Sytze Steenstra Blog

Archive for november 2011

Wichelroede 2.0

leave a comment »

Ik koop een sinterklaascadeautje voor mijn dochter, een waterflesje waarvan de dop ook een drinkbeker is. “Als u naar de site gaat van de fabrikant van dit flesje, het adres dat staat hier ook op het label, dan kunt u een gratis app downloaden, en als u een keer in een andere stad bent, in Amsterdam bijvoorbeeld, dan kunt u op de app zien waar u water kunt vinden om uw flesje mee te vullen, en binnenkort ook in het buitenland, in Londen of Barcelona.”

Advertenties

Written by sytzesteenstra

23 november 2011 at 18:13

Geplaatst in dagboek

Het zwart in de romans van A. S. Byatt (2)

leave a comment »

Harry Potter en “The Children’s Book”

Tijdens het lezen in “Het boek van de kinderen” heb ik geen moment aan de Harry Potter – serie gedacht. Pas toen ik me achteraf in Byatt’s verdere werk ging verdiepen, werd me langzaamaan duidelijk dat er een verband zou kunnen bestaan. Dat zit zo. In 2003 publiceerde Byatt een opiniestuk in de New York Times over de Harry Potter – rage, “Harry Potter and the Childish Adult”. Zoals de titel al aangeeft, liet Byatt zich kritisch uit over het fabelachtige succes dat J. K. Rowling’s boeken ook bij volwassen lezers hadden.

Byatt verklaart in haar krantenstuk het succes van  de Harry Potter – boeken in de eerste plaats met behulp van het Freudiaanse begrip ‘familieroman’: een kind dat de tekortkomingen van de eigen ouders ontdekt, kan hen vervangen door een fictief gezin in een fantasiewereld waarin het zelf de hoofdrol speelt – wat natuurlijk mooi past bij Potter, die zijn dreuzels inruilt voor tovenaars. Byatt vergelijkt de fantasiewereld van Rowling met die van andere auteurs die toverwerelden hebben beschreven (ze noemt  Auden en Tolkien, beide, niet toevallig, ook hoogleraar in de letteren):

“Ms. Rowling’s magic world has no place for the numinous. It is written for people whose imaginative lives are confined to TV cartoons, and the exaggerated (more exciting, not threatening) mirror-worlds of soaps, reality TV and celebrity gossip. […] So, yes, the attraction for children can be explained by the powerful working of the fantasy of escape and empowerment, combined with the fact that the stories are comfortable, funny, just frightening enough. […] These are good books of their kind. But why would grown-up men and women become obsessed by jokey latency fantasies? Comfort, I think, is part of the reason. Childhood reading remains potent for most of us. In a recent BBC survey of the top 100 ”best reads,” more than a quarter were children’s books. We like to regress. I know that part of the reason I read Tolkien when I’m ill is that there is an almost total absence of sexuality in his world, which is restful. But in the case of the great children’s writers of the recent past, there was a compensating seriousness. There was — and is — a real sense of mystery, powerful forces, dangerous creatures in dark forests.  […] Reading writers like these, we feel we are being put back in touch with earlier parts of our culture, when supernatural and inhuman creatures — from whom we thought we learned our sense of good and evil — inhabited a world we did not feel we controlled.” (http://www.nytimes.com/2003/07/07/opinion/harry-potter-and-the-childish-adult.html?pagewanted=4&src=pm)

