Sytze Steenstra Blog

Archive for mei 2011

Wim T. Schippers z’n pindakaasvloer / de pindakaasvloer van Museum Boijmans Van Beuningen

leave a comment »

Nee, een reis naar Rotterdam heb ik er niet voor gemaakt, maar toen ik er toch was (om op het conservatorium te praten over een mogelijk project) ben ik ook even naar het museum gegaan om de roemruchte pindakaasvloer van Wim T. Schippers te zien, te ruiken en last but not least te overpeinzen. Wat vind ik er van? Ik vind dat je er van alles van kunt vinden. Voor ik er zelf iets van vind, vind ik een heleboel meningen die allang iets gevonden hebben.

De handelaar in nieuwe en afgewerkte vetten

Die Schippers, als je het mij vraagt heeft die gewoon wat met bruine smurrie. Op tv had je vroeger die Fred Haché, nou heeft-ie weer die grote drol gemaakt in de tuin van de VPRO daar in Hilversum, en dan dit. Maar ja, evengoed is het een mooi partijtje vet, doodzonde wat die suppoost me daarnet vertelt, dat dit na afloop gratis van het museum naar de Diergaarde gaat.

De connaisseur

Ik kijk er niet van op, wat Harry Ruhé vertelt op die video hier naast mij, dat in ’69 het Guggenheim contact opnam met Schippers voor een tentoonstelling in New York, al is dat toen uiteindelijk niet door gegaan. Hij hoort absoluut thuis tussen de grote namen van de jaren zestig, tussen George Maciunas en Robert Smithson, bij Fluxus en Zero en Minimal. Het zou mooi zijn deze vloer te zien tussen de vloerplaten van Carl André en de Fettecke van Joseph Beuys, in een goed retrospectief.

De pindakaasvloer van Wim T. Schippers, met museumsuppoost

De fervente bezoeker

Wat ik zo leuk vind van dit museum is dat ze niet alleen die prachtige oude schilderijen hebben, Jan van Eyck en Jeroen Bosch en alles, maar dat ze ook dit aandurven. Want geloof maar dat hier veel kritiek op komt! En toch is het goed dat ze dit laten zien, vind ik, want de jaren zestig, waar nu zo vaak op afgegeven wordt, dat was toch ook een hele mooie tijd, en mijn vriendin en ik hebben daar toen ook veel plezier gehad, in die jaren.

De columnist

Het is briljant, weergaloos, ontroerend, technisch volmaakt en prachtig dat de museumdirecteuren en de kunsthistorici dat geld aan de prominente kunstenaar Schippers hebben gegeven en dat ons belastinggeld niet is verspild aan de harde werkers in het basisonderwijs /  in de gezondheidszorg / bij defensie / in de financiële sector / de muziekschool / bij de afdeling publiciteit van het museum / het betaald voetbal / de openbare bibliotheek / de fanfare en de carnavalsvereniging.

De formalist

Wat allereerst opvalt aan de pindakaasvloer is dat het geen vloer is, ook nooit geweest. Ooit,  in Mickery, toen Schippers dit voor het eerst toonde, was het een laag pindakaas op een plateau of op een lage sokkel. Nu zou je het misschien een pindakaas-karpet moeten noemen. Het ligt daar keurig op de natuurstenen vloer van de museumzaal, op een zeil om de steen te beschermen tegen het uitbijten, met een keurig afgewerkte rand, alsof het in een lijst zit. Geen bezoeker zal ook maar een moment lang denken dat dit de vloer van de zaal zelf is. Je mag er ook niet over lopen, zoals je ooit, met laarzen aan die klaar stonden voor bezoekers, over Schippers’ glasvloer mocht lopen. En er staat niks op, geen televisie, geen fauteuil, geen kamerplant. Zelfs geen a-dynamisch Hollands vloerkleedje of Perzisch tapijtje, wat toch goed bij Schippers z’n oeuvre zou passen. Ik weet niet of je pindakaas met één of ander bindmiddel kunt verstevigen, maar dan zou je het net zo goed aan de muur kunnen hangen, als het zoveelste monochrome materieschilderij.

