Sytze Steenstra Blog

Archive for the ‘dagboek’ Category

Tat Roosdorp (1922-2015)

with 4 comments

img_1224

Tat, op een foto uit 1995

In de zomer van 2015 stierf Tatjana Roosdorp. Ze zou het zelf niet nodig hebben gevonden, maar ik wil haar hier herdenken. Ze was als een tweede moeder voor Josh, voor mij een vriendin en een markante dame. Ik leerde haar pas kennen toen ze met pensioen was, en omdat ze niet graag verhalen over haar eigen verleden opdiste, terwijl dat verleden rondom en in haar toch heel sterk aanwezig was, had ze iets raadselachtigs. In haar omgeving waren de jaren ’30 en de jaren ’50 even reëel als het heden, omdat ze veel van haar ouders had bewaard. Zeker in haar buitenhuisje, dat we simpelweg ‘het huisje in het bos’ noemden, en waar we twintig jaar lang bijna iedere vakantie waren, leek de tijd stil te hebben gestaan. Soms leek Tat minder onderscheid te maken tussen mensen en dieren dan gebruikelijk, en dan niet zozeer omdat ze aan dieren allemaal menselijke sentimenten toedichtte, maar omdat ze veel menselijke motieven en gewoel niet zo interessant of relevant vond. Ze had in het zwakzinnigenonderwijs gewerkt, en ik heb wel eens gedacht dat ze in ieder mens, niemand uitgezonderd (en mij zeker niet) wel een vlekje of naadje zwakzinnigheid wist te zien. Het was dus maar het beste opgewekt te blijven, en niet te vergeten te lachen.

OLYMPUS DIGITAL CAMERABij de eerste kennismaking, bij dat huisje in het bos, scheen het me toe dat Tat wel uit een favoriet kinderboek van mij kon zijn weggelopen. In “De oude oom Pindar in zijn oude huis met zijn oude auto” sluiten kinderen vriendschap met een tweetal oude mensen, een broer en een zus die in een stel oude vervallen vakantievilla’s leven zoals men dat zeventig jaar geleden deed. Zó excentriek was Tat niet, maar wel volstrekt onafhankelijk en wars van veel conventies. Voor Josh was ‘Tante Tat’ behalve een dierbare oudere vriendin ook een legende: Josh heet zelf voluit ‘Josje Tatjana, naar Tat en haar vriend Jos, die in de oorlog in het verzet zat, maar werd gepakt en in een Duits kamp omkwam. Ook Tat werd opgepakt en een aantal maanden in eenzame opsluiting vastgezet. Van Josh hoorde ik iets van de geschiedenissen waar Tat zelf over zweeg; ook over de veel jongere man met wie ze een relatie had toen ze in de vijftig was.

marie-in-het-huisje-in-het-bos-had-even-goed-tat-kunnen-zijn

Een schilderijtje dat Marie in het huisje in het bos laat zien, maar evengoed aan Tat herinnert

Ik heb haar wel eens gevraagd waar ze haar opvattingen en overtuigingen vandaan had. Ze was tegen dikdoenerij, tegen hiërarchie, tegen militarisme, tegen chauvinisme. “Gewoon, van de padvinderij: alle goeds voor alle mensen.”, was het antwoord. Ze was een overtuigd padvindster, maar daarnaast hadden haar ouders natuurlijk ook veel invloed. Haar ouders waren filmmakers, en ze was opgegroeid in een sfeer die in sommige opzichten heel vergelijkbaar was met die van mijn eigen ouders – haar moeder had als onderwijzeres gewerkt, ze was zelf net als mijn vader naar de kweekschool geweest – maar kosmopolitischer, en artistieker. Tat was geen kunstenares, maar ze was opgegroeid in een milieu waarin kunstenaarschap doodgewoon was.

“Marofilm” heette het bedrijf van Tats ouders, Alex en Marie Roosdorp, en het kan niet anders of Tat, hun enig kind, heeft haar zelfstandigheid en onafhankelijkheid ook van hen geleerd.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Alex Roosdorp, de vader van Tat, was fotograaf. Hij was gaan filmen omdat hij dan weg kon uit de doka, de buitenlucht in. Hoewel zijn naam vaak als enige vermeld wordt, werkte Marie, Tats moeder, ook mee, en Tat liet er nooit twijfel over bestaan dat haar inbreng even belangrijk was. De moeder van Marie, een van de grootmoeders van Tatjana, was bevriend met Aletta Jacobs, en iets van haar vrijzinnigheid en politiek bewustzijn is zeker in de familie gebleven.