Hier zijn, denk ik, meer dan een paar fundamenten gelegd voor Byatt’s eigen “Children’s Book”: een kinderboek voor volwassenen, een volwassen roman over de historie van het kinderboek en bovendien over de plaats van sprookjes en fantasieën in de geschiedenis. Byatt heeft geprobeerd een “Harry Potter” of een “In de ban van de ring” te schrijven, zónder de oppervlakkigheden die zij aan Potter ziet; en dat toch het verlangen naar “een echt leesboek “ serieus neemt. “A surprising number of people — including many students of literature — will tell you they haven’t really lived in a book since they were children. Sadly, being taught literature often destroys the life of the books”, schreef Byatt ook nog in “Harry Potter and the Childish Adult”. In de Nederlandse recensies van “Het boek van de kinderen” die ik erop heb nagelezen (NRC, Trouw, Vrij Nederland) vond ik geen enkele verwijzing naar Byatt’s artikel over Potter. Wél in een recensie in de Financial Times – door alweer een docent literatuurwetenschap, Sophie Gee: “Byatt is grappling with a lot of the same problems as Rowling. […] How to manage the problem of death, both as a child and as an adult.” (De recensie is interessant, en ik had meer willen citeren, maar op mijn scherm verscheen een waarschuwing van de Financial Times dat hun copyright het citeren van meer dan dertig woorden zou verbieden. De complete recensie is wel op internet te lezen:  http://www.ft.com/cms/s/2/ea071f98-35dc-11de-a997-00144feabdc0.html#ixzz1dyXwQkz2.)

Er schijnen inmiddels 450 miljoen Harry Potter – boeken verkocht te zijn, een verbluffend getal. Byatt reageert in “The Children’s Book” op twee manieren op Harry Potter. Om te beginnen werkt Byatt de Freudiaanse ‘familieroman’, het thema van het verzonnen gezin, uit in een reeks variaties. Ieder gezin is bij Byatt deels een verzonnen gezin, deels een werkelijkheid waaraan niemand ontsnapt. Haar personage Olive Wellwood schrijft haar kinderboeken deels omdat zij in haar fantasie de onwelkome herinneringen aan het mijnwerkersgezin waarin ze opgroeide, kan gebruiken en verwerken. Olive schrijft ook verhalen voor haar eigen kinderen, voor elk een eigen verhaal in een eigen boek, vol met sprookjesachtige en nachtmerrieachtige elementen. Wat Byatt vooral doet in “The Children’s Book” is keer op keer beschrijven hoe werkelijke gezinnen en ‘familieromans’ onontwarbaar zijn:

“A family, and a human being inside a family, put together a picture of their past in voluntary and involuntary ways, carefully constructed, arbitrarily dictated. A mother remembers one particular summer gathering on the lawn, with iced lemonade in a jug, and everyone is smiling – as she puts in the album the one photograph where everyone is smiling, and keeps the scowling faces of the unsuccessful snapshots hidden in a box. A child remembers one scramble over the Downs, or a zigzag trot through the woods, out of the many, many forgotten ones, and shapes his identity around it… And the memory changes when he is twelve, and fourteen, and twenty, and forty, and eighty, and perhaps never at any of those points represented precisely anything that really happened. Odd things persist for inexplicable reasons. A pair of shoes that never quite fitted. A party dress in which a girl always felt awkward, though the photos are pretty enough. One violent quarrel of many arising from the unjust division of a cake, or the desperately disappointing decision not to go to the seaside. There are things, also, that are memories as essential and structural as bones in toes and fingers. A red leather belt. A dark pantry full of obscene and lovely jars.”

Zelfs de wereldgeschiedenis is volgens Byatt niet los te zien van gezinnen, families en hun fictieve werkelijkheden; ze suggereert zelfs dat de Eerste Wereldoorlog zèlf niet in de laatste plaats voortkomt uit een ruzie tussen de Europese vorsten, die per slot van rekening allemaal familie van elkaar waren. Harry Potter ontsnapt aan zijn dreuzelgezin, maar in de wereld van Byatt ontsnapt uiteindelijk niemand aan de verwikkelingen van gezinnen en families.

