Sytze Steenstra Blog

Archive for februari 2011

John Cage

with one comment

De tentoonstelling ‘The Anarchy of Silence: John Cage and Experimental Art’ in museum Schunck in Heerlen is al lang weer voorbij, al komt er vannacht nog een staartje op Radio 6. De hoogste tijd om hier over Cage te schrijven. Vooraf had ik een voorstel voor een lezing ingezonden naar de Open Call die bij de tentoonstelling hoorde (nog te vinden op de website van Schunck: http://www.parkstadbibliotheken.nl/1501/blog-open-call-pagina-2#SytzeSteenstra ).

Het was een plezier om op de tentoonstelling rond te lopen. Veel over Cage wat voor mij nieuw was, zoals zijn succes bij het zoeken naar publiciteit: als in 1943 besteedde Life magazine twee bladzijden aan Cage; later, eind jaren vijftig, trad hij in televisie spelshows op, wat voor mij een hoogtepunt van de tentoonstellingen opleverde. En verder was er veel te zien wat ik alleen kende uit boeken  (Mary Emma Harris: The Arts at Black Mountain College; Allen Kaprow: Essays on the Blurring of Art and Life) en uit een enkele videoband: Robert Morris’ Site waar op de voorgrond, onopvallend, zijn Box with the Sound of its own Making staat – een kistje dat nu in Schunck op een sokkeltje zijn geluid stond te maken. Een fascinerend en ingewikkeld overzicht van Cage’s werk vanaf 1939 tot en met de jaren ’60, met zijn samenwerking met Marcel Duchamp, zijn werk aan Black Mountain College met Rauschenberg, Cunningham en Buckminster Fuller, zijn compositieklas aan de New School for Social Research met Allen Kaprow en vele anderen, en zijn invloed op Fluxus, van Nam June Paik tot en met Wim T. Schippers.

Het optreden van Cage in de Amerikaanse televisieshow “I’ve Got A Secret” is te zien op youtube of op deze site: http://blog.wfmu.org/freeform/2007/04/john_cage_on_a_.html. Het is interessant en enorm komisch, vind ik, omdat het zo mooi een confrontatie tussen twee kunstwerelden laat zien, die van de televisie en die van Cage z’n experimenten. Beide kanten weten zo te zien heel goed waar ze aan beginnen: de quizmaster kondigt Cage aan met veel omhaal, om zijn publiek duidelijk te maken dat hij heel goed weet dat hij iets raars laat zien, zodat hij zelf daar afstand toe bewaart; aan de andere kant bewijst hij met een krantenknipsel, een recensie over Cage, dat deze componist heus serieus wordt genomen. En Cage weet heel goed dat hij optreedt op televisie, als een rariteit, een kermisattractie, maar hij blijft daar ontspannen en kalm onder, en straalt het vertrouwen uit dat hij alleen maar zijn programma van geluidsactiviteiten hoeft af te werken om succes te hebben. En daar komt nog bij dat blijkbaar de vakbonden van bij de uitzending betrokken technici het niet eens konden worden over hun jurisdictie, zodat Cage geen spelende radio’s kan gebruiken, wat hij simpelweg oplost door de radio’s als percussie-instrumenten te gebruiken door er een klap op te geven en ze later stuk voor stuk van de tafel te duwen.

Ik was bij de drukke opening, en toen ik daar hoorde dat er gebrek was aan rondleiders ben ik later twee keer als rondleider naar de tentoonstelling teruggekeerd. Een bijkomend, maar niet onbelangrijk voordeel van het rondleiden is dat de rondleider aan de kunstwerken mag zitten die bedoeld zijn om aan te zitten. Dat wil zeggen, ik mocht een groepje museumbezoekers aanmoedigen om in de vitrine van Schunck te gooien met de ‘Silver Clouds’ van Andy Warhol, en ik mocht de ‘Schallplatten-Shaslick’ van Nam June Paik en nog een paar andere Fluxus-installaties demonstreren. Aangezien ik een kinderlijk plezier heb in het spelen met kunstwerken die een beetje lawaai maken, (of die een oude televisiebeeldbuis met een sterke magneet op hol brengen), maar je als bezoeker in een museum nu eenmaal met je tengels van de kunst af moet blijven, ging hier een oude wens van mij in vervulling. (Nee, het was niet alleen lol maken, ik heb wel degelijk mijn best gedaan om serieuze rondleidingen te verzorgen, maar het ‘serieuze’ van Fluxus is iets anders dan het serieuze in kantoorlandschappen.)