De biograaf

Wat ik wil weten: lagen er in het ouderlijk huis van Schippers kokosmatten op de vloer? En in zijn slaapkamer?

De essayist

Het bekijken van anti-canonieke kunstwerken die door vooraanstaande kunstmusea zijn gecanoniseerd, is inmiddels een vertrouwde ervaring geworden. Er gaat een vreemde beklemming van uit als je werk dat gemaakt is om mee te spelen, om te functioneren in een kring van collega’s, vrienden en bekenden, in vitrines en op sokkels ziet liggen, onaantastbaar en streng verboden aan te raken. Het kan beklemmend zijn, om driftig van te worden. Bewegingen als Dada en Fluxus, de grote ondermijners van de zekerheden van de gevestigde orde, zijn inmiddels zelf grondig gemusealiseerd, en dat verandert het werk tot in de vezels. Pindakaas is niet meer zomaar pindakaas als je het het op de vloer smeert; dat toch doen, de zinloosheid daarvan, is Fluxus. Je kunt het bedenken, je kunt het uitvoeren, je kunt het evengoed laten. Bien fait, mal fait, pas fait, goed gedaan, slecht gedaan, niet gedaan, de mogelijkheid die drie categorieën van de ervaring als gelijkwaardig te beschouwen was volgens Robert Filliou de kern van Fluxus. Pindakaas die je op de vloer smeert, en pindakaas die je op de vloer smeert en die voortdurend bewaakt wordt door museumsuppoosten die elkaar vanwege de penetrante geur om het half uur afwisselen: dat is niet hetzelfde.

Een hedendaags kunstenaar als Francis Alÿs gaat er bij voorbaat van uit dat zijn werk in het museum komt. Kunstenaar en museum maken deel uit van hetzelfde instituut: Alÿs laat zijn acties als een televisieregisseur vastleggen door meerdere camera’s tegelijk. Ik denk aan Alÿs omdat hij in zijn tentoonstelling in het Bonnefantenmuseum in Maastricht ook een vloer had opgenomen: hij had een grote museumzaal gevuld met veelkleurige rubber vloermatten, waarin hij door de werklieden die die dingen maken een logo had laten snijden van een hand die de wijsvinger voor twee lippen houdt: het internationale teken voor “stilte”.

De vloermatten van Francis Alÿs in het Bonnefantemuseum

Er lagen een paar honderd van die matten, allemaal in een andere kleurcombinatie; het museum had er voor de bezoekers van de opening (Alÿs kreeg een grote prijs uitgereikt, de BACA-Award) een schattig klein boekje van gemaakt, een hebbedingetje. Maar een verbijsterend en veelzeggend gegeven was dat het museum  in de grote erezaal een valse achterwand had gebouwd om de matten van Alÿs zaalvullend te kunnen presenteren. Er waren namelijk niet genoeg matten om de zaal “kamerbreed”, echt van wand tot wand, mee vol te leggen. Liever dan te kiezen voor een van de vele voor de hand liggende mogelijkheden (een rand van de vloer vrij laten, een opening in het midden, aanvullen met hele andere matten uit een Nederlandse bouwmarkt, tapijttegels, noem maar op) had het museum in overleg met de kunstenaar besloten om zo’n drie meter voor de achtermuur van de zaal tijdelijk een wandje op te trekken, en daarbij ook een rand van het glazen museumplafond af te dekken, zodat geen bezoeker zou zien dat de afmetingen van de zaal waren aangepast. Wie is dan de kunstenaar, Alÿs of het museum, het samenspel van directeur, conservator en technische staf? Het antwoord is, dunkt me, duidelijk. Het instituut lijkt neutraal en afwezig, maar juist die schijn (“The White Cube”) is overheersend.

