Sytze Steenstra Blog

Archive for the ‘muziek’ Category

‘Talking Heads: 77’ – 40 jaar later. Twee voorstellingen in Amsterdam met Jaap Boots en Sytze Steenstra. Zondag 3 december en vrijdag 15 december

leave a comment »

Veertig jaar geleden kwam de eerste langspeelplaat van de Talking Heads uit, en het leek Jaap Boots en mijzelf een prima idee om ter gelegenheid van dat jubileum een middag/avond te organiseren, Jaap zingt Nederlandse vertalingen van een aantal Talking Heads songs, solo of met band. De band heet natuurlijk Pratende Hoofden. Ik zal vertellen over mijn ontmoetingen met David Byrne, over mijn eerste kennismaking met Talking Heads, en over de geschiedenis van dat eerste album, “77″.

Als voorproefje: Jaap zingt zijn vertaling van “Psycho Killer”, van “77”:

Ik ga het uiteraard hebben over het boek dat ik over Byrne en Talking Heads heb geschreven, “Song and Circumstance: The work of David Byrne from Talking Heads to the present”. Als ik daarover vertel, krijg ik nog wel eens de vraag of ik Byrne dan ook ontmoet heb. Ja, dat heb ik, meerdere keren; want ik kreeg veel medewerking, van hem zelf en van zijn kantoor. Wat David Byrne van dat boek vond? Onder andere dit:

“It is for me a beautiful and narcistically bizarre experience to re-experience my life through the series of ideas and the flow of connections I have made as they are reported and interpreted by Sytze Steenstra”.

Waren die reeksen ideeën en die flow van connecties al in ’77 te zien en te horen? Ook over die vraag ga ik me buigen.

Data: 

zondagmiddag 3 december om 15:00 uur in Coffee Trails, Johan van Hasseltweg 112, Amsterdam, in de serie muzieklezingen. Akoestisch. 10 euro entree. Wie wil komen moet zich, vanwege de kleine ruimte, van te voren aanmelden via info@musictrails.nl.

vrijdagavond 15 december om 20:00 uur, kleine zaal Q Factory, Atlantisplein 1, Amsterdam, toegang 12,50. Jaap Boots met band Pratende Hoofden en waarschijnlijk met extra gasten.

Nog twee clipjes. Talking Heads in The Kitchen, een centrum voor experimentele kunst en performance, in 1976:

En een fragment uit de televisiedocumentaire “Talking Heads vs. The Television” uit 1984/89, geregisseerd door Geoff Dunlop, met Byrne als adviseur. Eerst een minuut lang Byrne aan het woord over zijn werkwijze, dan een montage van fragmenten die laten horen en zien hoe “Psycho Killer”, de song die lang Byrne’s handelsmerk was, door de jaren heen steeds weer veranderde. Zoek de 77 verschillen.

Voor wie Jaap Boots niet kent: hij was jarenlang dj en presentator bij de VPRO, maakte CDs, een boek, ‘Donderweg: Mijn leven in de fast lane van de popmuziek’, en een gelijknamige theatervoorstelling. Zijn song “John Lee Hooker, stereo” staat voorgoed in de jukebox in mijn hersenpan. Nuttige gebruikslyriek biedt ook Jaaps liedje “Fuck het Nederlandse lied”.

Advertenties

Written by sytzesteenstra

4 november 2017 at 22:34

Verdwijnen in het oude liedje

leave a comment »

Tijdens lange autoritten, als ik het rijden zat begin te raken, vind ik het heerlijk om even te zingen. Na een paar canons (“De uil zat in de olmen”, niets moeilijks, ik moet ook nog op het verkeer letten) ben ik opgefrist en kan ik nog wel een paar uur achter het stuur zitten. Al zingend verdwijn ik een stukje in het liedje : zo lang mijn stem maar aansluit bij de andere stemmen is alles in orde, als de canon maar klopt, iets anders heb ik niet aan mijn hoofd. Verkwikkend is dat.Het zelfde, het opgaan in een oud liedje, gebeurt ook in de vier voorbeelden die ik hier heb verzameld.

Het eerste voorbeeld, vorig jaar in theater De Singel in Antwerpen zelf gehoord en gezien, is De Wooster Group: “Early Shaker Spirituals: A Record Album Interpretation”. (Aan het einde van deze maand staat de zelfde voorstelling in het Centre Pompidou in Parijs.) The Wooster Group interpreteert niets en legt niets uit (en maakt de Shakers zeker niet belachelijk), de voorstelling behelst een heel exacte weergave van een oude grammofoonplaat met opnamen van spirituele gezangen van de Shakers, gezongen door nog levende Shakers.

“The Shakers composed thousands of songs, and also created many dances; both were an important part of the Shaker worship services. In Shaker society, a spiritual “gift” could also be a musical revelation, and they considered it important to record musical inspirations as they occurred.” (Wikipedia)

The Wooster Group doet niet aan naturalistisch theater. De elpee zelf wordt nadrukkelijk getoond, de liner notes voorgelezen. Maar de precisie waarmee de songs worden nagezongen is opmerkelijk. De plaat zelf wordt ook afgespeeld, hoewel de actrices zingen. En als de acteur die de grammofoon bedient de naald wat te ver naar voren in de groef laat zakken (dit is ongetwijfeld zorgvuldig gerepeteerd), zingen de zangeressen even een paar maten van het bijna afgelopen lied, pauzeren dan zolang de uit- en aanloopgroef duurt, en zingen daarna het volgende lied. Zulke precisie is zelf een vorm van inspiratie, wat weer de vraag oproept wat eigenlijk de verhouding is tussen dans en zang en openbaring.

(Er is meer te zien op de website van The Wooster Group, bijvoorbeeld via http://thewoostergroup.org/blog/2014/05/29/early-shaker-spirituals-b-roll-2/.)