In de tweede plaats heeft Byatt ‘potter’ verwerkt in de constructie van haar roman, waarin aardewerk en pottenbakkers, “potters” en “pottery” in het Engels, een belangrijke rol spelen. Philip Warren is de romanfiguur uit “The Children’s Book” die een overeenkomstige ontwikkeling als Harry Potter lijkt door te maken. Hij is weggelopen van zijn gezin – zijn vader is omgekomen bij een ongeluk in een pottenbakkersoven, zijn moeder beschildert porselein – en is in een volkomen ander milieu terechtgekomen; “They were aliens”, denkt hij in eerste instantie. Philip gaat in de leer bij een ervaren ‘potter’, Benedict Fludd.

Byatt benadrukt op verschillende manieren dat het maken van keramiek een kwestie van leven en dood kan zijn. Voor de ‘potters’ in “The Children’s Book” spelen seksualiteit en het numineuze nadrukkelijk wèl een rol. Alles wat met klei, aardewerk, keramiek en vaaskunst te maken heeft, heeft een mythische dimensie in haar boek: “Fludd lachte kort en merkte op dat mislukkingen bij andere kunstvormen nooit zo totaal en spectaculair waren als die met klei. Je bent afhankelijk van de elementen, zei hij. Door elk van de andere vier – aarde, lucht, vuur, water – kun je verraden worden en kan er iets smelten of barsten of in stukken vallen – het werk van maanden wordt stof en as en sissende stoom.” En ze is goed in het vinden van historische voorbeelden van mythisch aardewerk die dit ondersteunen:

Een bord uit de school van Bernard Palissy, (waarschiinlijk) uit de zestiende eeuw.

Byatt schreef een dialoogje bij zulke borden:

‘It looks unusually difficult.’
‘It is said, and I believe it to be true, that the ceramic creatures are built round real creatures — real toads, eels, beetles.’
‘Dead, I do hope.’
‘Mummified, it is to be hoped. But we do not know precisely. Maybe there is a tale to be told?’
‘The prince who became a toad and was imprisoned in a dish? How he would hate watching the banquets.’

En deze vaas, een uitbeelding van de Prometheus-mythe. Byatt schrijft: “Prometheus in fleshy earthenware sprawled on the turquoise dome of the lid. A green-gold eagle perched on his thigh and belly, and tore at his crimson liver. The tall handles were blond-bearded chained Titans in mail shirts. The body of the vase was painted with fury, a whirling scene of mounted, turbaned oriental hunters and hounds, spearing a hippopotamus at bay, its painted mouth wide open, displaying tusks, molars, and a coral tongue and throat. At the foot of the vase snakes were coiled and intertwined with acanthus leaves. Philip stared. He could not begin to comprehend the glazes, let alone the subject-matter.”

De 'Prometheus vaas' uit 1867, Minton & Co., ontwerp Victor Simyan, beschildering Thomas Allen.

Benedict Fludd, de ervaren kunstenaar die tovenaarsleerling Philip verder opleidt, is overigens allesbehalve een prettig mens; hij misbruikt zijn dochters, heeft een religieuze obsessie en pleegt uiteindelijk zelfmoord. (Byatt verwijst als een van de historische voorbeelden voor Fludd naar de biografie van de Engelse  beeldhouwer en grafisch ontwerper Eric Gill, vooral bekend als ontwerper van het lettertype Gill Sans.) Philip, de leerling, komt uiteindelijk in de Eerste Wereldoorlog bijna om het leven in de klei en de modder van de Belgische loopgraven. Terwijl in het veldlazaret de granaatscherven uit zijn benen worden gehaald, zegt hij: “When I went under, I thought, it’s a good end for a potter, to sink in a sea of clay. Clay and blood.”

Written by sytzesteenstra

20 november 2011 at 20:54

Geplaatst in filosofie, literatuur, romantiek

Het zwart in de romans van A. S. Byatt (1)

with one comment

In april, alweer een half jaar geleden, las ik “Het boek van de kinderen” van A. S. Byatt, toen voor mij nog een onbekende schrijfster. Ik vond het een imposante roman, en de indruk die het boek achterliet bleef me zo lang bij dat ik meer van haar werk ging lezen. En een groot gedeelte van van wat ik daar las, etste die indruk nog dieper. De vele personages en ideeën en verwikkelingen in “Het boek van de kinderen” lijken meer contouren te hebben dan de personages in de meeste romans: het licht is er feller, de schaduwen meer fluwelig, de kleuren scherper, het zwart dieper.