Dat geldt ook voor de vloer van Schippers: de kunstenaar is niet meer Wim T. Schippers, de kunstenaar is een conglomeraat van Museum Boijmans Van Beuningen en Wim T. Schippers. Carol Duncan, een Amerikaanse kunsthistoricus die bekend is geworden om haar combinatie van kunstgeschiedenis met een sociologische kijk op het kunstmuseum als instituut, heeft in haar boek “Civilizing Rituals: Inside Public Art Museums” er op gewezen dat musea tegenwoordig objecten isoleren voor de beschouwende contemplatie van de bezoeker. Ze beschrijft de kenmerkende ervaring die iedere regelmatige museumbezoeker herkent, het moment waarop je een stoppenkast of een haspel met een brandslang bekijkt met dezelfde eerbiedige aandacht waarmee je zojuist zaal na zaal met kunst hebt bekeken.  “In the liminal space of the museum, everything — and sometimes anything — may become art, including fire-extinguishers, thermostats, and humidity gauges, which, when isolated on a wall and looked at through the aesthetizing lens of the museum space, can appear, if only for a mistaken moment, every bit as interesting as some of the intended-as-art works on display, which, in any case, do not always look very different.”

Ik vind Schippers’ z’n pindakaas best te verteren omdat ik er uit mijn geheugen naar believen een audio/video tour bij kan oproepen met een selectie herinnerde flarden uit zijn werk voor radio en televisie: allereerst zijn woordgrappen als Ernie in Sesamstraat, op lange autotochten vaak gedraaid voor de kinderen (“Nee Bert, níemands lievelingscijfer is zes!”) En Jacques Plafond,  en Van Oekel met Donna Summer in Van Oekels Discohoek, en de trouwzaal in het Amsterdamse stadhuis waar ik zelf getrouwd ben. En toch vind ik de vloer van het Museum Boijmans Van Beuningen een moeizaam en matig product, ondanks de begeleidende “making of”- video in de aangrenzende zaal, waarin je ziet hoe de pindakaas met stucborden uit grote emmers wordt geschept en op de vloer gesmeerd. Het museum heeft, heb ik gelezen, van Schippers het concept gekocht, en kan dat concept nu ook in bruikleen geven aan andere musea, bijvoorbeeld. Misschien is de tijd er rijp voor dat museumdirecteuren, net als andere directeuren, op zulke momenten zeggen dat ze het patent gekocht hebben, of het design. Als dan ook de communicatie-experts, de voorlichters, de marketeers, de beleidsmedewerkers en de andere witte-boorden-werkers uit de creatieve industrie hun plannetjes en opzetjes weer gewoon plannetjes en opzetjes noemen, dan is het concept weer voor de filosofen met hun gedisciplineerde Arbeit am Begriff, filosofen die uitleggen dat alle begrippen een eigen specifieke geschiedenis hebben en alleen bestaan in een spanningsverhouding met andere begrippen. Of voor de essayisten, soms smeuïg, maar nog liever aan alle kanten stekelig, als een egel.

De vlotte ontwikkeling die conceptuele kunst soms binnen de museummuren kan doormaken, van ´Lectures and Writings´ naar flipbook. 'Silence' van John Cage, en 'Silencio' van Francis Alys.

Written by sytzesteenstra

30 mei 2011 at 12:41

Geplaatst in kunst, sociologie

Erudiete soap: ‘Stil de tijd’ van Joke Hermsen

with 2 comments

Afgelopen woensdag ( 18 mei 2011) stond in de krant dat aan Joke Hermsen voor haar bundel Stil de tijd de Jan Hanlo Essayprijs is uitgereikt. Bij verschijnen was de recensente van het NRC al buitengewoon lovend. “Met […] eruditie en fijnzinnigheid weet Hermsen een opmerkelijk concreet boek te schrijven over ongrijpbare sensaties. Dat maakt dit boek geslaagd en inspirerend, een aansporing om zaken als […] intuïtie en ontvankelijkheid te koesteren”, zoals achterop het boek is afgedrukt. Het exemplaar dat ik een paar weken geleden kocht, maakt deel uit van de zeventiende druk. “Stil de tijd. Pleidooi voor een langzame toekomst” is langzaamaan een doorslaand succes. Maar wat een raar, banaal en ergerlijk boek!