Het tweede voorbeeld komt van Richard Thompson: duizend jaar populaire liedjes. Voor het eerst hoor ik in één concert bij elkaar: een madrigaal en een liedje van The Kinks. In het interview dat de documentaire van zijn concert begeleidt, merkt Thompsons tussen neus en lippen door op dat de liedjes die hij bij elkaar heeft gezocht eigenlijk door een band van pakweg tweehonderd mensen had moeten worden gezongen, maar dat het merendeel al door scheurbuik en dergelijke is weggerukt. Ik las dat Thompson zich lang geleden, rond 1970, tot het Sufisme heeft bekeerd; ik denk dat de onderliggende vraag van zijn concert de zelfde mystieke vraag is als die van ‘Early Shaker Spirituals’: hoe individueel is een individu precies? (Ik las ook dat meestergitarist Thompson ooit voorzichtig benaderd is door The Eagles. Talloze keren ‘Hotel California’ spelen,  zou dat misschien het tegendeel zijn van een muzikale openbaring?)

 

Het derde voorbeeld is is een geweldig essay over de geschiedenis een oude Amerikaanse song: “Ain’t No More Cane on the Brazos”, of kortweg “Ain’t No More Cane”. Het lied werd in 1933 voor het eerst vastgelegd, maar het is ongetwijfeld ouder. Het essay heet voluit  “Ground Down to Molasses. The Making of an American Folk Song” en werd twee jaar geleden (July 2, 2014) gepubliceerd in de Boston Review. Het is geschreven door Dave Byrne (niet David Byrne); zie http://bostonreview.net/arts-culture/dave-byrne-ground-down-to-molasses-american-folk. (Ik geef de details zou uitgebreid omdat de link niet altijd werkt. Voer eventueel “Dave Byrne” in in het zoekvak op de homepage van de Boston Review; het essay is fenomenaal.) Het essay verknoopt allerlei covers van “Ain’t No More Cane” (met tien links naar verschillende versies om te beluisteren) met de geschiedenis van de suiker, de Amerikaanse slavernij en gevangenissen, de geschiedenis van folkloristische geluidsopnamen en die van de popmuziek. Briljant. Ik kopieer hier twee links uit Dave Byrne’s essay, maar hij geeft er veel meer, en het geheel is meer dan de som der delen.

Om het af te ronden, om de cirkel rond te maken: in een losse (ik weet het niet precies) samenwerking met The Wooster Group is acteur Eric Berryman bezig met weer een andere ‘record album interpretation’, work songs en spirituals van de grammofoonplaat “Negro Folklore from Texas State Prisons” uit 1965. Zie http://thewoostergroup.org/blog/2016/06/30/the-b-side-rehearsal-part-2/.

Als iemand, als is het maar voor een klein deel, verdwijnt in een oud liedje, is het verleden dan nog niet verdwenen, niet helemaal?

 

 

 

 

Acht uur William Kentridge: Norton lectures 2012

with one comment

Het mooiste kunstwerk dat ik vorig jaar zag (ik was ook op de Documenta en de Manifesta, niets ten nadele van die twee) was “Black Box” van William Kentridge in het Joods Historisch Museum. “Black Box” is een mechanisch theater waarin een animatiefilm met muziek wordt geprojecteerd. Het theatertje is maar ruim twee meter hoog, twee meter breed en anderhalve meter diep, en de voorstelling duurt minder dan twintig minuten, maar als kunstwerk is het overvol, aandoenlijk en huiveringwekkend tegelijk. Het onderwerp van “Black Box”  is de Duitse kolonisatie van Zuid-West Afrika en de ambtelijk-politieke beslissing dat de bewoners van die kontreien, Herero en Nama (toen Hottentotten genoemd) géén Duitse onderdanen waren – en dus van hun land mochten worden gejaagd en, na het verzet dat daar onvermijdelijk op volgde, mochten worden gedeporteerd, gedood, in concentratiekampen opgesloten, ingezet als dwangarbeiders. Volgens de Verenigde Naties was dit de eerste genocide van de twintigste eeuw. “Black Box” is geschiedenisles, opera en filosofie tegelijk. En vooral, uiteraard, een kunstwerk.

Geschiedenisles: zie Wikipedia: “Namibische genocide” (1904). In het lemma staat ook dit zinnetje over vader en zoon Göring, een zin die deze genocide bijna terloops relateert aan de holocaust: “Vanuit de kustplaatsen […] trokken de eerste kolonisten het binnenland in en werd in Otjingbingwe  een koloniaal administratiekantoor door een handvol functionarissen bemand onder leiding van rijkscommissaris Dr. Heinrich Ernst Göring (de vader van Hermann).”

Opera: op het geluidsspoor bij “Black Box” staat de aria In diesen heil’gen Hallen uit Die Zauberflöte, gecombineerd met opnames van zang uit Namibië en met voor Kentridge gecomponeerde muziek van Philip Miller. De tekst van de aria wordt dubbelzinnig tegen de achtergrond van de geschiedenis:

In diesen heil’gen Mauern,
Wo Mensch den Menschen liebt,
Kann kein Verräter lauern,
Weil man dem Feind vergibt.
Wen solche Lehren nicht erfreun,
Verdienet nicht ein Mensch zu sein.

Kentridge regisseerde in 2005, het jaar waarin hij “Black Box” maakte, ook een complete “Zauberflöte”. Hij plaatste de opera in een kolonialistische setting om te laten zien hoe Verlichtingsdenken dat in Mozarts opera wordt gecelebreerd, dus de redelijkheid zelve, gecombineerd was met macht, onbegrensde macht.

Filosofie: het historische thema in combinatie met Kentridge’s beelden, mechanische meetinstrumenten en anthropometrische diagrammen tegen de achtergrond van een vloed van kranten, verordeningen, en decreten deed mij onweerstaanbaar denken aan de discoursanalyse en de archeologie van de macht van Michel Foucault. En de pop in de vorm van een lampje die “Trauerarbeit” heet, zou kunnen verwijzen naar het lampje waarmee animatiestudio Pixar z’n films begint, maar nog beter naar Adorno’s Dialectiek van de Verlichting.