Marofilm maakte vooral voorlichtingsfilms voor de landbouw, films over aardappelen en bloembollen, over vee en bijen, maar ook uiteenlopende documentaires, zowel op eigen initiatief als in opdracht. Een film over het Limburgse boerenbestaan werd grotendeels opgenomen in de schoolvakanties, zodat Tat meekon in de reportagewagen, waarmee het gezinnetje ook op vakantie ging. Vergeleken met de grote studio’s en Hollywood is Marofilm uit Deventer natuurlijk prozaïsch en provinciaal, maar onmiskenbaar op alle foto’s en in de verhalen is toch een vleug van glamour, moderniteit, buitenlandse reizen en artisticiteit. In de fotoalbums is te zien hoe de Maro reportagewagen in Frankrijk, hun favoriete vakantiebestemming,  op dorpspleinen steeds de aandacht trok: kinderen en volwassenen stonden te dringen om door de raampjes te kunnen gluren. Als fotograaf en cameraman liet Alex Roosdorp zich zichtbaar beïnvloeden door het constructivisme: hoewel hij vooral zijn onderwerpen duidelijk in beeld wil brengen, heeft hij zichtbaar plezier in een sterk grafische beeldopbouw en in krachtige diagonale lijnen.

Tussen de boeken van Tat vonden we een roman van Walter Brandligt, “Witte Gait”, met een opdracht van de schrijver: “Voor de Roosdorps. Tot een herinnering aan La Tour Fondue, 14 Augustus 1938.” Er bestonden vriendschapsbanden tussen de gezinnen Roosdorp en Brandligt; Brandligt woonde eind jaren dertig aan de Côte d’Azur, in Cagnes-sur-Mer, waar verscheidene Nederlandse schrijvers en schilders woonden. Later, terug in Nederland, nam Walter Brandligt deel aan het Amsterdamse kunstenaarsverzet; hij werd in 1943 gefusilleerd.

de zomer van '45

In 2015 was er veel aandacht voor Marofilm. ‘Herwinnen door werken’, een film in kleur die Alex en Marie in de zomer van 1945 hadden gemaakt om de verwoesting en armoede die de oorlog in Nederland achter liet vast te leggen, was door Eyefilm gerestaureerd en werd zowel vertoond in het Nationaal Militair Museum (in een tentoonstelling ‘De zomer van ’45’) als in een aantal filmhuizen. We hadden al afgesproken samen met Tat in het Deventer filmhuis te gaan kijken, maar ze stierf voor het zo ver was. Pas toen we daar werden aangesproken door de conservator van Eyefilm realiseerden we ons dat Josh ook de rechten van Marofilm had geërfd.

Om beter te begrijpen wat Marofilm was, heb ik een reeks films bekeken en alles gelezen over Marofilm wat ik kon vinden, en op die basis voor de Nederlandse Wikipedia een artikel over Marofilm geschreven. Behalve om Marofilm ging het me om Tat. Ik vond haar naam tussen de titels van een film uit 1959-1960, ‘Deventer gasfabriek 100 jaar’, een film die het Deventer stadsgas als alibi gebruikt om een compleet portret van Deventer te maken, van de trotse geschiedenis als Hanzestad tot de fabrieken en nieuwbouwwijken van de naoorlogse jaren. Aandachtig en geduldig kijken, met aandacht voor details én voor de samenhang van alles, dat is de voornaamste eigenschap van het werk van Marofilm, denk ik na een reeks films te hebben gezien.

'Deventer gasfabriek honderd jaar'

Van oorsprong zijn de films niet bedoeld voor de bioscoop, maar voor vertoning in verenigingszalen en in cafézalen, met gesproken toelichting. Met een film de boer op. In de oorlogsjaren deed Tat dat vaak samen met haar grote liefde, Jos Moll.

tatjana-en-jos

Jos en Tatjana, met projectiescherm en in de rugzakken film en projector, in de oorlogsjaren. Tat schreef bij deze foto: “de Marofilmkinderen, 1941/42, 14 dagen in Veenkoloniën, – 23 C”.

T.I.M.M., dat waren Tats initialen. Tatjana Ingeborg Mia Mianka was ze genoemd, naar vier Russische filmsterren uit 1920, vertelde ze ooit. Eind jaren dertig leerde ze samen met haar Jos Esperanto, de taal van de wereldverbeteraars die de mensen en volkeren nader tot elkaar zou moeten brengen. Jos studeerde rechten en landbouwkunde, en als de oorlog het niet verhinderd had, hadden ze vast hun plan uitgevoerd om de wereld een klein beetje te verbeteren. Het verlies van Jos moet zwaar en bitter zijn geweest, maar ze hield dat voor zichzelf.

Goed kijken, alle goeds voor alle mensen, onafhankelijk en non-conformistisch: ze was een bewonderenswaardig mens.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Written by sytzesteenstra

6 november 2016 at 14:58

Ine, trouw aan het atelier, aan het maken

leave a comment »

In het Maastrichtse Bonnefantenmuseum is een kleine tentoonstelling van werk van moderne en hedendaagse Limburgse beeldhouwers, samengesteld door Han van Wetering, een beeldhouwer die even optreedt als gastconservator. Er is ook werk bij van een vorig jaar gestorven vriendin, Ine Schröder: vier kleine houten latwerkjes, opgehangen aan de muur.