“Stil de tijd” is bedoeld als een toegankelijk boek over de ervaring van  “innerlijke tijd”, het besef van tijdsduur, het ongrijpbare gevoel van het verstrijken van de tijd. Hermsen beschrijft dit gevoel onvermoeibaar, aan de hand van eigen vakantiebelevenissen in Frankrijk, Italië en Griekenland, aan de hand van opstellen over filosofen die zich met deze tijdsbeleving hebben beziggehouden (voorop staat Henri Bergson) en aan de hand van een reeks schrijvers en kunstenaars. Tijd is bij Hermsen een universeel medium, alles speelt zich immers af in de tijd, maar volgens haar is tijd niet adequaat kenbaar op de manier die we allemaal gebruiken, met behulp van de klok, en evenmin volgens de inzichten van de natuurwetenschap en geschiedenis: alleen de ongrijpbare persoonlijke intuïtie van de tijd is wáár. Dat uitgangspunt resulteert in een soort gezichtsbedrog. Al lezend kon ik een tijd lang niet uitmaken of Hermsen nu oppervlakkig gelezen wil worden, of dat ze als filosoof ook serieus genomen wil worden in haar stellige uitspraken. Het oppervlakkige lezen lokt voortdurend, Hermsen is niet zuinig met haar oproepen om aan de intuïtieve emotie de voorrang te geven boven al het andere. “Stil de tijd” is één lange lofzang op de intuïtie, waarbij het weinig of niet uitmaakt of die intuïtie nu filosofisch of literair, muzikaal of beeldend vorm krijgt, of zelfs vormeloos blijft: Hermsen is even enthousiast over de verveling als over het werk van Virginia Woolf of Mark Rothko. “Stil de tijd” laat zich heel goed consumeren als een soort ‘light essays’ (zoals in ‘light verse’ of ‘cola light’): een met verve geschreven betoog om bij tijd en wijle te durven lanterfanten, de klok even stil te zetten, eens lekker te gaan luieren op het platteland. Een gebundelde serie artikelen voor het lifestyle katern van de weekeindkrant, zeg maar; een erudiete accessoire die past bij trends als ‘slow food’, ‘quality time’ voor de kinderen en de relatie, ruimte maken in de agenda voor tijd voor jezelf.

Maar aan de andere kant laat Hermsen voortdurend blijken dat het haar menens is, dat “Stil de tijd” als filosofie en als maatschappijkritiek wel degelijk serieus genomen moet worden. Dat is lastig, want ze laat zich niets gelegen liggen aan de filosofiegeschiedenis of aan de maatschappijwetenschappen, en ook met de literatuur en de kunsten springt ze losjes om. Bovendien bevat het boek veel opmerkingen die klinkklare onzin zijn, of die getuigen van een pijnlijke oppervlakkigheid. Laat ik maar beginnen met een paar voorbeelden.

In haar opstel over Bergson doet Hermsen ook een poging om Bergsons filosofie van de intuïtief beleefde tijdsduur te vergelijken met Einsteins relativiteitsleer. Daarbij maakt ze de veel voorkomende fout om citaten van fysici plompverloren te gebruiken in haar eigen literair-levensbeschouwelijke straatje, en er dan iets in te lezen wat er echt niet staat. Ze leest over quantumfysica dat in de wereld van de allerkleinste deeltjes “zelfs de tijd en de ruimte gaan dansen” en komt even later met haar conclusie: “Misschien kunnen we dan ook zeggen dat het denken over de tijd dan weer is teruggekeerd naar het moment waarop de eerste Griekse filosofen hun onwetendheid over de tijd uitspraken. De teloorgang van een absolute, onafhankelijke tijd en de introductie van een dynamische, onomkeerbare tijd hebben de natuurwetenschappen in ieder geval dichter bij Bergson gebracht, en zijn concept van tijd als duur postuum nog van wetenschappelijke argumenten voorzien.” (p. 60) Wat Hermsen allemaal onder het tapijt veegt is dat de moderne wetenschap niet speculeert over tijd, zoals de oude Griekse filosofen, maar uiterst precies experimenteert; dat daaruit technologische middelen zijn voortgekomen waarvan de oude Grieken niet konden dromen; dat op menselijke schaal de Newtoniaanse mechanica nog altijd geldig is; en dat ze zelf een paar bladzijden eerder, op p. 52, nog schreef dat tijd als duur volgens Bergson “voornamelijk in ons bewustzijn, in ons innerlijk, en met behulp van onze intuïtie ervaren wordt”. En daar hebben Stephen Hawking, Robbert Dijkgraaf en de andere fysici die zij aanhaalt het niet over, zodat ze Bergson ook niet van “wetenschappelijke argumenten” voorzien.