Natuurlijk staan er registraties van “Black Box” op YouTube, maar dat zijn niet meer schimmen van het theatertje zelf. Op video is het samenspel tussen de poppen, de coulissen en de tekeningen niet goed te zien. Toch geeft zo’n filmpje een indruk, dus ik plak er hier een:

Waarom schrijf ik dit? Hoe vol geschiedenis, wreedheid en rouw “Black Box” ook is, ik zag er ook nog ruimte in voor de verbazing en het plezier dat uit houtskooltekeningen en poppen zo veel verhalen kunnen opduiken. Klopt dat? Hoe doet Kentridge dat, wat denkt hij er zelf over? Ik ontdekte vanochtend dat Kentridge in 2012 de zeer prestigieuze Norton Lectures heeft verzorgd, als hoogleraar poëzie (in de ruimste betekenis van het woord: kunst) aan Harvard; en die zes lezingen, plus een “Q & A”, zijn op internet te bekijken. Ik heb ze nog niet gezien, maar ben van plan er de komende week of weken regelmatig ’s avonds een te gaan zien.

Hier is de link: http://mahindrahumanities.fas.harvard.edu/content/norton-lectures.

Written by sytzesteenstra

10 mei 2013 at 17:21

What Is This Dancing? Liz LeCompte en The Wooster Group (2)

with one comment

Hoe kwam ik erbij, terwijl ik vijfentwintig jaar geleden keek naar “L.S.D. (…Just the High Points…)” van The Wooster Group, dat in de theatervoorstelling die ik zag op een of andere manier ook een belangrijk filosofisch essay zat? En waarom heb ik zo lang aan dat idee vastgehouden? De verklaring is niet zo moeilijk. Ik schreef, las en piekerde in die tijd aan mijn doctoraalscriptie, over “De taalfilosofie van Walter Benjamin en Theodor W. Adorno”, wat inhield dat ik voortdurend wel ergens in mijn gedachten, op de voorgrond of op de achtergrond, bezig was met filosofische essays over kunst. Ik was verslingerd aan de overtuiging dat dat mogelijk is, proberen te begrijpen wat  de reikwijdte is van taal en mimesis tegelijk, hoe die twee samen het speelveld van verbeelding en denken vormen. Filosofie, denk ik nog steeds, is het proberen te begrijpen – en daardoor ook verbeteren – van dit speelveld. En dat was precies wat ik The Wooster Group zag doen.

Taal is bij Benjamin en Adorno geen werktuig dat de mens naar believen kan inzetten. Het is eerder andersom. Wij maken deel uit van gedachtengangen, symbolen en denkbeelden die de taal gereed houdt; de vorm van onze gedachten wordt ons aangeleverd door de taal die wij spreken. Walter Benjamin heeft zijn filosofie, de overtuiging dat wij in de taal zijn, eerder dan dat de taal in ons is, op twee manieren benaderd: vanuit taal en vanuit mimesis, het vermogen tot nabootsing, de drang tot imiteren en kopiëren. In “Über Sprache überhaupt und über die Sprache des Menschen” stelt Benjamin dat alles in de wereld deel uitmaakt van de taal, en dat de taal van de mens daar maar een onderdeel van is. In “Über das mimetische Vermögen” doet Benjamin een poging om te beschrijven hoe een deel van die taal van de wereld in de taal van de mens wordt opgenomen. Dat gebeurt spelenderwijs, schrijft hij. Kinderen spelen even gemakkelijk dat ze een tafel zijn, of een windmolen, of een locomotief, als dat ze spelen voor piraat of kok. Zo neemt iedere generatie spelenderwijs nieuwe impulsen op, en neemt een deel van de taal van de wereld op in de eigen taal.

Eergisteravond kwamen vrienden bij ons eten. Terwijl de volwassenen beneden nog aan tafel zaten, speelden de kinderen boven. Aan tafel ging het gesprek erover dat je je televisie-kijkgeld zou kunnen opzeggen. De rotzooi hoef je niet te zien, de krenten uit de pap kun je via internet bekijken. Ik hoorde later dat de drie meisjes het luik naar de zolder hadden opengedaan zodat ze daar door het luik konden vissen. Ze waren poezen, en om beurten moest een van de drie de zoldertrap af om nieuw aas neer te leggen. Twee mimetische vermogens, zou je kunnen zeggen. Noch Benjamin, noch Adorno is eenvoudig samen te vatten. Hun werk bestaat voor een belangrijk deel uit commentaren en kritieken bij andere filosofen en kunstenaars, commentaren die in detail inzichtelijk maken hoe denksystemen en artistieke opvattingen zich verhouden tot die werkelijkheid van taal en mimesis, zodat je een filosofische terminologie leert proeven en ruiken, en een artistiek oeuvre leert begrijpen als equivalent aan een filosofische positiebepaling.  Aan de andere kant zou het gegeven dat we taal tegenwoordig als vanzelfsprekend opvatten als communicatietechnologie, en dat het gesprek van de dag wordt beheerst door de vraag of je wel of niet twittert, op facebook bent, autoriteit toekent aan wikipedia, enz. enz. enz., het wel eens gemakkelijker dan ooit kunnen maken om in te zien hoe taal, symboliek, mimesis en technologie verstrengeld zijn, en samen bepalen hoe wij de werkelijkheid ervaren.

Het ligt eigenlijk voor de hand dat zowel Benjamin als Adorno verslingerd waren aan theater. Benjamin vooral aan literatuur en theater, Adorno vooral aan muziek en theater. In het tijdperk van YouTube kan ik hun werk introduceren aan de hand van vier clips.

Omdat het me dit keer uiteindelijk niet gaat om Adorno en Benjamin, maar om Liz LeCompte, laat ik mijn You Tube-inleiding in de wisselwerking tussen kunst en filosofie voorafgaan door twee andere YouTube-fragmenten, van theatervoorstellingen die ik zag voordat ik tegen The Wooster Group opliep.

Toen ik nog bij mijn ouders in Amersfoort woonde, heb ik daar in Theater De Flint, onderdeel van een multifunctioneel Cultureel Centrum (proef die term! Nederland, eind jaren zeventig!) de voorstelling Zie De Mannen Vallen van Hauser Orkater gezien. En ik was flink onder de indruk van het mengsel van popmuziek, theater en mime. De losse popsongs die uit mijn radio kwamen, waren opeens opgenomen in een groter, grillig, expressionistisch netwerk. Ieder liedje op de radio bleek dus eigenlijk een theatervoorstelling in miniatuur te zijn!