Omslag van de Nederlandse vertaling van Byatt's "The Children's Book". De libelle / vrouw / Vogel Grijp op de omslag is een broche van Lalique uit 1897-98.

Door meer van Byatt te lezen, hoopte ik meer zicht te krijgen op haar werkwijze. “Het boek van de kinderen” is in eerste instantie een traditionele historische roman met een uitgebreide schare personages. Byatt beschrijft de lotgevallen van een losse kring van Engelse kunstenaars en vrijdenkers met hun kinderen en verwanten, beginnend in 1895 en eindigend kort na de Eerste Wereldoorlog. Het is ook een ideeënroman, waarin artistieke, politieke en levensbeschouwelijke motieven een belangrijke rol spelen. Byatt schrijft over de Arts and Crafts beweging, over de opkomst van kinderboeken, over poppentheater, de belangstelling voor folklore en mythologie, over socialisme, feminisme en anarchisme, naturalisme, vrije seksualiteit, vrije opvoeding, met een aandacht voor details waaruit haar liefde voor research duidelijk blijkt. “Het boek van de kinderen” is bovendien een zelfbewust literair werkstuk: overal is Byatt’s regie voelbaar als een resolute aanwezigheid die schakelt van het historische detail naar het grote overzicht, die in de roman nadrukkelijk van perspectief en van genre wisselt, en die haar personages en de kunstwerken en ideeën waarmee zij bezig zijn regelmatig ook gebruikt als signaal aan de lezer, om te wijzen op de constructie van haar eigen roman.

Dat ik meer van Byatt wilde lezen, was in eerste instantie dan ook simpelweg uit trek in meer van het koppige en zware leesplezier dat ik in haar Kinderboek vond. Dat kreeg ik, maar anders dan ik had verwacht. Hoewel haar romans zonder uitzondering meeslepend en uiterst knap geconstrueerd zijn, is mijn indruk dat “The Children’s Book” haar meesterwerk is. Maar wat ik in Byatt’s oudere romans (“The Children’s Book” is uit 2009) en in enkele artikelen en voorwoorden van haar hand in overvloed vond, is een expliciete en breed uitwaaierende visie op literatuur, literatuurwetenschap en lezen. Die visie is wat mij betreft even boeiend als “Het boek van de kinderen”.

Byatt heeft literatuurwetenschap gestudeerd en ook gedoceerd, en ze polemiseert in haar werk tegen de strikte scheiding tussen literatuur als kunstvorm en literatuurwetenschap als de methodologische studie van die vorm, tegen de dominante rol die aan de semiotiek is toegekend en aan post-structuralistische theoretici als Lacan, Foucault en Barthes, tegen de ‘cultural studies’ – benadering die principieel weigert een onderscheid te maken tussen kunst en entertainment. Tegelijkertijd laat Byatt in haar romans zien dat ze de structurele en formele kenmerken van het spel in hoge mate beheerst: ze wil de inzichten van de post-structuralisten niet simpelweg ontkennen, maar ze transformeren door ze opnieuw een plaats binnen de romankunst te geven. Bovendien ontwikkelt ze daarbij, het lijkt bijna en passant, een visie op de romantiek na de romantische periode, de opkomst van de kinderliteratuur en de enorme invloed en populariteit van de sprookjes van Grimm, Tolkiens “In de ban van de ring” en J. K. Rowlings “Harry Potter”.