Overzicht van vier werken van Ine in het Bonnefantenmuseum

Het is fijn Ine’s werk in het museum te zien, in het gezelschap van bekendere beeldhouwers als Shinkichi Tajiri, William PARS Graatsma en Han van Wetering zelf. Maar ik mis Ine’s atelier. De muren van het museum zijn even wit als de muren van het oude schoollokaal waarin Ine werkte, en nog schoner ook, maar ik mis de kist met latjes en plankjes  waarin Ine vrijwel alles wat ze maakte ook weer liet verdwijnen, het lichte gevoel van onthechtheid, of andersom, het onthechte gevoel van lichtheid. Ik denk dat ze duizenden werkjes heeft gemaakt, en het overgrote deel daarvan ook weer uit elkaar heeft gehaald.

Toen ik voor het eerst in haar atelier kwam zocht ik naar de betekenis van haar beelden, en na lang heen en weer praten wilde ze, bijna als concessie in een onderhandeling, wel toestaan dat er  verbanden konden zijn met herinneringen aan ruimtes, bijvoorbeeld aan de hoge verticale opening in een trappenhuis, of aan de ruimte onder een bureau. Nu ik het opschrijf zie ik wel dat ik werd afgescheept met niet veel meer dan een tautologie: ruimtelijk werk heeft te maken met de ervaring van ruimtes. De ervaring van ruimte heeft een persoonlijk aspect, een binnenkant, een geschiedenis.

“Dat proces, dat is het mooiste wat er is”, zei Ine, en dat ging over het werkproces, over het proberen en het zoeken in het atelier. Over het zoeken van het moment waarop voor het eerst samenhang te zien is, waarop een werkstuk of een tekening voor het eerst een eigen kracht heeft, en over haar werk om precies dat moment steeds weer even te bewaren, zonder het plechtiger te maken dan het is.

Een wandsculptuur van Ine Schröder

Ik kende Ine al een paar jaar voordat ik besefte dat ze chronisch ziek was, ernstig ziek ook, ze wist dat ze niet heel oud zou worden. Ze sprak er weinig over, en ook dan alleen nuchter en onthecht. Na haar dood maakte uitgeverij Huis Clos een klein herinneringsboekje, Ine. Dit was mijn bijdrage:

Bijna niets, open, in : "Ine", uitgeverij Huis Clos

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

 

 

Written by sytzesteenstra

6 april 2015 at 14:38

Gerecenseerd door een abstractie

with 2 comments

‘Book review’  las ik: ‘book by Sytze Steenstra’. Dat leek me interessant: een recensie van mijn boek op YouTube. De werkelijkheid hielp me uit de droom: YouTube is niet het medium voor boekbesprekingen, en het filmpje verdient die naam ook niet. Kijk er niet naar, het is echt te saai voor woorden, ruim twee minuten lang een tekstje dat ooit door de uitgever is geschreven als vooraankondiging, een tekstje dat eindeloos traag door het beeld schuift, ondersteund door muzak waar kraak noch smaak aan zit.

Wie maakt zoiets? En waarom? Het zal wel de samenwerking zijn tussen een computerprogramma en een database, een paar miljoen regels code, in gang gezet door iets als een winstverwachting, rendement op geïnvesteerd vermogen, shareholder value of zo. Of is het een hacker? De ‘afzender’ van het YouTube filmpje is “Linens ’n Things 4534555”.  Linens ’n Things, dat weet Wikipedia, is een internetwinkel die in de VS en Canada doet in huishoudtextiel, lakens en zo. Een groot bedrijf, het Wikipedia-lemma is vol moderne bedrijfsavonturen, private equity, faillissement, herstart, eigenaren met namen als Apollo Global Management, Hilco Global en Galaxy Brand Holdings. Miljarden, miljoenen. Ergens tussen de bedrijven met hun wereldomvattende, melkwegstelsel-omspannende namen door duikt ook een eigennaam op: Leon Black, eigenaar van Apollo Global Management. Als ik op die naam klik kom ik op het lemma dat aan hem is gewijd; Black is degene die  in 2012 119,9 miljoen dollar heeft betaald voor “De Schreeuw” van Edvard Munch (een van de vier versies die van het schilderij bestaan), en 36 miljoen euro voor een tekening van Rafaël, “hoofd van een jonge apostel”. Het is de wereld van enorme bonussen en superrendementen. Maar dat legt geen rechtstreeks verband tussen Linen ’n Things en kunst, of tussen YouTube en mijn boek over het werk van David Byrne, een poging van mijn kant om precies en gedetailleerd en concreet te zijn. Ik ben gerecenseerd door een abstractie.

Om iets terug te doen volgt, als pendant van dit stukje, mijn eigen recensie van een abstractie. Het blijft duwen en trekken.

 

 

 

 

Written by sytzesteenstra

10 februari 2015 at 19:15

Humpf en driekwart!

leave a comment »

“Humpf en driekwart!” De mooiste half-verontwaardigde puberale verzuchting die ik dit jaar aan de keukentafel op me afgevuurd kreeg.

PS: Ook als wiskundige formule uit te drukken: ! + 3/4.

PPS: En dankzij die bijna wiskundige kracht zat ook de cartooneske tekstballon er al in, jawel #@&!