John Cage blijft ook na deze tentoonstelling een raadsel voor mij. Ik heb grote bewondering voor zijn werk, en tegelijk een flinke onverschilligheid. In 2003, tijdens een Cage-festival, ben ik naar een uitvoering van een van Cage’s grotere composities gegaan, Atlas Eclipticalis uit 1962. Het was een aangename ervaring, luisteren naar muziek die niets uitdrukt en geen enkele samenhang pretendeert, rustgevend en half dagdromend zoals langdurig kijken naar een houtvuur dat kan zijn. Maar ook even vluchtig als de herinnering aan een houtvuur, het tegendeel van onvergetelijk. Het kernidee van Cage, de gedachte dat je alles en nog wat kunt opnemen in een compositie, en dat die compositie geen ‘object’ hoeft op te leveren, geen product dat de aandacht in beslag neemt, maar beter een proces kan zijn dat de aandacht bevrijdt, dat is een idee dat me fascineert, maar vooral als het door andere kunstenaars, performers, theatermakers wordt ingezet. Ik spits mijn oren meer als ik Cage lees, of over hem lees, dan als ik zijn muziek hoor. (Geen toeval dat mijn proefschrift “We Are The Noise Between Stations” onder andere een motto van Cage heeft.)

Mijn lievelings-Cage-citaat van het moment komt uit zijn “Lecture on Nothing”:

“Structure is simple because it can be thought out, figured out, measured. It is a discipline which, accepted, in return accepts whatever, even those rare moments of ecstasy, which, as sugar loaves train horses, train us to make what we make.”

De vergelijking die “The Anarchy of Silence” maakte tussen Cage en Warhol, tussen Warhol’s “Exploding Plastic Inevitable” en zo’n Cage-multimedia spektakel als HPSCHD, samen met het essay van conservator Julia Robinson, “John Cage and Investiture: Unmanning the System”, zette me aan het denken over het voorbehoud dat ik voel bij Cage. Misschien komt mijn reserve er uit voort dat Cage aan de ene kant als componist alles toeliet in zijn proces-composities, terwijl hij tegelijk als radicaal vernieuwend kunstenaar zich bleef opstellen als componist, met het grote gezag van de scheppende muziektraditie achter zich, gezag dat hij ook nadrukkelijk opeiste (kijk bijvoorbeeld naar zijn gedetailleerde en dwingende voorschriften voor het prepareren van een concertvleugel, zodat die als een percussiemachine, een “prepared piano” kan worden gebruikt). Ik voel frictie tussen de opstelling van Cage als componist, en zijn rol van allesomvattend vernieuwer, die uitgaat van gedachten als “I try to make definitions that won’t exclude. I would say simply that theatre is something which engages both the eye and the ear…. The reason I want to make my definition of theatre that simple is so one could view everyday life itself as theatre.” Misschien is die frictie ook onvermijdelijk voor iemand die zo’n prominente overgangspositie in de kunsten heeft ingenomen.

Omdat ik geen conclusie wil trekken, hier nog drie citaten over Cage.

“John Cage was a ubiquitous questioner of all holy platitudes and grandiose pantheons.” Mark Stevens en Annalyn Swan: De Kooning, An American Master.

“Performance Art comes out of the meeting of popular entertainment (especially rock, punk, and new-wave music), happenings (with their sources in visual arts, the music of John Cage, and theories of indeterminacy), theater, and dance.” Richard Schechner: Between Theater and Anthropology.