Byatt’s thematiek, de combinatie en confrontatie van romantiek, poststructuralisme, mythologie, kinderboek en literatuur, was voor mij een fascinerende vondst. En een feest van herkenning: ik ben opgegroeid met de sprookjes van Grimm en wat later met Tolkien. Toen ik studeerde heb ik geworsteld met het werk van Foucault, als een dier dat gebiologeerd naar de lamp van de stroper staart. (Mijn kandidaatsscriptie sociologie ging over Foucault, maar Foucault schreef niet met beginnende Nederlandse sociologiestudenten voor ogen.) Ik heb jarenlang cultuurwetenschappen gedoceerd (wat niet samenvalt met de Britse “cultural studies”, maar er wel raakvlakken mee heeft), en vaak moeite gehad met de methodologische dubbelhartigheid die veel cultuurwetenschap eigen is.

A. S. Byatt, J. K. Rowling's 'Harry Potter', Michel Foucault

Michel Foucault en J. R. R. Tolkien? “The Children’s Book” van Byatt en J. K. Rowling’s “Harry Potter”? Het zijn combinaties die ik een half jaar geleden niet gemaakt zou hebben, maar waarover ik door Byatt toch een tikje anders ben gaan denken. Vooral Byatt’s romans “Possession: A Romance” uit 1990, en “The Biographer’s Tale” uit 2000 vond ik interessant, omdat Byatt daar uitdrukkelijk de roman gebruikt als een soort laboratoriumopstelling waarin ze post-structuralistisch en romantisch gedachtengoed tegen elkaar uitspeelt. Dat gaat trouwens niet ten koste van het leesplezier; het is geen toeval dat Byatt voor “Possession”  de Booker Prize kreeg en dat het boek een bestseller werd. Het is zelfs verfilmd. Maar ik eet mijn hoed op als er in het scenario van die film, die ik trouwens niet gezien heb, nog veel aandacht is voor de theoretische dimensie van het boek.

Al met al (zie de stapel hiernaast) heb ik hiermee wel een doos van Pandora vol motieven geopend. Ik was van plan dit allemaal in een groot bezield samenhangend verband te beschrijven, maar toen dat zich als een voortrollende sneeuwbal bleef uitbreiden, heb ik de knoop doorgehakt en besloten dit stukje bij beetje te gaan doen. Dit is dus aflevering (1) van een korte serie over Byatt.

Het toeval speelt geen grote rol in Byatt’s romans. Byatt houdt van literatuur die zich nadrukkelijk verhoudt tot de literatuur, en schrijft zorgvuldig geconstrueerde romans. Het is in dat opzicht ook veelzeggend dat in de titels van de drie boeken die het meeste indruk op mij maakten een literair genre voorkomt dat in zekere zin ook het voornaamste thema van de roman is. “Possession: A Romance” behandelt de romance, wat je volgens mij maar het best kunt vertalen als “romantische draak”. Deze roman opent met een motto van Hawthorne waarvan de eerste zin luidt: “When a writer calls his work a Romance, it need hardly be observed that he wishes to claim a certain latitude, both as to its fashion and material, which he would not have felt himself entitled to assume, had he profesed to be writing a Novel.” Het onderwerp van “The Biographer’s Tale” is de biografie, de puzzels waarvoor iedere biograaf komt te staan en vooral de principiële vraag of het diepste wezen van een mens wel voor een ander toegankelijk is, zelfs de vraag of er wel zoiets bestaat als een diepste wezen. En “The Children’s Book” gaat daadwerkelijk over de vraag welke status een kinderboek heeft, of misschien moet ik zeggen, wat de historische betekenis is van het gegeven dat er op een gegeven moment een gespecialiseerde kinderliteratuur is ontstaan. Romantische draak, biografie en kinderboek zijn natuurlijk bij uitstek populaire en romantische genres. Het zijn vormen van literatuur waarin de lezer kan opgaan, die uitnodigen tot identificatie — precies de werking waartegen de methodologieën van de semiotiek, van het structuralisme en de ‘cultural studies’ een pantser vormen. Zoals “The Biographer’s Tale” extra reliëf krijgt voor wie ook Michel Foucault’s “De woorden en de dingen: een archeologie van de menswetenschappen” heeft gelezen, het boek waarin Byatt de kiem van inspiratie voor haar roman vond, zo krijgt “The Children’s Book” een verrassende lading voor wie het stuk kent dat Byatt in 2003 in The New York Times publiceerde onder de titel “Harry Potter and the Childish Adult”. Maar dat bewaar ik voor later.