Even potsierlijk is, dat Hermsen terwijl ze probeert te schrijven over de relativiteitstheorie daar ook tussen neus en lippen door nog even een serie beeldend kunstenaars bij betrekt. Dat gaat bijvoorbeeld zo: “Ook de Nederlandse tekenaar Escher heeft zich in zijn tekeningen over de gevolgen van de relativiteitstheorie gebogen; de bekendste is de zogenaamde Möbius-band uit 1963. Hier heeft Escher een in elkaar gedraaid stuk rails getekend, waarlangs gigantische mieren lopen en waarvan beide zijden voortdurend in elkaar overlopen. Zoals bij veel werk van Escher raken je hersens ontspoord als je er te lang naar kijkt. Wanneer je blik de mieren volgt, die als het ware de rails van de tijd bewandelen en als vanzelf op de rails van de ruimte terechtkomen, kun je je als toeschouwer een aardig beeld vormen van Einsteins ruimtetijd.” Huh? Het is lastig waar de kritiek moet beginnen als zoveel onzin en vergissingen in elkaar overlopen. Escher legde zich toe op tot in detail uitgewerkte prenten waarin een krachtige perspectivistische en realistische werking wordt opgeroepen. Vaak maakt hij van die prenten een puzzel door een beeld te construeren dat realistisch lijkt, maar zo in de werkelijkheid niet kan bestaan. Dat geldt echter niet voor een Möbius-band, die kan iedereen zelf gemakkelijk maken door van een strook papier een ring te plakken, en voor het plakken de ene kant van de strook een halve slag te draaien. De binnenkant van de papieren ring loopt dan door in de buitenkant, en vice versa. Meer is het niet , en met relativiteitstheorie heeft het niets te maken. Eschers tekening is trouwens opgenomen in “Stil de tijd”, zodat iedere lezer zelf kan zien hoe slordig Hermsen te werk gaat: Escher tekende geen “stuk rails” maar een rooster van vierkanten. De tekening bevat niets wat de schaal van het onderwerp aangeeft, zodat er geen enkele reden is om de mieren gigantisch te noemen. Hermsens hele beschrijving raakt werkelijk kant noch wal.

Nu is Escher een klein detail, maar het filosofisch-levensbeschouwelijk-literair betoog is geen haar beter. Hermsen ziet zelf een grote maatschappelijke en politieke relevantie voor haar intuïtieve boek weggelegd. De kapitalistische ideologie, de staccatocultuur, het tempo van de veranderingen, de klimaatcrisis, de economie, het gebruik van antidepressiva en slaapmiddelen, de stand van zaken in Amerika, de anonimisering van het menselijk contact, dat moet allemaal anders en beter volgens de inleiding, “De tijd dringt”. Vandaar ook de ondertitel van het boek: “Pleidooi voor een langzame toekomst”. Maar elk van die grote thema’s vraagt om een zorgvuldige argumentatie, en dat is iets waar Hermsen steeds voor wegduikt, door over te stappen op weer een nieuw citaat, door alweer een filosoof, dichter of romancier aan te halen of door zich er met een suggestieve beeldspraak van af te maken. Daarbij gaat Hermsen geen cliché uit de weg, ze deinst niet terug voor een passage als deze, op bladzij 22:

“Er heerst kortom bepaald geen lentegevoel in de al genoemde toekomstscenario’s: de winter mag nog niet aangebroken zijn, maar dat wij ons in een nieuw herfsttij bevinden, zullen weinigen nog maar ontkennen. Tussen het van kleur verschietend lover straalt ons af en toe een goudomrand blad tegemoet: de verkiezing van Barack Obama als de eerste zwarte president van Amerika is er daar één van. De wereld keek massaal toe toen deze nieuwe loot aan de stamboom van presidenten werd toegevoegd. Zelden werden de hoop en de noodzaak van verandering – ‘yes we can’ – zo innig omarmd als bij de inauguratie van deze president. De vraag is of Obama de tijd gegund wordt zijn belofte van hoop en verandering in te lossen.”