Hauser Orkater op YouTube: Zie De Mannen Vallen:

Toen ik een paar jaar later, in 1984 in West-Berlijn studeerde, heb ik in een theaterfestival in het ICC, het Internationale Congrescentrum dat als een megalomaan Raumschiff Enterprise ergens tussen de Autobahnen was gebouwd, het Duitse gedeelte van Robert Wilson’s al even megalomane en ongehoord prachtige theater-opera The CIVIL warS gezien, met teksten van über-Brechtiaan Heiner Müller. Wilson deed een gooi om de geschiedenis van de mensheid te verbeelden in een “allesomvattend’ geheel van vijf opera’s, waarin de geschiedenis als een voortdurende burgeroorlog tussen verschillende historische mythen wordt getoond – met de bedoeling om de vijf opera’s tijdens de Olympische Spelen van 1984 in Los Angeles tot een geheel aaneen te smeden. Voor het Duitse deel waren kosten noch moeite gespaard om Wilson’s visioenen te verwezenlijken; scènes uit de Amerikaanse burgeroorlog vloeiden over in postapokalyptische ruimtevaarttijdperk-visioenen en vermengden zich met de ongewoon wrede en afstandelijke opvoeding van de Pruisische kroonprins Frederik de Grote. Het was een hypnotisch schouwspel, waarbij ik afwisselend  van grote afstand toekeek – mijn stoel was ongewoon ver van het enorme podium verwijderd – en werd opgezogen door de voorstelling. Ik denk niet dat ik eerder had gezien dat een kunstenaar zo absoluut en compromisloos te werk ging, eiste dat de halve wereld, bij wijze van spreken, meewerkte om hem zijn visie op de geschiedenis te laten verwerkelijken. Wat Wilson in dit geval uiteindelijk niet lukte, zoals deze filmclip over zijn werk aan The CIVIL warS laat zien.

Deze twee voorstellingen verruimden mijn opvatting van wat toneel kan zijn, zo goed als Adorno en Benjamin mijn opvatting van wat filosofie kan ambiëren drastisch hebben bijgesteld. Om hen te introduceren begin ik bij Adorno, de jongste van de twee, omdat hij nog leefde in het televisietijdperk en daardoor zelf op YouTube te vinden is. In dit korte fragment uit een praatprogramma heeft Adorno het over Samuel Beckett, over Beckett’s techniek om de protagonisten van zijn toneelstukken tot het uiterste te reduceren.  Adorno, in wiens essays de twee wereldoorlogen en alles wat daarin is aangericht vrijwel altijd meeresoneren, betrekt dit op de positie van menselijke subjecten in het algemeen: “dat heeft de wereld van ons gemaakt, om met Karl Kraus te spreken…”; en zo, meer docerend dan pratend (een praatprogramma was toen nog geen talkshow), presenteert hij niet alleen een pessimistisch-kritische kijk op de geschiedenis maar betrekt hij ook het werk van twee theatermakers op elkaar (Karl Kraus noem ik, voor wie nog nooit van hem gehoord heeft, maar even de Weense stand-up comedian van het interbellum. Ten onrechte: hij zat en las voor en zong en schreef.) Kijk even naar een clipje van Adorno, over Beckett en het misvormde, tot een stomp van zichzelf gereduceerde subject:

Adorno was componist, zijn moeder was operazangeres, hij leefde in muziek, als pianist en componist, maar ook als criticus en theoreticus, en bij alles wat hij schreef als filosoof is het goed in het hoofd te houden dat er conceptuele contrapunten, harmonieën en dissonanten meeklinken. Adorno trok als jongeman uit bewondering voor het werk van Alban Berg naar Wenen om daar bij Berg verdere compositielessen te nemen. Dit deed hij nadat hij Berg’s opera “Wozzeck” had gehoord. Die opera kan ook heel goed dienen als inleiding tot het filosofische en theoretische werk van Adorno. (Zie voor lezingen en composities van Adorno ook UbuWeb). Alban Berg: Wozzeck – Akte 1 – Scène  1.

Walter Benjamin is bij mijn weten nooit gefilmd: zijn roem was postuum. Als stand-in voor Benjamin kan misschien John Berger dienen. Berger is als essayist sentimenteler dan Benjamin, en filosofisch minder onderlegd; maar ik bedoel Berger in zijn hoedanigheid van samensteller en presentator van de televisieserie “Ways of Seeing”, die hij beseerde op Benjamins bekendste essay, “Het kunstwerk in het tijdperk van zijn technische reproduceerbaarheid”.

Benjamin was literatuurhistoricus en filosoof, en in beide hoedanigheden  werd hij gefascineerd door de mogelijkheden van het theater. Zijn laatste (hopeloos mislukte) liefde gold Asja Lacis, regisseuse van revolutionair kindertheater. Benjamin peilde in “Ursprung des deutschen Trauerspiels” de filosofische diepgang van de Duitse zeventiende-eeuwse dichters van baroktragedies (de zwakkere broeders van Shakespeare en Vondel), waarin hij ook een tegenhanger beoogde te schrijven voor Nietzsche’s “Die Geburt der Tragödie”, dat functioneerde als een manifest voor het zwelgen in Wagneriaans-nationale romantiek, een opvatting waar Benjamin een zo ontnuchterend mogelijke kijk op de geschiedenis en op het theater tegenover wilde plaatsen. Dit programma had veel overeenkomsten met dat van Bertolt Brecht en zijn songs en theater van desillusie en ‘Verfremdung’, zodat Benjamin en Brecht ondanks hun aanzienlijke verschillen in persoonlijkheid en politiek bevriend raakten. Brecht’s “Lied von der Unzulänglichkeit menschlichen Strebens” illustreert dit aspect van Benjamins denken heel goed.

Deze zes clips kunnen heel goed dienen om uit te leggen waarom ik een theatervoorstelling ook als een essay heb opgevat. Kan een mens zes clips tegelijk in het hoofd houden? Samen vormen ze voor mij een soort probleemstelling, een kader voor dat essay over LeCompte’s werk.