“Possession: A Romance” werd vertaald onder de titel “Obsessie”, “The Biographer’s Tale” werd “De Biograaf”,  en “The Children’s Book” werd “Het boek van de kinderen”. In de titels van de Nederlandse vertalingen van deze romans zijn de verwijzingen naar genres dus niet of nauwelijks meer te herkennen, wat een gemis is. Dat neemt niet weg dat de Nederlandse vertaling van “The Children’s Book”, die is gemaakt door Gerda Baardman en Marian Lameris, voortreffelijk is. Hun Nederlandse “kinderboek” (was dat een betere titel geweest? Ik geloof het niet) leest als een origineel.

Hier is een kort filmpje waarin “The Children’s Book” wordt geïntroduceerd, gemaakt toen het boek op de shortlist voor de Booker Prize van 2009 was gekomen.

“Het boek van de kinderen” is geen boek met een eenvoudig na te vertellen centrale  verhaallijn. Als ik het thema van “The Children’s Book” in één woord zou moeten samenvatten, is dat verstrengeling. Het boek is een verstrengeld weefwerk van mythen en fabels. De kunstenaarsmythen, de verhalen die iedere kunstenaar in het boek in zijn werk probeert te vangen, de gezinsmythen (ieder gezin is bij Byatt ook een verhaal dat het over zichzelf vertelt) en de politieke en culturele modes en rages slingeren zich om elkaar heen en verstrengelen zich. Het is dan ook geen boek met een eenduidige plot die zich goed laat navertellen, integendeel. Het gevolg van Byatt’s literaire weeftechniek is, dat vrijwel iedere passage zowel een functie heeft in de het leven van Byatt’s personages als in de ideeënroman en in de visie op de geschiedenis die Byatt de lezer voorschotelt.

Byatt schrijft ergens in “The Children’s Book”: “There is a peculiar aesthetic pleasure in constructing the form of a syllabus, or a book of essays, or a course of lectures. Visions and shadows of people and ideas can be arranged and rearranged like stained-glass pieces in a window, or chessmen on a board.” Byatt beschrijft hier een drietal mensen dat plannen maakt voor een serie voordrachten, maar het citaat is vooral van toepassing op haarzelf, op de manier waarop zij haar roman plant en uitvoert.

Het eerste hoofdstuk van “The Children’s Book” (het boek telt er vijfenvijftig) geeft daarvan een goede indruk. Byatt verzamelt daar een aantal motieven die stuk voor stuk later in de roman zullen terugkeren, en confrontaties met elkaar aangaan. “The Children’s Book” opent in 1895 in het Londense South Kensington Museum, het museum dat na de dood van koningin Victoria het Victoria and Albert Museum zou gaan heten. Twee jongens, Julian en Tom, de zoon van een van de conservatoren en de zoon van Olivia Wellwood een succesvol kinderboekenschrijfster, ontdekken een derde jongen, Philip, die zich ’s nachts schuilhoudt in de kelders van het museum en overdag tekeningen maakt van een van de tentoongestelde kunstschatten, de “Gloucester Candlestick” die in een vitrine ligt “als Sneeuwwitje in de glazen kist”. Deze arbeidersjongen komt uit een gezin waarin zowel ouders als kinderen in de aardewerkindustrie werken; hij is weggelopen vanwege de barre armoede en de miserabele omstandigheden, maar vooral vanwege de wens “iets te maken”. De kelder waarin hij zich schuilhoudt heeft in Byatt’s beschrijving alle kenmerken van een onderwereld: stoffige witte mensengestalten staren er met nietsziende ogen; de jongen slaapt in een tombe. Tom’s moeder is op bezoek bij Julian’s vader omdat ze hoopt dat hij haar een kunstvoorwerp kan laten zien dat als inspiratie kan dienen voor een nieuw kinderboek, en hij laat haar van alles zien, maar niet alles komt in aanmerking: “Not a ring. There are so many tales about rings.” Julian en Tom nemen verstekeling Philip mee naar hun ouders, waar hij zijn aanwezigheid moet verklaren; als zij zijn tekeningen zien, die talent suggereren, geven ze hem te eten, en de kinderboekenschrijfster neemt de jongen voorlopig onder haar hoede. Hij gaat met haar mee naar huis, op het platteland, waar voorbereidingen worden getroffen voor een midzomerfeest, met “midsummer magic”.