Verwacht van Hermsen geen analyse van het politieke systeem in de VS (lees liever Lawrence Lessig over de institutionele corruptie) of van de economische wetenschap als ideologie (probeer het eens met Naomi Klein): zij weet dat het jaar vier seizoenen telt. Dit is ongeveer haar literair niveau, vrees ik. Weliswaar doordringt ze de lezer voortdurend van de gevaren die op de letterkundige loeren: ze wil “met de taal door de taal heen breken”(p. 90), ze wil haar intuïties “door de barrières van de taal heen laten opklinken”(p. 66), ze wil “een stuk of twaalf essays, die ieder vanuit een andere windrichting het vliedende middelpunt van mijn boek benaderen: de onbenoembare ‘andere tijd’.”(p. 108). Maar helaas voor de lezer is het middelpunt van Hermsens boek allesbehalve vliedend, en de ‘andere tijd’ niet onbenoembaar. Het middelpunt van Hermsens boek is niet intuïtief, geen spontane innerlijke ervaring, het is een bij voorbaat vaststaand dualisme. Als filosoof opereert Hermsen met een systeem waarin innerlijke, intuïtieve ervaring van tijdsduur tegenover uitwendige, maatschappelijke “kloktijd” staat. Aan een wisselwerking tussen beide vormen van tijd doet ze niet, beide staan zo uitwendig tegenover elkaar als  de res extensa en de res cogitans bij Descartes. Het schoolse en zelfs scholastische karakter van dit dualistische stelsel schemert overal door.Kenmerkend is, dat ze wel regelmatig beweert dat intuïties en duurbeleving ongrijpbaar zijn, maar toch onophoudelijk en per definitie vindt dat de intuïtie, zelfs de verveling, gekoesterd verdient te worden. Oerdomme, criminele, machtsbeluste, opportunistische, perverse, groezelige of conventionele intuïties komen in “Stil de tijd” niet voor. En alles wat zweemt naar de tijd nemen is voor Hermsen “innerlijk” en intuïtief, dus hoogstaand. Is er een probleem? Intuïtie is Hermsens oplossing voor alles. Depressie? Hermsens geniet in Italië bij het wakker worden van een “weergaloos blauwe hemel”, en schrijft: “Zo’n hemel lijkt me een beter antidepressivum dan welk medicijn ook.” Economische crisis, een financiële industrie die door dertig jaar neoliberaal beleid grotendeels z’n eigen gang kan gaan, als het ware “offshore” is geplaatst en zich weinig hoeft aan te trekken van democratische controle en belastingwetten? Hermsen heeft wel een suggestie: “Er moet bij de multimiljonairs zelf een mentaliteitsverandering komen.” Wie meende dat andere wetgeving, internationale regels, vertegenwoordiging van werknemers in de ondernemingstop, een grotere rol voor de vakbonden nodig waren, kan dankzij Hermsen opgelucht ademhalen: alleen de intuïtie van de allerrijksten hoeft te veranderen.