Written by sytzesteenstra

20 september 2014 at 11:19

Geplaatst in dagboek

Tagged with

Tags: abc, amoroso, stofzuigerzak, wij

leave a comment »

Zo nu en dan merk ik aan mezelf dat ik een onderdeel van de taal wantrouw. Het is een gewoonte, een tic, zoiets als met mijn vingers trommelen op de rand van de tafel of op een stoelleuning. Op het ogenblik zijn het de persoonlijk voornaamwoorden in de openbare ruimte, een aantal jaar geleden waren het namen van producten, daarvoor waren het afkortingen (afko’s).

De productnamen zijn het aardigst. We kennen allemaal boekenkast Billy, maar waar zijn dit de namen van?

Bolido, Clario, Ergospace, Oxygen, Oxy3system, Ultra Silencer, Specialist, Performer, Universe, Jewel, City-Line, Impact, Expression, Viva Control, Calypso, Essensio, Modelys, Quickstop.

Subito, Aviator, Amadeo, Padrino, Aventura, Sarabande, Torres, ES Enjoy, Adenzo, Impresario, Columbus, Winn, Amoroso, Bravour, Lacta, Tiberio, Ohio, Alanis.

Alle combinaties zijn ook goed: Amadeo Ergospace – een dure gezinsauto? Impresario Ultra Silencer – iedereen kent wel een artiest die hij het liefst naar dat impresariaat zou willen sturen. Jewel Amoroso – mascara?

Het zijn namen met de smaak van internationale nietszeggendheid, volmaakt inwisselbare handelsmerken die er waarschijnlijk op getest zijn dat ze ook bij Belgen, Koreanen, Kroaten, Finnen en Japanners geen associaties oproepen met scheldwoorden, ziektes, het nationaal oorlogsverleden, seksuele handelingen of bijwerkingen van de menselijke spijsvertering. Het eerste rijtje namen vond ik op een doos stofzuigerzakken, het tweede rijtje langs een fietspad in Overijssel, bij een akker vol proefrassen van mais.

De afkortingen, dat was een soort quiz die ik met mezelf speelde. Kan ik bij iedere denkbare combinatie van drie letters bedenken waar dat de afkorting van is?

AAA: Automobile Association of America

ABB: Averill Brown Bovery

abc: het alfabet, of ‘doodsimpel’, als in “Dat is een abc’tje”.

ABC: American Broadcasting Corporation

WC / WTC, ABN / DNB, GVD / GVR / GVB

(watercloset / World Trade Center, Algemene Bank Nederland / De Nederlandse Bank, godverdomme, Roald Dahls grote vriendelijke reus, het Amsterdams gemeentelijk vervoersbedrijf)

Enz. enz, nvt, zoz, svp. Internet zoekmachines hebben de scherpe randjes hier vanaf gehaald. Ik heb geen zin om het te proberen, maar ga er vanuit dat via Google voor iedere permutatie van drie letters vast wel iets te vinden is.

Persoonlijk voornaamwoorden (het rijtje  ik, jij, hij, zij, wij, jullie, zij) bezorgen me een vergelijkbare geestelijke jeuk, zodat ik wel moet krabben door even innerlijk te foeteren. Dat overkomt me als achter het persoonlijk voornaamwoord overduidelijk een onpersoonlijke doelstelling zit, een betekenis en een bedoeling die zijn ingekaderd door een marketingplan, een bedrijfsstrategie, een financieel-juridisch-organisatorisch kader dat persoonlijke betrokkenheid uitsluit. Onpersoonlijkheid kan op zich een groot goed zijn, bureaucratische organisaties staan vaak garant voor redelijkheid en rechtvaardigheid  zonder aanziens des persoons. Maar steeds vaker wordt iets wat zonder aanziens des persoons bestaat, of werkt, voorzien van een persoonsvorm. Waardoor ik me dan gemanipuleerd voel, ingepalmd tegen wil en dank. “I am Amsterdam”, “Leuker kunnen we het niet maken”, en niet te vergeten, “Wij ook!”

Wij ook! foto genomen in Maastricht, 2013. Op de achtergrond nog net zichtbaar, grotendeels door een boomstam aan het zicht onttrokken: een banier met "Jij ook!"

Wij ook! foto genomen in Maastricht, 2013. Op de achtergrond nog net zichtbaar, grotendeels door een boomstam aan het zicht onttrokken: een banier met “Jij ook!”