Het museum is bovenwereld en onderwereld tegelijk; een galerie waar kunstenaars worden geëerd heeft ook nog eens de bijnaam “Kensington Walhalla”: alle drie domeinen van onderwereld, mensenwereld en hiernamaals zijn al aanwezig. De kunstwerken die Byatt hier beschrijft, bestaan (ten minste voor een deel) echt; de ‘Gloucester Candlestick’ ziet er bijvoorbeeld zó uit:

De "Gloucester Candlestick": “The whole of its thick stem was wrought of fantastic foliage, amongst which men and monsters, centaurs and monkeys, writhed, grinned, grimaced, grasped and stabbed at each other.” Philip tekent de kandelaar: “Sketch after sketch, all the intricacies of the writhing and biting and stabbing.”

Hiermee heeft Byatt een typisch kinderboekmotief – twee jongens ontdekken een jongen die zich verstopt, hun levens gaan door elkaar lopen – samen met een motief dat weliswaar wordt uitgezocht voor een kinderboek – de kandelaar – maar dat allesbehalve kinderlijk is in zijn onverhulde gewelddadigheid. De verstrengeling van alle wezens op deze kandelaar heb ik al genoemd als cruciaal motief voor de roman, maar ook de ring als motief speelt een grote rol. Tom zal veel later, als volwassene die weigert op te groeien, een kiezelsteen met een gat op het strand vinden, en er bij denken: “these were, or once were, magic; you could see the unseen world through the hole”. Nog later, na Tom’s dood, zal zijn zus Hedda tevergeefs proberen de Candlestick met de ring-steen te beschadigen.

Natuurlijk weet Byatt van de verschillende ringen in verhalen, van Lessing en Wagner tot Tolkien; en terwijl ze de kandelaar als motief voor haar boek kiest, kiest ze evengoed de ring. “The Children’s Book” is opgebouwd uit vier delen: Beginnings; The Golden Age; The Silver Age; The Age of Lead. Het zijn tijdperken die ze ontleend, zoals in de roman ook even ter sprake komt, aan de Griekse geschiedschrijver Hesiodus, maar het is vooral een indeling van de tijd als cyclisch; als een ring, waarin de gebeurtenissen zich in wezen herhalen.

Zo weet Byatt een traditionele roman vol van gedetailleerde verwikkelingen te combineren met een voortdurend arrangeren en herschikken van motieven. Alle personages in haar roman lijken te streven naar vernieuwing, maar geen enkel weet zich definitief los te maken uit de verstrengeling.

detail van de Gloucester Candlestick

Detail van de voet van de ‘Gloucester Candlestick’. “The thing was a whole world of secret stories”, laat Byatt een van haar figuren in The Children’s Book denken over deze twaalfde-eeuwse kandelaar.

Written by sytzesteenstra

13 november 2011 at 20:50

Geplaatst in filosofie, literatuur, romantiek