Ook stilistisch gaat “Stil de tijd” gebukt onder Hermsens systeem. Omdat de innerlijke tijd nu eenmaal van iedere externe werkelijkheid is losgekoppeld, is ieder beeld en iedere omschrijving, hoe paradoxaal ook, erop van toepassing. Hermsen citeert zelf Simon Vestdijk over Bergson: “Zijn beelden en vergelijkingen zijn beroemd geworden, niet alleen om hun schoonheid, maar om hun doeltreffendheid, onverschillig of zij ter illustratie of verduidelijking dienen, dan wel een gedeelte van de bewijslast op zich nemen, wat bij Bergson nogal eens voorkomt. […] Alleraardigste vergelijkingen.” Dat woord ‘alleraardigst’ viel me op. Het klinkt in mijn oren ironisch: Bergson gebruikt metaforen waar argumentatie nodig zou zijn. Voor Hermsen lijkt iedere beeldspraak goed genoeg om de innerlijke tijd te karakteriseren, ze houdt maar niet om met suggestieve omschrijvingen: “In de luwte van de tijd”, “de tijd duurt hier meer dan hij tikt”, “het geheime verbond met de tijd”, “de tijd waarvoor de tijd nog niet gekomen is”, “de tijd van vrouwen zou cyclisch en niet lineair van aard zijn”, “een aan gene zijde van de wereldse kloktijd gelegen tijdsdimensie”, “een diep geplooide huid, waar de tijd als een ploeg zijn voren doorheen heeft getrokken”, dat is maar een kleine selectie uit de beelden en paradoxen die Hermsen op vrijwel iedere bladzij gebruikt. “Tijd” wordt ingezet als een naar believen metafysisch, theologisch en mythisch op te laden term, een ongrijpbaar paraplubegrip dat geschikt is om van alles en nog wat mee aan te prijzen of af te keuren.

Die vaagheid maakt ook dat Hermsen filosofen en literatoren door elkaar kan gebruiken. Martin Heidegger, Ernst Bloch, Virginia Woolf en Marcel Proust spelen allemaal een prominente rol; Hermsen kan het blijkbaar niet schelen dat een van de vier, Heidegger, zich in 1933 enthousiast achter de nazi’s schaarde, die de andere drie als jood, marxist, homo, “ontaarde kunstenaar” of een combinatie van dat alles verboden en vervolgden. Hermsen schrijft wel dat de dood volgens Heidegger “de uiterste zijnsmogelijkheid” is (p. 50), terwijl voor Proust “het woord “dood” betekenisloos is” (p. 79); Bloch “ziet de tijd niet als een gestaag toehollen op de dood, maar als het naderen van een steeds weer nieuw begin” (p. 153); zo bloemleest ze uit filosofie en literatuur, zonder meer te doen dan aan alles te voelen: “Het mysterie van de dood is kortom te groot om zomaar als ‘niets’ af te kunnen doen. Het is integendeel iets wat onze langdurige aandacht en reflectie verdient. Alleen dan kan de dood volgens Levinas benaderd of tot op zekere hoogte aangevoeld worden.” (p. 191) De dood aanvoelen?

Hermsen geeft zichzelf door haar dualistische keuze, door alles buiten de orde te verklaren wat géén intuïtie is, een vrijbrief voor geleuter als “misschien hebben we allemaal wel last van fantoompijn” (p. 63). Je zou haar willen verplichten om Susan Sontag’s “Ziekte als metafoor” te lezen om zulke dingen af te leren: fantoompijn is een weliswaar mysterieus klinkende, maar heel reële aandoening van het zenuwstelsel; vervang het woord voor de grap eens door minder mysterieus klinkende ziektes (een hersenschudding? een blaasontsteking?) en je begrijpt meteen hoe Hermsen gelezen moet worden. (Virginia Woolf, die behalve een briljant schrijfster ook een fel feministe was, zou wel geweten hebben hoe te reageren op seksistische praatjes als “de tijd van vrouwen zou cyclisch en niet lineair van aard zijn”.)

Uitgevers hebben de gewoonte een bepaald genre toegankelijke lectuur te voorzien van een sticker met de aanduiding “literaire thriller”. Voor boeken als van Hermsen zou een sticker met de aanduiding “erudiete soap” ingevoerd moeten worden.

Bij wijze van toegift, uit het bij mij thuis pas voorgelezen kinderboek “Nils en het geheime genootschap” van Astrid Lindgren:

“Nils keek op zijn horloge.

                ‘O,’ zei hij, ‘het is al half elf. Daarnet was het nog negen uur.’

                Zijn moeder had gezegd dat hij om tien uur thuis moest zijn, dus ze zou wel boos zijn. Hij had al vaker aan haar geprobeerd uit te leggen dat zijn horloge zo nu en dan een uurtje stilstond of een uur oversloeg, maar volgens zijn moeder leek dat maar zo.”

Written by sytzesteenstra

23 mei 2011 at 16:09

Geplaatst in filosofie, kunst, literatuur