Het is een mengeling van een spelletje, kruiswoordpuzzelen in het vrije veld, en half onwillekeurige, reflexmatige taalfilosofie. Taal is een spel, een speelveld, collectief erfgoed, een collectief kunstwerk, een publieke arena waarin verschillende spellen en spelregels proberen de overhand te krijgen. Denk bijvoorbeeld aan de discussie over zwarte piet en racisme die als zwerfvuil in een herfststorm rond waait. Denk nu aan de discussie net daarvoor, over de discriminatie van homo’s in Rusland en diplomatieke onschendbaarheid en de Olympische Winterspelen, en of Nederland maar moet ophouden met het feestelijk vieren van 400 jaar Nederlands-Russische betrekkingen. (Denk nog maar even niet aan de vele veranderingen van het grondgebied van Nederland en Rusland in die 400 jaar. Vieren we dan ook, impliciet, de goede betrekkingen tussen Indonesië en Azerbeidzjan, om maar een zijstraat te noemen? Beide landen waren in het koloniaal verleden onderdeel van Nederland en Rusland, daarmee ook van deze goede betrekkingen?) Houd het simpel en probeer je voor te stellen welk speelveld zwarte piet/racisme en winterspelen/homodiscriminatie met elkaar delen. Het is een mengelmoes van spel, traditie, rancune, verdringing, gewoonte, folklore, reclame, massamedia, internationale diplomatie en geschiedenis; eerder een strijdperk dan een sportieve ontmoeting.

Het terrein is, zoals dit voorbeeld hopelijk duidelijk maakt, onbegrensd. Mer à boire. Geen beginnen aan. Bierkaai. Vandaar dat ik er niet aan begin, behalve wanneer het zich als een idiosyncrasie opdringt: jeuk aan m’n taalgevoel. Er zijn gelukkig meer mensen met deze kwaal, regelmatig kom ik een gedicht of een kunstwerk tegen dat precies krabt op een plek waar ik zelf niet zo goed bij kan. Op de Manifesta, vorig jaar in Genk, was er een installatie van Tina Gverovic en Ben Cain die dat deed. Bij eerste kennismaking, van een afstandje, leek het een losse verzameling geometrische vormen, grijs gemarmerd ook nog, toonbeeld van een specifiek soort lelijke nietszeggendheid, alsof iemand de plinten heeft verzameld van balies van belastingkantoren en reisbureaus en sanitairgroothandels om die tentoon te stellen als proeve van alledaags modernisme.

Overzicht van een gedeelte van de installatie van Tina Gverovic en Ben Cain

Overzicht van een gedeelte van de installatie van Tina Gverovic en Ben Cain

Bij nadere kennismaking, na lezen en herlezen, was het een installatie van prozagedichten die samen iets van de binnenwereld van de alledaagse moderniteit uitlichten, waar persoonlijk en onpersoonlijk hun stoelendans doen.

Een van de affiches in de installatie (detail):  Show us what the subject does.  First show us what the object does.  What?  The after-lunch object, the thing that emerges at the end of a good day.  Sorry, it's all non-fabricated things here, all subjects, non of the other.  (Speechless)

Een van de affiches in de installatie (detail):
Show us what the subject does.
First show us what the object does.
What?
The after-lunch object, the thing that emerges at the end of a good day.
Sorry, it’s all non-fabricated things here, all subjects, non of the other.
(Speechless)

Nog een detail van de installatie van Ben Cain en Tina Gverovic

Nog een detail van de installatie van Ben Cain en Tina Gverovic

Nog een tekst uit dezelfde installatie

Nog een tekst uit dezelfde installatie

Written by sytzesteenstra

27 oktober 2013 at 17:01

Woordenboek van conventionele ideeën

leave a comment »

Nederlaag.  Dit voelt niet als een nederlaag maar het is wel jammer.

Teleurstelling.  Ik ben zwaar teleurgesteld maar ga toch met een voldaan gevoel naar huis.

Ik ben teleurgesteld maar we hebben toch veel bereikt.

De teleurstelling maakte al snel plaats voor berusting en een vastberaden blik op plan B.

Mooi neergezetWe moeten het gevoel dat we iets moois hebben neergezet vasthouden.

Dit is natuurlijk verschrikkelijk, maar we hebben de laatste jaren wel iets moois neergezet en we gaan het kind niet met het badwater weggooien.

Betrekkelijkheid.  Onze stad en haar inwoners hebben zoveel wat de moeite waard is. We hebben bijvoorbeeld de betrekkelijkheid uitgevonden,

Spirit.  We moeten nu de spirit vasthouden.

Teneur op het Vrijthof: We waren te goed. That’s the spirit.

Chauvinisme.  Ik wil niet chauvinistisch zijn maar er is toch geen betere plaats te vinden.

Open.  Onze prestatie is dat we de Euregio ontdekt hebben. Die staat nu helemaal open en daar gaan we mee door!

Gesloten.  We moeten nu pogen de gelederen gesloten te houden om het basisprogramma verder te kunnen ontwikkelen.

Visie.  Deze jury is gewoon bang voor Europa. Ze durfden niet voor Europa te kiezen. Ze kozen voor zekerheid in plaats van voor innovatie en visie.

Generatie.  Generation Maastricht moet nu de ‘lead’ pakken.

Leeuwen.  We hebben gevochten als leeuwen om de jury te overtuigen van het Europa van de mensen.

Winst Men is zich bewust geworden van cultuur en dat is een grote winst.

Zaadje.  Het zaadje is geplant.

Een bloemlezing uit het ‘Zondagsnieuws’ van vandaag, een gratis Maastrichts krantje dat op pagina 1 en op pagina 3 reacties optekende van Maastrichtse notabelen op het mislopen van de titel Culturele Hoofdstad 2018. Op pagina 5: Dieren hebben verkoeling nodig bij extreme hitte.