“I am a Cagian, I relate to John Cage, in the sense that I feel there is a certain larger puzzle, larger synchronicity. And I don’t mean this in a schizophrenic paranoid way. But I mean it in the sense that all of culture, all of our culture is an artifact. Nature is the raw and different thing we have chosen to overlay with a sense of order. We make the order. I’m an existentialist to that degree. And because we’re making the order, there are stories constantly created around us, constant puzzles that are coming at us. And I like to be a conduit to those stories. Using the real names is to keep those larger than my own imagination alive outside of me. This person at a reading in Chicago asked why I changed the names and I told him and gave an example of a name I had changed; the first guy who taught me how to masturbate. And I said I changed it to such-and-so. But I also gave him the original name and he said, “How funny, that happens to be my name as well.” And I said, “You see, you see, you see, exactly. You see how it’s all coming around? You see how things are interconnected in this kind of web. That telling the truth constantly creates new information about that truth and fictionalizing is more an internal private process.” Spalding Gray, uit een interview in Bomb magazine; http://bombsite.com/issues/17/articles/833.

Advertenties

Written by sytzesteenstra

19 februari 2011 at 22:15

Magnetostrictie

leave a comment »

Een nieuw woord geleerd: ‘magnetostrictie’. “Dat is het krimpen en weer terugveren van metalen onder invloed van een wisselend veld”, schreef Karel Knip dit weekeinde in zijn rubriek “Alledaagse wetenschap” in de Wetenschapsbijlage van het NRC. Daarbij mag je van Knip denken aan het zachte gonzen van oude TL-armaturen en andere elektrische apparaten. Wikipedia voegt er nog aan toe dat magnetostrictie het geluid veroorzaakt dat door transformatoren kan worden uitgestraald. Waarom dat me interesseert? Nu heb ik een naam voor een eigenaardige herinnering. Toen ik een jaar of zestien of achttien was fietste of liep ik met regelmaat laat in de avond door Amersfoort, waar het stil was op straat, op het geluid van een enkele auto na. Hele delen van de stad waren een soundscape van gezoem: transformatorhuisjes waren al op grote afstand te horen, maar ook straatlantarens vielen vaak evengoed op door hun gedruis als door hun licht, net als sommige neonreclames. Die mengeling van licht en geluid in de lege straten is me heel duidelijk bijgebleven, een zoemtoon pulseerde door hele wijken. Dat hoor ik nu nooit meer; klopt mijn indruk dat transformatorhuisjes in de laatste dertig jaar veel stiller zijn geworden, misschien door het gebruik van andere schakeltechniek?

 

Written by sytzesteenstra

14 februari 2011 at 20:52

Geplaatst in dagboek

Schoenmaker-filosoof

with 2 comments

De Fries Evert Rinsema (1880-1958) was schoenmaker-filosoof en kende Theo van Doesburg vanaf 1914. De Stijl gaf in 1920 het boekje Verzamelde volzinnen van Evert Rinsema uit.”

Schoenmaker-filosoof!

De Stijl!

In Drachten!

Verzamelde volzinnen!

Chapeau, meneer Rinsema.

Ik had niet eerder van de man gehoord, maar trof dit aan in het vuistdikke en minutieus gedocumenteerde boek “Expressie en ordening: het verzamelbeleid van Willem Sandberg voor het Stedelijk Museum 1945-1962”, van  Caroline Roodenburg-Schadd. Op internet is, zoals gewoonlijk, meer informatie te vinden, waaronder een fijn portretje van Evert Rinsema als Nietzsche, getekend door Van Doesburg, maar de volzinnen zelf ben ik niet tegengekomen, alleen als selecte koopwaar bij antiquariaten. Misschien typt iemand er een paar over en lees ik ze ooit; misschien is het fata morgana dat deze twee korte volzinnen oproepen genoeg.

Written by sytzesteenstra

2 februari 2011 at 14:21

Geplaatst in dagboek, filosofie

Kijken (3)

leave a comment »

Sinds een paar maanden is er een nieuw woordenboek in huis, dat drastisch anders is dan boekenplank vol die ik al had. Het is het Groot beeldwoordenboek, met als ondertitel ‘Nederlands English Français Deutsch’, van Van Dale. Voor het eerst gezien bij een dyslexie-therapeut, en het sloeg zo aan bij A. en staat bovendien zo vol met gestoken scherp gedrukte en prachtig gekleurde afbeeldingen dat we er zelf ook een kochten.