Written by sytzesteenstra

13 mei 2012 at 13:33

Drie voorbeelden van recalcitrant plezier (ten koste van doelgroepcommunicatie)

with one comment

Bestaat er iets ergers, iets akeligers, dan communicatie? Contact, maar dan via een serie routineuze bewerkingen veranderd in een mistwolk van projecties die steeds groter en ondoorzichtiger wordt?

“Enerzijds is het logisch dat een communicatieve uiting gericht is op een gevoel van identificatie bij de doelgroep.”

Dat is de beginzin van een reactie die onlangs iemand op dit blog plaatste (bij ‘reclame voor ziekte’). Ik ben altijd licht geschokt en een ietsiepietsie geïntimideerd als iemand zulke formules uit zijn hoofd blijkt te kennen. De richting op een gevoel van identificatie is logisch! Er bestaan dus mensen voor wie de mysteries van communicatie gesneden koek zijn. Communicatie-experts, communicatie-adviseurs, communicatiestrategen die de communicatiemix optimaliseren en het resultaat doorgeven aan de communicatie-marketingmanager. (Communicatiejargon is een bibelebontse pap.)

“Enerzijds is het logisch dat een communicatieve uiting gericht is op een gevoel van identificatie bij de doelgroep.” Er is geen woord in deze toverspreuk dat niet een ergerlijk bedrog in zich bergt.

communicatieve uiting” – dat is iets anders dan een parapluterm waaronder algemeen menselijke bezigheden als praten, aanraken, zingen en dansen, een tekening maken, schrijven, voor mijn part ook een foto nemen enzovoorts schuilgaan. Een communicatieve uiting is een boodschap die niemand persoonlijk voor zijn of haar rekening neemt, een product, en meestal een product waaraan de verantwoordelijkheid van de opdrachtgever en de omstandigheden waaronder het tot stand is gekomen niet duidelijk en compleet zijn af te lezen. “Communicatieve uitingen” vormen een groot deel, allicht de meerderheid, van alles wat we lezen, van alle afbeeldingen die we zien, van alle muziek die we horen. Communicatieve uitingen maken er aanspraak op deel uit te maken van menselijk contact, communicatie als een soort natuurlijk proces, zo rechtstreeks als de communicerende vaten uit de natuurkundeles, zo onvermijdelijk als de mysterieuze communicatie die een werkelijke gemeenschap vooronderstelt, zoals de heilige communie in het katholicisme of zoals het communisme in de utopische opvatting van de geschiedenis, of, voor wie moeite heeft met het geloof in deze twee, in een kunstwerk op het moment dat het iemand werkelijk aanspreekt. Maar de vuistregel is dat communicatieve uitingen meer verdonkeremanen dan ze blootleggen. Zoals het CDA geheimhoudt wie die 100.000 euro voor de verkiezingscampagne heeft geschonken. Zoals geen enkele verpakking in de supermarkt een indruk geeft van de werkelijkheid van de massale fabricage van al die producten (zie de documentaire “Our Daily Bread” (2005) van regisseur Geyrhalter, of het televisieprogramma “Keuringsdienst van Waarde”). Zoals geen enkel format van de commerciële televisie erop gericht is de veelzijdigheid en tegenstrijdigheden van de werkelijkheid over het voetlicht te brengen.

“logisch” –wie er vanuit gaat dat “een communicatieve uiting” plaatsvindt als een een zender een boodschap stuurt naar een ontvanger kan het vanzelfsprekend vinden dat de zender mag beslissen hoe de boodschap er uit ziet. Logisch, toch? Die betaalt er toch voor? Maar het is zeker zo logisch er van uit te gaan dat een boodschap ergens over gaat en dat dat onderwerp tot zijn recht moet komen. Logisch, toch? Daar gaat het toch over?

“enerzijds” – betekent altijd dat de keerzijde al ongeduldig staat te trappelen. Enerzijds, anderzijds, zender, ontvanger, opdrachtgever, doelgroep. Er zijn altijd twee kanten, eenieder moet zijn plaats kennen. Maar wie ontvanger was kan zender worden, communicatie kan in twee richtingen tegelijk verlopen; “tertium datur”: de hele logica die hier wordt geponeerd is te beperkend om waar te zijn.

“doelgroep” – iedere Nederlander is dagelijks meermalen onderdeel van een aantal wisselende doelgroepen, denk ik zo.  Daar kies je zelf niet voor, dat wordt voor je bepaald. Er bestaat geen register van doelgroepen waarbij je je kunt uitschrijven, zoals je kunt aangeven dat je niet telefonisch lastiggevallen wilt worden door marketeers en zoals je SPAM kunt laten wegfilteren. Als doelgroep ben je het machteloze mikpunt van communicatieve uitingen, wen er maar aan, het duurt per keer vaak maar heel even.

“gericht op een gevoel van identificatie” – in het vervolg van deze reactie op mijn blog gaat het ook nog over “gewenst zelfbeeld” en “werkelijk zelfbeeld”. Maar het gaat er natuurlijk om dat de doelgroep om te beginnen is geïdentificeerd – door de communicatie-experts, die handelen naar de wensen van de betalende opdrachtgever. De doelgroep is een projectie – door die experts, het zelfbeeld van de doelgroep is opnieuw een projectie. Mensen kunnen zich identificeren met alle mogelijke en onmogelijke entiteiten (Walter Benjamin verbande om die reden het begrip “identiteit” uit zijn werk.) Het “gevoel van identificatie” gaat gemakkelijk ten koste van de waarheid van het onderwerp, en uiteindelijk ook ten koste van de doelgroep.

Wat kun je beginnen tegen het gegeven dat communicatie praktisch een synoniem is geworden voor min of meer subtiele manipulatie? Mijn antwoord voor vandaag is: plezier hebben in het werk van mensen die de veel te gladde en gemakkelijke “identificatie” als doel en grondslag van communicatieve uitingen ondergraven. Drie casestudies.