Written by sytzesteenstra

8 september 2013 at 22:19

Verbijsterend Stedelijk: ontoegankelijkheid (1)

leave a comment »

In de kerstvakantie ben ik met Josh en Alma naar het Stedelijk Museum geweest. Dat is alweer een maand geleden. Het is überhaupt een tijd geleden dat ik iets aan dit blog heb toegevoegd. Dat ik niets schrijf, is niet omdat ik niets meemaak, of niets denk, het komt door de afstand die ik voel tussen wat ik meemaak en denk, en de gereedliggende taal, de concepten en de beelden die me worden voorgehouden. Afstand? Ja, afstand, tegenstrijdigheid, een vermoeiende en frustrerende kloof tussen de werkelijkheid die ik ervaar en de voorgeschreven, opgedrongen schijnwerkelijkheid. Zoals, in dit geval, in het vernieuwde Stedelijk Museum.

Goed, we gingen dus met z’n drieën het museum bekijken. Josh was uiteraard op haar kleine scootmobiel, dat compacte en wendbare karretje dat onder andere zo geschikt is voor museumbezoek. Inmiddels weten we dat het bezoeken van een publieke instelling altijd een stuk ingewikkelder is dan toen Josh gewoon kon lopen. Hoe kom je binnen? Hoe kom je van de ene verdieping naar de andere, van de ene zaal naar de andere? Het is meestal veel lastiger dan ik me ooit had gerealiseerd, vroeger. Hoe een deur opengaat, hoe zwaar een dranger op een deur is, hoe deuren in hallen en gangen achter elkaar geplaatst zijn, hoe groot een lift is, hoe breed een doorgang tussen twee tafels is: dat telt allemaal mee. Maar goed, het Stedelijk Museum is net verbouwd, het heeft veel gekost en lang geduurd, veiligheid en toegankelijkheid stonden voorop bij de verbouwing, musea zoals dit richten zich op een groot publiek – dus de toegang voor invaliden zal wel goed geregeld zijn, toch?

Twee grote glazen draaideuren vormen de nieuwe ingang. Josh waagt zich wijselijk niet in een draaideur, en de gewone deur naast de draaideuren (ook van glas, net als de hele gevel) is op slot. Er staat niet aangegeven hoe rolstoelgebruikers binnen kunnen komen. Geen tekst, geen symbolen, geen pijlen op al dat glas. Transparant maar ontoegankelijk. Maar goed, ik kan Josh buiten laten staan, door de draaideur naar binnen gaan, en een bewaker aanspreken die heel vriendelijk via haar mobilofoon contact opneemt met de centrale beveiliging, de draaideur stilzet en het slot van de gewone deur laat openen, en Josh rijdt naar binnen. Het is omslachtig maar het kan, al is het niet erg gastvrij. Opvallend is het gedrang binnen, de entreehal lijkt te klein voor de bezoekers. We staan in de rij voor kaartjes, gaan door de controlepoortjes, geven onze jassen af bij de garderobe, halen voor Alma een audiotour bij nóg een balie, en kunnen eindelijk de zalen in. Maar daarvoor moet je eerst nog een lage trap op. (Hier te zien: http://www.ruigrok-nederland.nl/8tvd8g-project-bij-stedelijk-museum.html.) Dan is er natuurlijk een hellingbaan! Nee. Moeten we dan beter kijken, misschien aan de zijkant? Nee. Dus weer een bewaker aanspreken, die haalt er vriendelijk een andere bewaker bij, die neemt ons mee naar een hellingbaan die er toch is, die echter niet naar de museumzalen leidt maar naar het afgesloten kantoorgedeelte van het museum. De bewaker doet de deur van het slot, we gaan een paar meter door een gang, ze doet een andere deur van het slot en we staan – zucht van verlichting – in een museumzaal. Goed, niet in de beginzaal waar het museum het publiek ontvangt en zijn goede bedoelingen toont, maar ergens in een willekeurige zijzaal – zaal 0.26, als ik de plattegrond erbij neem. Voorlopige conclusie: bij deze verbouwing, bij het hele langdurige en dure prestigeproject, met alle programma’s van eisen, commissies, technisch adviseurs en sterarchitecten is het blijkbaar niet gelukt het museum gewoon toegankelijk voor invaliden te maken. Het hele traject is ridicuul, en voor Josh in feite te vermoeiend. Ik heb het niet gecontroleerd, maar volgens mij is er een hellingbaan naast de trappen van de oude ingang, nu aan de achterkant. Misschien kan de museumdirectie een bordje naast de glazen draaideuren laten ophangen: invaliden achterom.

Is dit verbijsterend? Mmwah… Het is schandalig en stupide. Voordat ik verbijsterd ben, en tijdelijk met stomheid geslagen, moet er nog iets anders gebeuren. Maar daar is aan gedacht.