citrusfruit

Al bladerend en kijkend in het boek merkte ik bij mezelf een vreemd mengsel op van aantrekking en afstoting. Ik heb ook een wisselvallige geschiedenis met plaatjes in boeken. Als kind op de lagere school haalde ik uit de openbare bibliotheek alles door elkaar, leesboeken en geïllustreerde boeken over van alles en nog wat, ik herinner me Parool-boeken (vertaalde Time-Life boeken) over de werking van een fototoestel, de geschiedenis van de auto, dat soort boeken vol veelkleurige diagrammen en afbeeldingen, ik genoot er van. Toen ik studeerde heb ik jarenlang boeken met illustraties voor minder versleten, minder dan de zuiver literaire en filosofische boeken met niets dan tekst, niets dan werelden van woorden. Van zulke boeken houd ik nog, maar van mijn vooroordeel tegen plaatjes in boeken ben ik genezen, dat is een van de waardevolle lessen van de kunstacademie. Maar een woordenboek met plaatjes? Was dat niet toch een brug te ver? Bestaat er wel een vaste wisselkoers, één op één, tussen woord en beeld? Gewone vertaalwoordenboeken laten juist zien hoe complex een woord is, met zijn verschillende betekenissen en synoniemen en zijn klankregisters van deftigheid, vulgariteit, verouderd of hip, vaag en algemeen of juist specifiek en ga zo maar door.

Mijn belangstelling voor de gevoelswaarde van dit soort verbanden tussen het kijken en het lezen is aangescherpt door de dyslexie van A., die misselijk kon worden (het effect neemt al af, gelukkig) van het lezen van een lastig zinnetje. Terwijl ze een goed taalgevoel heeft, en ook prima haar ogen weet te gebruiken, kunnen letters en woorden vreemde trucs met haar uithalen, van plaats ruilen en zich omdraaien terwijl ze ernaar kijkt, kortom zich door en door onbetrouwbaar tonen. Ik kon me daar zelf een tijd lang weinig bij voorstellen, ik was zo’n kind dat kon lezen voor het naar de lagere school ging, ook als het boek ondersteboven op tafel lag, en als er een tegendeel van dyslectisch zou bestaan (prolectisch? letterminnend?) dan zou ik die term op mezelf van toepassing achten.

Om er toch iets van te begrijpen heb ik een boek over dyslexie gelezen dat J. in huis had gehaald, De gave van dyslexie van Ronald D. Davis. Met inleiding van Jan des Bouvrie, nota bene. Hoewel het boek een taaie populaire buitenlaag heeft, dat de lezer niet alleen paait met Jan des Bouvrie maar ook door Albert Einstein, Leonardo da Vinci, en Walt Disney over één kam te scheren, samen met Amerikaanse sporthelden van wie ik nog nooit heb gehoord (misschien wereldberoemd in ijshockey of American football?), vond ik wat Davis schrijft over non-verbale begripsvorming interessant en verhelderend. De centrale stelling van het boek zou ik (uit mijn geheugen) zo samenvatten: ieder mens neemt veel meer, en veel sneller, waar dan in woorden onder te brengen valt. Als het leren lezen tegenvalt, en als de activiteit van het lezen gekoppeld wordt aan negatieve emoties, aan angst en onbehagen, kan iemand vasthouden aan de rijkdom van de non-verbale ervaring en tegelijk het lezen aan een soort panische emotie verbinden, zeeziek worden van letters.

Goed, tot zover de dyslexie, terug naar het beeldwoordenboek. Vooral de bladzijden met drie of vier rijtjes mooie vruchten, allemaal op schaal afgebeeld, vind ik verleidelijk. Het is prettig door de vruchten, specerijen, smaakmakers (kijk: het verschil tussen grove mosterd, dijonmosterd en Duitse mosterd!) kruiden, granen en graanproducten te bladeren: alsof je met je ogen overal van mag proeven, even een vinger erin steken om af te likken, de korrels door je vingers heen laten glijden. Het is op die bladzijden een woordenboek dat een brug slaat naar de ervaring, alsof het woord appel binnenin de appel zelf zit, een kinderlijk geloof.