1)            Jelly Roll Morton: “I Hate A Man Like You”. Een opname die is gemaakt door “muziekjager” Alan Lomax in 1938. Ik ken hem van een dubbel-CD, “Alan Lomax: Blues Songbook”, en iedere keer dat ik dit hoor spits ik mijn oren en ga ik rechtop zitten. Omdat “Jelly Roll” (!) Morton in zijn (zelfgeschreven) lied als man het standpunt inneemt van een vrouw die in een verkeerd en ongelukkig huwelijk is verzeild? Vanwege de vertraging aan het begin, vanwege het moment dat Morton van zingen overgaat in declameren, vanwege de hartstocht gemengd met resignatie in zijn stem, de niet weg te cijferen mogelijkheid dat hij zelf wel eens zo door een vrouw verwenst is en zich daar heel goed van bewust is? Je ne sais quoi. Hetzelfde liedje is ook gezongen door Lizzie Miles, met Jelly Roll Morton als pianist (te vinden op YouTube), maar die versie doet me veel minder.

http://www.archive.org/details/JellyRollMorton-IHateAManLikeYou.

2)            Richard Thompson: “Oops, I Did It Again”. Een hit van Britney Spears, een van die popsterren bij wie communicatieve uiting, commercie, persoonlijkheid en levensloop één hopeloze onontwarbare kluwen vormen: haar sexy poses, haar geadverteerde maagdelijkheid, haar huwelijken, haar problemen, afkickklinieken en hits zijn nauwelijks uit elkaar te houden. Kijk zo nodig eerst even op YouTube hoe Spears het liedje danst, zingt en hijgt, en dan naar Thompsons versie, in zijn sobere nuchterheid een rake parodie op de muziekindustrie (sector gevoels- en identificatie-industrie).

http://www.youtube.com/watch?v=rAS4ltt7DzI.

3)            Ron Vawter: “I came to say goodbye”. Een video van The Wooster Group uit 1993 waarin Vawter (1948-1994) afscheid neemt: in zijn rol als Vershinin in deze bewerkte versie van Tsjechovs “Drie Zusters”, en als acteur die glycerine in zijn ogen doet om te kunnen huilen. En bovendien als zichzelf, als acteur die AIDS heeft, ernstig ziek is en niet weet hoe lang hij nog zal kunnen werken, die afscheid neemt van de wereld, van het leven. En als lid en mede-oprichter van The Wooster Group die er een eer in stelt communicatieve uitingen tegen zichzelf te keren (vergeef me deze versimpeling). Moeilijk om naar te kijken, maar vanwege de trots en de onverzettelijkheid die er uit spreken toch ook wel degelijk een recalcitrant plezier.

http://thewoostergroup.org/blog/2011/04/30/from-the-archives-ron-vawter-i-came-to-say-goodbye-from-fish-story-1994/

Dr. J. Schweers en drs. P. van Vianen: Natuurkunde op corpusculaire grondslag. Deel 1

Written by sytzesteenstra

4 augustus 2011 at 20:00

Philip Tagg: wat kan een musicoloog met televisiegeluid? [Bevat 65% Kojak, 30% Abba, 5% Intel]

with 2 comments

Televisie is een opera zonder begin of einde, een stroom van berichten en voorgeleefde emoties, een zuigmond die zich vastzet op de “central oyster of perceptiveness”. Die formulering is van Virginia Woolf. In een essay over “Street Haunting” beschreef zij de menselijke oester van opmerkzaamheid als “an enormous eye”, een gevoeligheid die al flanerend door de Londense straten met zijn etalages, winkels en mensen wordt blootgelegd nadat de ziel het eigen huis, de schelp die de ziel heeft afgescheiden om zich een vorm te geven die hem van anderen onderscheidt, tijdelijk heeft verlaten. Televisiekijken is flaneren zonder het huis te verlaten, een tocht door winkelcentra, woestijnen, gezinnen, theaters en parlementen, van shampoo naar het huwelijk van Elizabeth II en van het tropisch regenwoud naar slapstick met automatische wapens. Dit gebruik van het privéleven als industrieel medium fascineert me, de verwarring van bijziendheid en verziendheid, en ik heb altijd belangstelling voor gidsen die de onbekende sectoren van dit labyrint verkennen.

Philip Tagg is als musicoloog diep doorgedrongen in de geluidsstroom van de televisie. Hij hoort bij de muziekwetenschappers die zich niet veel aantrekken van de traditionele verwantschap van musicologie aan klassieke muziek en zich meer gelegen laten liggen aan het volgen van de muze door het labyrint dan aan het volgen van de gestandaardiseerde methoden. Andere voorbeelden die ik ken zijn Alan Lomax’ Cantometrics (wie maakt daar eens een televisieversie van?) en natuurlijk zijn ‘field recordings’,  literatuurwetenschapper, socioloog en popkenner Simon Frith, etnomusicoloog/drummer John M. Chernoff, Charles Keil (groovology) – en misschien ook wel Robert Farris Thompson over mambo, Theodor W. Adorno (misschien is de dvd die is gemaakt bij zijn Kompositionen für den Film wel het meest toegankelijke begin voor wie zijn werk niet kent) en David Byrne.

Tagg heeft diepgravend onderzoek gedaan naar de begintune van Kojak. Ja, Kojak, de jaren zeventig- televisieserie met de kale detective met de hoed en de lolly. “Kojak: 50 seconds of Television Music. Toward the Analysis of Affect in Popular Music”: een proefschrift van ruim vierhonderd bladzijden over een orkestdeuntje van vijftig seconden. Tagg’s boek bestaat voor een groot deel uit een nogal positivistisch getinte uiteenzetting van de talloze methodologische problemen die een musicoloog moet overwinnen om televisiegeluid en popmuziek adequaat en diepgaand te analyseren. Hij wijst erop dat de standaard muzieknotatie geen manieren kent om de effectpedalen van Jimi Hendrix te noteren, om de interactie tussen beeld en geluid te analyseren, laat staan dat we zouden weten wat de invloed is op de kijker en luisteraar van het feit dat Kojak in Zweden meestal werd voorafgegaan door nieuws en het weerbericht. (Tagg is een Brit, maar hij woonde en werkte in Zweden toen hij zijn proefschrift schreef.) Te midden van deze verwarring kiest Tagg niet voor een essayistische werkwijze: hij combineert klassieke musicologische technieken, en een grondige kennis van zowel klassiek als pop, met semiotiek en communicatiewetenschap, en probeert daaruit een soort universele ‘musematische analyse’ samen te stellen die van ieder facet van de massamedia zou kunnen meten hoe het de “gemiddelde innerlijke oester” emotioneel beïnvloedt. Daar komt nog bij dat Tagg in detail beschrijft hoe hij, ondanks jarenlange inspanningen, geen contact krijgt met de componist van het Kojak-thema, Billy Goldenberg, en alleen met de grootste moeite de originele score te pakken krijgt (maar niet in zijn geheel mag afdrukken. Tagg’s streven naar èchte volledigheid maakt het de lezer niet gemakkelijk, en dan verluchtigt hij zijn betoog ook nog met een soort marxisme dat ronduit negentiende-eeuws aandoet – vaak irritant door zijn gebrek aan kritiek op het marxisme, vaak ook weldadig door zijn solidariteit. Het proefschrift is in zijn geheel te vinden op internet, maar voor de minder geduldige Kojak-student heeft Tagg een YouTube versie (!) van zijn werk gemaakt: “a film of the book of the music”, zoals hij zelf opmerkt. De filmpjes zijn gemaakt voor Tagg’s eigen onderwijs, er zitten belerende stukken in, maar de hoogtepunten zijn zonder weerga, verbluffend. Waar vind je iemand die laat zien en horen hoe Ike & Tina Turner samengaan met Claude Debussy en met Bernard Herrmann?