Stedelijk Museum, folder Familiespoor

Stedelijk Museum, folder Familiespoor

Eenmaal in het museum was Josh al snel moe, en koos ze er daarom voor met Alma mee naar het ‘familielab’ te gaan, zeg maar de kinderafdeling, vastberaden om zo plezier aan het museum te beleven.  Josh sloeg met Alma aan het tekenen, en ik ben gaan rondkijken, vooral in de Mike Kelley tentoonstelling. (Daarover later meer). Pas toen ik thuis de folders nog eens bekeek, het plattegrondje dat bij de kassa lag en de folder Familiespoor uit het Familielab, en tot me liet doordringen wat daar allemaal werd beweerd, golfde de verbijstering langzaam door me heen.

In de plattegrond die bij de kassa ligt (WELKOM INFORMATIE ORIËNTATIE PLATTEGROND staat er in blokletters op) staat simpelweg: “Toegankelijkheid mindervaliden. Het Stedelijk is goed toegankelijk voor mindervaliden.” Ja, is dit “goed toegankelijk”? Maar verbijsterd ben ik pas als ik goed tot me door laat dringen wat de folder FAMILIESPOOR (gratis in het Familielab) allemaal beweert. De vraag die de folder stelt is: “Hoe beweeg je door het gebouw?” “Dit Familiespoor is voor jullie. Welkom! Met deze schets van de plattegrond in de hand kun je met je familie of vrienden door het museum dwalen. Architect Mels Crouwel, de ontwerper van het nieuwe gebouw, tekende deze schets. Onderweg vind je uitspraken van hem én van kunstenaars, (oud-) directeuren en bezoekers, jong en oud, die net als jullie dwaalden door het gebouw.” “Kies je eigen weg en bepaal zelf waar dit spoor begint en eindigt.”

De folder spreekt de taal van de homo ludens, maar voor kinderen, op kniehoogte. Of misschien is het de taal van het hogere management in de kunstwereld, gekwadrateerd met de taal van het hogere management in de architectuurwereld, waar iedere paradox gemakkelijk is op te lossen, waar iedere logische tegenstrijdigheid met kinderlijke eenvoud wordt overwonnen: je gooit er gewoon wat beeldspraak overheen. Op die manier is het mogelijk naast een 19de-eeuws neo-renaissance bakstenen gebouw een imponerend high-tech gebouw te zetten, een scherp contrast te maken, en tegelijkertijd te beweren dat de nieuwbouw onmerkbaar in de oudbouw overgaat. (De folder: “Het verschil van het oude met het nieuwe gebouw voelt als: Klabaaam!” Natalie, bezoeker. Dezelfde folder: “Alles ziet er van binnen hetzelfde uit. Je hebt niet in de gaten dat je van oud naar nieuw gaat, tenzij je door het raampje kijkt.” Mels Crouwel, architect.) Op die manier kun je ook beweren dat binnen en buiten eigenlijk in elkaar overlopen, alsof die enorme imponeergevel, die badkuip, dat icoon, die glasgevel (vertrouwde aanblik van banken en andere grote kantoren), die kassa’s en bewakingspoortjes er eigenlijk niet zijn, en alsof een kind niet snapt waar ze voor dienen.

Als je er op gaat letten, lijkt het ontkennen van logische tegenstrijdigheden wel het motief van het museum. In de nieuw bijgebouwde museumzalen is geen daglicht en zijn er geen ramen. (De folder: “Er zit maar één raam in de badkuip. Gevonden? Wat zien jullie?”) Toch is het Mels Crouwel, architect van het nieuwe gedeelte, en niet een van de oud-directeuren, die op de folder bij het oude museumgedeelte zegt: “In deze zaal is het licht prachtig, je ziet de wolken voor de zon schuiven.” De lange roltrap die de nieuwe zalen ondergronds dwars door de entreehal verbindt met de nieuwe zalen erboven, is helemaal omsloten door een gele koker, zodat ‘de museumbelevenis’ niet wordt onderbroken. Dat kan, maar de folder zegt dan weer: “De architect noemt deze trap een nieuwe versie van de oude trap. Hij hoopt dat hier ook veel bijzondere dingen gaan gebeuren.” Maar natuurlijk gebruikte een enkele kunstenaar vroeger de oude trap juist omdát daar het gangbare kijken naar kunstwerken was onderbroken.