meubilair

winkelcentrum

Een ander kinderlijk plezier vind ik op de bladzijden met een vrolijk geel gekleurde bulldozer en graafmachine. Maar terwijl ik door het boek blader, waar het enorm toe uitnodigt, verandert schoksgewijs mijn verhouding tot de afbeeldingen. Op veel bladzijden kijk ik naar exemplaren van dingen zelf, andere bladzijden met ‘de mens’ en ‘het heelal’ zie ik als variaties op die oude Time-Life boeken of op catalogi; de bladzijden met meubilair doen me denken aan meubelboulevards en de daar heersende verveling, terwijl op veel opengewerkte overzichtstekeningen in vogelperspectief, zoals het winkelcentrum, de werkelijkheid is ingeruild voor een diagram, en de zichtbare wereld tussen mijn vingers door wegglijdt. Andere bladzijden doen niet eens een poging om hun onderwerp zichtbaar te maken. ‘Economie en geldwezen’ moet het doen met een opengewerkt overzicht van een bankgebouw, omringd door soorten geldautomaten, creditcards, een paar munten en bankbiljetten; ‘politiek’ is een wereldkaart met 193 genummerde landen, met bij elk nummer de vlag. Wat op de ene bladzij aan ervaring gewonnen wordt, gaat op de andere bladzij weer verloren.

Wat is dat nou, dat wat bij het bladeren en bekijken in mij op een duizelig makende manier heen-en-weer schommelt? Is het mijn kinderlijk vertrouwen in afbeeldingen, en in de naïeve zekerheid dat de namen van dingen innig met de dingen verbonden zijn, dat worstelt met mijn academische inzicht in de geconstrueerde aard van begrippen? Ik denk dat het eigenlijk nog iets anders is: dat ik merk hoe veel verschillende opvattingen van natuurlijkheid er in het beeldwoordenboek elkaar verdringen. En het kijken in zo’n boek correspondeert met het verlangen te zien hoe het woord citroen samenvalt met de citroen zelf, een verlangen dat vast en zeker kinderlijk is, maar niet kinderachtig of ongerechtvaardigd. In het dagelijks gebruik van appels en van het woord ‘appel’ is de naam inderdaad vanzelfsprekend, evident en onwrikbaar, daar doen de verschillende wetenschappelijke taaltheorieën niets aan af. Volgens de Saussuriaanse taalwetenschap is alleen al het gegeven dat in dit beeldwoordenboek onder het plaatje van de appel in vier talen vier verschillende woorden staan, appel, apple, pomme, Apfel, afdoende bewijs voor het feit dat teken en betekenis, of netter: betekenaar en betekende, signifiant et signifié, signifier and signified, Bedeutungsträger und Bedeutetes (of: Signifikant und Signifikat) niet samenvallen, en eigenlijk volkomen los van elkaar staan. De semiotiek, takken van filosofie en van cultuurwetenschap kunnen er wat van, uitleggen hoe betekenis geconstrueerd is, en er zit natuurlijk wel wat in. Ik zag vandaag nog in de supermarkt een appelras dat ‘Jazz’ heet, en ik neem aan dat daar heel wat plantenveredelaars en marketingdeskundigen aan gewerkt hebben voor het zover was. En dan nog had die appel met evenveel commercieel succes misschien ook wel ‘tango’ kunnen heten, of  ‘biarritz’. Maar hoewel ik me graag een beetje wereldwijs mag voordoen, als iemand die het spel van constructie en deconstructie doorziet, voel ik uiteindelijk veel minder voor semiotische en semiotisch-structuralistisch geïnspireerde analyses dan voor de veel reflexievere inzichten van bijvoorbeeld Pierre Bourdieu en Michael Taussig, die er elk op hun eigen manier op wijzen dat het willekeurige, geconstrueerde aspect van de werkelijkheid minder interessant is dan het mysterie dat die historisch ontstane constructies wel degelijk onze natuur vormen. Het is niet het koppige kind in mij dat het leuk vindt te denken dat de appel gewoon iedereen in zijn eigen taal toespreekt, het is een koppig aspect van de realiteit, dat door Bourdieu wordt aangeduid als ‘naturalisering’ en door Taussig als de ‘mimetische faculteit’. Het beeldwoordenboek maakt die processen even zichtbaar, in een glimp, mooi en griezelig tegelijk.

Written by sytzesteenstra

1 februari 2011 at 21:14