Als eerste kennismaking met Tagg is dit korte portret door de BBC ideaal:

Wie wil kennismaken met Tagg’s werk over Kojak kan het beste eerst de title sequence van Kojak bekijken:

(de rest van deze film van Tagg, gewijd aan de beeldanalyse, is minder interessant; schakel naar twee minuten door naar het volgende filmje:

Niet ongeduldig worden bij het zien van de muzieknotatie, het is echt meer dan de moeite waard.

Tagg heeft een hele lijst met YouTube filmpjes, hier te vinden: http://www.tagg.org/ptavmat.htm#YouTube. De uitgebreide analyse van Abba’s “Fernando” is het hoogtepunt, bijna verplicht voor iedereen die de jaren zeventig heeft meegemaakt en dus niet aan de invloed van Abba heeft kunnen ontsnappen. Tagg kijkt naar Fernando zoals een ecologisch bevlogen scheikundige met een specialisatie in cosmetica naar de ingrediënten achterop een fles shampoo kijkt, weet waar de `Sodium Polynaphtalenesulfonate´ en de ´Eucalyptus Globulus Leaf Extract´vandaan komen, hoe ze bewerkt zijn, wat hun effecten zijn en hoe lang het duurt voor ze weer zijn afgebroken. Tagg herkent in ´Fernando´ muzikale gemeenplaatsen en elementen uit de meest diverse tradities, van Händel, Copland en Borodin tot Gheorge Zamfir, Napolitaanse mandolineorkesten, Huyano-fluiten en Simon & Garfunkel. Zijn werk is origineel en bewonderenswaardig – zie ook zijn analyse van een themaatje van vier muzieknoten uit de Intel inside reclame. Het onthutsende van Tagg’s werk is dat hij duidelijk maakt dat, zoals er in de atmosfeer extra CO2 zit, en in vis zware metalen, en in de oceaan ronddrijvend plastic, er ook in de innerlijke oester van opmerkzaamheid de vreemdste sporen zijn aan te treffen.

Het effect daarvan is verbluffend, tegelijk hilarisch en onthutsend.

Written by sytzesteenstra

18 april 2011 at 15:33

John Cage

with one comment

De tentoonstelling ‘The Anarchy of Silence: John Cage and Experimental Art’ in museum Schunck in Heerlen is al lang weer voorbij, al komt er vannacht nog een staartje op Radio 6. De hoogste tijd om hier over Cage te schrijven. Vooraf had ik een voorstel voor een lezing ingezonden naar de Open Call die bij de tentoonstelling hoorde (nog te vinden op de website van Schunck: http://www.parkstadbibliotheken.nl/1501/blog-open-call-pagina-2#SytzeSteenstra ).

Het was een plezier om op de tentoonstelling rond te lopen. Veel over Cage wat voor mij nieuw was, zoals zijn succes bij het zoeken naar publiciteit: als in 1943 besteedde Life magazine twee bladzijden aan Cage; later, eind jaren vijftig, trad hij in televisie spelshows op, wat voor mij een hoogtepunt van de tentoonstellingen opleverde. En verder was er veel te zien wat ik alleen kende uit boeken  (Mary Emma Harris: The Arts at Black Mountain College; Allen Kaprow: Essays on the Blurring of Art and Life) en uit een enkele videoband: Robert Morris’ Site waar op de voorgrond, onopvallend, zijn Box with the Sound of its own Making staat – een kistje dat nu in Schunck op een sokkeltje zijn geluid stond te maken. Een fascinerend en ingewikkeld overzicht van Cage’s werk vanaf 1939 tot en met de jaren ’60, met zijn samenwerking met Marcel Duchamp, zijn werk aan Black Mountain College met Rauschenberg, Cunningham en Buckminster Fuller, zijn compositieklas aan de New School for Social Research met Allen Kaprow en vele anderen, en zijn invloed op Fluxus, van Nam June Paik tot en met Wim T. Schippers.

Het optreden van Cage in de Amerikaanse televisieshow “I’ve Got A Secret” is te zien op youtube of op deze site: http://blog.wfmu.org/freeform/2007/04/john_cage_on_a_.html. Het is interessant en enorm komisch, vind ik, omdat het zo mooi een confrontatie tussen twee kunstwerelden laat zien, die van de televisie en die van Cage z’n experimenten. Beide kanten weten zo te zien heel goed waar ze aan beginnen: de quizmaster kondigt Cage aan met veel omhaal, om zijn publiek duidelijk te maken dat hij heel goed weet dat hij iets raars laat zien, zodat hij zelf daar afstand toe bewaart; aan de andere kant bewijst hij met een krantenknipsel, een recensie over Cage, dat deze componist heus serieus wordt genomen. En Cage weet heel goed dat hij optreedt op televisie, als een rariteit, een kermisattractie, maar hij blijft daar ontspannen en kalm onder, en straalt het vertrouwen uit dat hij alleen maar zijn programma van geluidsactiviteiten hoeft af te werken om succes te hebben. En daar komt nog bij dat blijkbaar de vakbonden van bij de uitzending betrokken technici het niet eens konden worden over hun jurisdictie, zodat Cage geen spelende radio’s kan gebruiken, wat hij simpelweg oplost door de radio’s als percussie-instrumenten te gebruiken door er een klap op te geven en ze later stuk voor stuk van de tafel te duwen.