Het Stedelijk presenteert zich in deze folder sowieso alsof de roemruchte jaren vijftig en zestig dankzij de Badkuip nog steeds niet voorbij zijn, en Nieuw Babylon heropend is. De oude directeur Willem Sandberg wordt geciteerd: “We zoeken naar een omgeving waar men durft te praten, te zoenen, hardop te lachen, zichzelf te zijn”, en de nieuwe directeur Ann Goldstein vult aan: “Een museum is voor mij geen tempel, het zou een thuis en een ontmoetingsplek voor kunst, kunstenaars en onze bezoekers moeten zijn.” Karel Appel wordt geciteerd: “Door spel leggen we opnieuw contact met onze jeugd – Mijn kunst is kinderlijk.” De actie van Gilbert en George, die zich op de oude trap als levende standbeelden presenteerden, wordt genoemd en Willem de Ridder moedigt kinderen aan hen eventjes na te doen: “Je bent nu zelf een kunstwerk geworden.” Maar sinds de jaren zestig zijn er vier decennia voorbij gegaan. Kunstwerken zijn in die tijd ongelofelijk veel duurder geworden, musea worden massaal bezocht, de kunstwereld is geïnternationaliseerd en geglobaliseerd, nieuwe musea zijn belangrijk voor het toerisme, als beeldmerk voor steden, als focus voor de economie van de aandacht en voor de economie tout court. De nieuwe muren in het oude deel van het Stedelijk staan bol – letterlijk, de plinten wijken nu achteruit, iets wat ik nog nergens anders zag – van de technologie, voor de luchtvochtigheid, het licht, de bewaking en Joost mag weten wat nog meer, en dat staat niet los van de nieuwe massaliteit en de exorbitante prijzen in de kunsthandel, met hun weerslag op de verzekeringskosten, de publiciteit, het spektakel. Mogen kinderen van al die dingen, de werkelijkheid waarin zij opgroeien, niks weten?

De plattegrond (WELKOM INFORMATIE ORIËNTATIE PLATTEGROND) vermeldt bij iedere verdieping van het museum de ‘zaalvernoemingen’: de zalen zijn vernoemd, natuurlijk niet naar beroemde oud-directeuren of naar de kunstenaars aan wie het Stedelijk Museum zijn reputatie dankt, maar naar sponsors, grote bedrijven. Een mooi dynamisch neologisme is dat, zaalvernoemingen. De taal is nu zelf een kunstwerk geworden: toegankelijkheidsvernoeming. Thuisgevoelvernoeming: “In mijn ideale museum zouden bezoekers zich thuis moeten voelen, alsof ze er zelf wonen, voor een tijdje”- Ann Goldstein nog eens, in de Familiespoor folder. Baseballpetjevernoeming:

Buiten en binnen: als het prestige maar groot genoeg is, is iedere paradox een bij voorbaat overwonnen uitdaging, toch?

Binnen en buiten: logische tegenstellingen bestaan even niet meer.

Ik snap heel goed dat musea als het Stedelijk in een werkelijkheid vol tegenstellingen en strijdige belangen opereren, maar ik vind het verbijsterend als die tegenstellingen worden weggemasseerd, alsof ze zomaar verdampen in speels-paradoxale pretenties. Misschien ben ik zo verbijsterd omdat ik daar op zich wel plezier aan kan beleven, maar niet als die pretenties zo evident voorbij gaan aan de gewone werkelijkheid: een museum heeft een hellingbaan nodig, een toegankelijke, die een bezoeker zelf, zonder suppoost met sleutelbos, kan gebruiken. Doodgewoon en elementair. Op de Documenta 13, vorig jaar, was bij iedere tijdelijke toiletgroep een invalidentoilet, bij ieder tijdelijk tentoonstellingshuisje een hellingbaan: voor Josh en mij een opluchting en een plezier.

Een paar jaar geleden zocht het Stedelijk een persoonlijk assistent voor de nieuwe directeur, die een “native speaker of American English” moest zijn, dus voor de zekerheid geef ik het Amerikaans-Engelse woord voor hellingbaan er even bij: ramp. Pretentieramp? Paradoxenramp? Vernoemingsramp? Werkelijkheidsbeseframp? Van alles een beetje, denk ik. Maar een hellingbaan hoeft niet duur te zijn, en valt eenvoudig bij te plaatsen, net als een liftje trouwens. Michael Kimmelman, de architectuurcriticus van de New York Times, heeft de ballon met Stedelijke pretenties netjes leeg laten lopen in een kritische bespreking van de grote vernieuwing, helemaal geschreven in Amerikaans Engels (“gonzo design” / “the new Stedelijk gloms onto the rear of the old one” / “to get its mojo back”): http://www.nytimes.com/2012/12/24/arts/design/amsterdams-new-stedelijk-museum.html?_r=0. Met minder pretenties en extra toegankelijkheid blijft er een prachtig museum over, weliswaar een volmaakt onlogische verknoping van vliegveldarchitectuur met een negentiende-eeuws kasteeltje, maar daar zetten we ons wel overheen, als er dan maar realistischer met kunst en kunstwereld, museum en bezoekerswerkelijkheid wordt omgegaan.

PS: Na het schrijven van dit stuk heb ik mijn klacht ook aan het museum gemaild, dat direct reageerde: “Er is al vaker en door meerdere personen gewezen op de slechte toegang voor invaliden. Deze opmerkingen zijn bekend bij directie en architecten, en bij een eventuele aanpassing van het entreegebied zullen deze klachten worden meegenomen. Er is wel een liftje, maar dat bleek te gevaarlijk: zodra dat gebruikt werd viel er direct iemand in het gat. Ook is er een hellingbaan, maar die geeft alleen toegang tot het museum onder begeleiding.”

Written by sytzesteenstra

4 februari 2013 at 19:08