat is iets anders, echt iets anders. Noem het desnoods een abstractie van interactie. Ik wacht intussen (ik maak deel uit van de klankbordgroep van het hele Push and Pull-programma, en heb nu alvast mijn steentje bijgedragen) gewoon op een volgende aflevering van ‘Push and Pull’, dan komt Sushan Kinoshita aan de beurt, een kunstenares, iemand die kunst maakt.

Historische achtergrond

‘Push and Pull’ is genoemd naar een happening (of installatie, of performance) die Allan Kaprow (1927 – 2006) in 1963 heeft gemaakt in een Amerikaans warenhuis: twee ruimtes waar bezoekers naar hartelust met meubels en rommel konden slepen en stapelen. (Kaprow’s programma voor ‘Push and Pull’ is te vinden op UbuWeb.) Kaprow was eerst een figuratieve kunstschilder, ging toen abstract werken, werd beïnvloed door ‘action painting van Jackson Pollock, en bedacht daarna, beïnvloed door John Cage, dat het kader van kunst te nauw was voor zijn werk (of voor voor kunst in het algemeen?), dat ‘action painting’ de hele werkelijkheid kon omvatten, dat alles, inclusief het leven zelf, kon worden meegenomen in ‘gebeurtenissen’: “happenings”.

Jaren geleden heb ik een bundel opstellen van Kaprow gelezen, “Essays on the Blurring of Art and Life”. Nu ik me al internettend nog even in zijn werk heb verdiept, valt me op dat zijn hele retoriek ten tijde van zijn happenings was gericht op werken buiten de kunst (Kaprow’s eerste regel voor het maken van een happening: vergeet alle bestaande kunstvormen), maar dat hij keurig is opgenomen in zowel de kunstgeschiedenis als de theatergeschiedenis. Bovendien was hij van 1953 tot 1993, zonder onderbreking, docent aan kunstinstellingen. De ‘Allan Kaprow estate’ wordt vertegenwoordigd door topgalerie Hauser & Wirth (vestigingen in Zürich, Londen, Somerset, twee in New York, en Los Angeles). Er zijn momenteel acht lopende tentoonstellingen waarbij Kaprow’s werk betrokken is: Zwitserland, Nederland (Schunck), Japan, Taiwan, USA (2 x, Minneapolis en Chicago), Australië, Italië, Duitsland; dat zijn meer dan acht landen, want sommige tentoonstellingen reizen. ‘Push and Pull’ alleen al is de laatste jaren ‘geherinterpreteerd’ in de Tate Modern in Londen, in Sydney, en in New York tijdens een ‘Performa’ festival. Dat zegt iets over de werking van het kunstenveld: de niet te stillen behoefte aan een voorbeeld, een autoriteit, een oude meester.

Bij het luisteren naar een lezing van Kaprow op YouTube viel me op hoe bazig hij spreekt, dwingend in zijn voorschriften. Er worden nogal wat lichamen opgestapeld, gedumpt, meegesleurd, besmeurd, kleren afgescheurd in de programma’s voor happenings van Kaprow; en verder zijn er veel auto’s in nodig. Autobotsingen, een brand in een fabriek, de rommel die achterblijft na een storm, dat zijn voorbeelden die Kaprow gebruikt; net als bij de beat poets, ook tijdgenoten, is destructie nooit ver weg.

Misschien had Kaprow als docent een andere, mildere invloed, ik vond dit citaat in een artikel in de New York Times uit 2008: “He taught at CalArts at the same time as the conceptual artist John Baldessari, which inspired the one-liner that while all of Mr. Baldessari’s students went on to become art stars, Kaprow’s went on to become social workers.” Misschien hadden zijn studenten ook meer kijk op de werkelijkheid buiten de kunst om.

NB: deze ‘Recensie van een abstractie’ heeft een pendant: ‘Gerecenseerd door een abstractie‘. Het blijft duwen en trekken.

Written by sytzesteenstra

10 februari 2015 at 19:17