Ik was bij de drukke opening, en toen ik daar hoorde dat er gebrek was aan rondleiders ben ik later twee keer als rondleider naar de tentoonstelling teruggekeerd. Een bijkomend, maar niet onbelangrijk voordeel van het rondleiden is dat de rondleider aan de kunstwerken mag zitten die bedoeld zijn om aan te zitten. Dat wil zeggen, ik mocht een groepje museumbezoekers aanmoedigen om in de vitrine van Schunck te gooien met de ‘Silver Clouds’ van Andy Warhol, en ik mocht de ‘Schallplatten-Shaslick’ van Nam June Paik en nog een paar andere Fluxus-installaties demonstreren. Aangezien ik een kinderlijk plezier heb in het spelen met kunstwerken die een beetje lawaai maken, (of die een oude televisiebeeldbuis met een sterke magneet op hol brengen), maar je als bezoeker in een museum nu eenmaal met je tengels van de kunst af moet blijven, ging hier een oude wens van mij in vervulling. (Nee, het was niet alleen lol maken, ik heb wel degelijk mijn best gedaan om serieuze rondleidingen te verzorgen, maar het ‘serieuze’ van Fluxus is iets anders dan het serieuze in kantoorlandschappen.)

John Cage blijft ook na deze tentoonstelling een raadsel voor mij. Ik heb grote bewondering voor zijn werk, en tegelijk een flinke onverschilligheid. In 2003, tijdens een Cage-festival, ben ik naar een uitvoering van een van Cage’s grotere composities gegaan, Atlas Eclipticalis uit 1962. Het was een aangename ervaring, luisteren naar muziek die niets uitdrukt en geen enkele samenhang pretendeert, rustgevend en half dagdromend zoals langdurig kijken naar een houtvuur dat kan zijn. Maar ook even vluchtig als de herinnering aan een houtvuur, het tegendeel van onvergetelijk. Het kernidee van Cage, de gedachte dat je alles en nog wat kunt opnemen in een compositie, en dat die compositie geen ‘object’ hoeft op te leveren, geen product dat de aandacht in beslag neemt, maar beter een proces kan zijn dat de aandacht bevrijdt, dat is een idee dat me fascineert, maar vooral als het door andere kunstenaars, performers, theatermakers wordt ingezet. Ik spits mijn oren meer als ik Cage lees, of over hem lees, dan als ik zijn muziek hoor. (Geen toeval dat mijn proefschrift “We Are The Noise Between Stations” onder andere een motto van Cage heeft.)

Mijn lievelings-Cage-citaat van het moment komt uit zijn “Lecture on Nothing”:

“Structure is simple because it can be thought out, figured out, measured. It is a discipline which, accepted, in return accepts whatever, even those rare moments of ecstasy, which, as sugar loaves train horses, train us to make what we make.”

De vergelijking die “The Anarchy of Silence” maakte tussen Cage en Warhol, tussen Warhol’s “Exploding Plastic Inevitable” en zo’n Cage-multimedia spektakel als HPSCHD, samen met het essay van conservator Julia Robinson, “John Cage and Investiture: Unmanning the System”, zette me aan het denken over het voorbehoud dat ik voel bij Cage. Misschien komt mijn reserve er uit voort dat Cage aan de ene kant als componist alles toeliet in zijn proces-composities, terwijl hij tegelijk als radicaal vernieuwend kunstenaar zich bleef opstellen als componist, met het grote gezag van de scheppende muziektraditie achter zich, gezag dat hij ook nadrukkelijk opeiste (kijk bijvoorbeeld naar zijn gedetailleerde en dwingende voorschriften voor het prepareren van een concertvleugel, zodat die als een percussiemachine, een “prepared piano” kan worden gebruikt). Ik voel frictie tussen de opstelling van Cage als componist, en zijn rol van allesomvattend vernieuwer, die uitgaat van gedachten als “I try to make definitions that won’t exclude. I would say simply that theatre is something which engages both the eye and the ear…. The reason I want to make my definition of theatre that simple is so one could view everyday life itself as theatre.” Misschien is die frictie ook onvermijdelijk voor iemand die zo’n prominente overgangspositie in de kunsten heeft ingenomen.

Omdat ik geen conclusie wil trekken, hier nog drie citaten over Cage.

“John Cage was a ubiquitous questioner of all holy platitudes and grandiose pantheons.” Mark Stevens en Annalyn Swan: De Kooning, An American Master.

“Performance Art comes out of the meeting of popular entertainment (especially rock, punk, and new-wave music), happenings (with their sources in visual arts, the music of John Cage, and theories of indeterminacy), theater, and dance.” Richard Schechner: Between Theater and Anthropology.

“I am a Cagian, I relate to John Cage, in the sense that I feel there is a certain larger puzzle, larger synchronicity. And I don’t mean this in a schizophrenic paranoid way. But I mean it in the sense that all of culture, all of our culture is an artifact. Nature is the raw and different thing we have chosen to overlay with a sense of order. We make the order. I’m an existentialist to that degree. And because we’re making the order, there are stories constantly created around us, constant puzzles that are coming at us. And I like to be a conduit to those stories. Using the real names is to keep those larger than my own imagination alive outside of me. This person at a reading in Chicago asked why I changed the names and I told him and gave an example of a name I had changed; the first guy who taught me how to masturbate. And I said I changed it to such-and-so. But I also gave him the original name and he said, “How funny, that happens to be my name as well.” And I said, “You see, you see, you see, exactly. You see how it’s all coming around? You see how things are interconnected in this kind of web. That telling the truth constantly creates new information about that truth and fictionalizing is more an internal private process.” Spalding Gray, uit een interview in Bomb magazine; http://bombsite.com/issues/17/articles/833.

Written by sytzesteenstra

19 februari 2011 at 22:15