Sytze Steenstra Blog

Archive for maart 2013

Pierre Bourdieu’s reflexiviteit: hoe er in Nederland mee wordt omgegaan

with 5 comments

Op de dag waarop ik hier een stuk over ‘De reflexiviteit van Pierre Bourdieu’ publiceerde, stond deze advertentie in de krant:

Een advertentie van NRC Media uit NRC Handelsblad van maandag 25 februari

Een advertentie van NRC Media in NRC Handelsblad van maandag 25 februari

Mij was niks opgevallen, maar J. wees me op een detail, links boven op het schoolbord in de advertentie:

detail uit advertentie boven

Een mooie inleiding voor een stuk over de manier waarop in Nederland met Bourdieu wordt omgegaan. Die is vaak verhelderend en stimulerend, maar even vaak wordt de plank misgeslagen. Vooral de reflexiviteit van Bourdieu’s werk wordt vaak volkomen genegeerd. Toch zijn die miskleunen ook welsprekend, tenminste voor zover ze iets laten zien van de barrières en drempels in het academische en culturele leven.

Ik begin met de mooie inleiding die socioloog Dick Pels schreef voor de eerste bundel teksten van Bourdieu die in Nederlandse vertaling verscheen, met de wat onooglijke titel “Opstellen over smaak, habitus en het veldbegrip”. Pels wijst precies aan wat er in Nederland vaak mis gaat als er over Bourdieu wordt geschreven: de reflexiviteit wordt verdonkeremaand. Ik begreep pas hóe raak de analyse van Pels is, toen ik zag dat er in dit opzicht weinig is veranderd in de kwart eeuw die is verstreken sinds die bundel in 1989 verscheen.

Pels noemt in zijn inleiding drie punten die inzichtelijk maken hoe de reflexiviteit onder het vloerkleed wordt geveegd. Om te beginnen is de receptie van Bourdieu’s uitgebreide oeuvre vaak gebaseerd op een beperkte keuze uit het werk, en dan ingepast in categorieën die Bourdieu zelf juist afkeurt. Pels noemt dit “een verbrokkelde, selectieve receptie die voor een deel verloopt langs precies die scheidslijnen die Bourdieu zelf als kunstmatig beschouwt en waaraan hij juist met alle macht probeert te ontsnappen”. (p. 14)

Verder was een flink deel van de Nederlandse sociologen, vooral in Amsterdam, geïnspireerd door Norbert Elias, de theoreticus van de figuratiesociologie die alle nadruk legde op het civilisatieproces op de lange termijn. Veel Nederlandse sociologen beschouwen Bourdieu gemakshalve daarom als een volgeling van Elias, wat een vertekening is. Pels citeert uit het essay ‘Kwaliteit is klasse’ (1985) van Abram de Swaan: “Bourdieu’s distinctie is een onmiddellijke voortzetting van Elias’ civilisatieproces”, en hij voegt daar aan toe: “Bedoeld of onbedoeld werkt die onderschikking van ‘distinctie’ aan ‘civilisatie’ ook als een kennispolitieke onderschikking van de ene meester aan de andere; terwijl door de onvermijdelijke normatieve ondertoon van het civilisatiebegrip en zijn definitorische koppeling aan noties als ‘effectbeheersing’, ‘demping van gevoelens’ en ‘distantie’ de scherpe, kritische, antiburgerlijke kanten van Bourdieu’s theorie worden afgeslepen.”

En het voornaamste, nog steeds volgens Pels: “Het belangrijkste verschil is wellicht dat er op een welsprekende manier wordt gezwegen over de reflexieve kant van Bourdieu’s sociologische onderneming.” (p. 17) “Ik vind het belangrijk om systematisch naar voren te halen wat Bourdieu zelf uitdrukkelijk beschouwt als het ‘distinctieve’ in zijn manier van beoefenen van de sociale wetenschap, en wat in de Nederlandse receptie van zijn werk tot nu toe is onderbelicht. Dat is de notie van de ‘reflexieve wending’, waarin de socio-analyse als onderzoek van de ‘buitenwereld’ onmiddellijk wordt gekoppeld aan de ‘auto-analyse’, of het zelfonderzoek van de onderzoekers, het onderzoek naar de ‘binnen-wereld’ van de academische intellectuelen. Het is juist deze zeldzame en prikkelende combinatie van een sterke empirische gerichtheid en ‘liefde voor de feiten’, en een even sterk verzet tegen alle eigentijdse vormen van ( beschrijvend of verklarend) positivisme en hun naïeve feitengeloof, die Bourdieu’s project van een reflexieve sociale wetenschap zo spannend maakt.” (p. 20-21)

Ik schrijf dit stuk in zekere zin omdat ik via literair weblog Ooteoote, aangelokt door een portretfoto van Bourdieu en de kop “Intellectual Rumour”, terecht was gekomen bij een artikel van de Nijmeegse hoogleraar Neerlandistiek Jos Joosten: “Dertig jaar Bourdieu in de neerlandistiek (1980-2010). Een kwantitatieve verkenning”. Dat artikel bestaat voor een goed deel uit grafiekjes waarin de hoogleraar tellingen heeft ondergebracht die hij deels ontleent aan een bestaande bibliografie van Bourdieu’s werk, deels zelf samengesteld door te tellen in tijdschriften op het gebied van de Neerlandistiek. Het artikel is bedoeld als een ondersteuning van belangstelling voor Bourdieu, het draagt ook een motto van Bourdieu, maar het tellen van Joosten steekt wel erg opvallend af tegen het werk dat ik van Bourdieu ken. Ook de methodologie van Joosten doet nogal simpel aan; Bourdieu noemt dat altijd ‘positivistisch’, vanwege het ontbreken van reflectie. Het geheel was in mijn ogen zo potsierlijk, want zo volkomen vreemd aan de aard en inzet van Bourdieu’s oeuvre, dat ik een reactie aan Ooteoote stuurde.

Een beetje kritisch mag je je wel opstellen, als het om Bourdieu gaat. Niet voor niets luidt de titel van een interview met Bourdieu in “Opstellen over smaak, habitus en het veldbegrip”: “De sociologie als stoorzender”. Reflexiviteit betekent nu eenmaal: zowel van binnen als van buitenaf kijken, verschillende perspectieven samenbrengen; dat is iets waar Bourdieu voortdurend op varieert: je moet je mond opendoen, “ouvrir sa gueule”, zoals hij het aan het begin van een televisiegesprek met Günter Grass noemt. Joosten reageerde zonder op mijn voornaamste bezwaren in te gaan, maar wel met tegenzin: hij schaarde mij onder “mensen die gemakzuchtig meesurfen op [een] populistische hype”. Het is na te lezen bij Ooteoote: (http://ooteoote.nl/2013/02/intellectual-rumour/). Wat nu? Terugschelden? Daar was het me niet om begonnen.

Daarom schreef ik eerst zelf “De reflexiviteit van Pierre Bourdieu”. Ook las ik nog een paar publicaties van Neerlandici en literaire critici waarin Bourdieu ter sprake kwam. Iedere keer viel mijn mond open van verbazing. In de neerlandistiek is “Bourdieu” blijkbaar een vlag, een code waar je je tegen af kunt zetten, of waar je je achter kunt scharen. Die plaatsbepaling, die keuze voor of tegen, is blijkbaar relevant in het “veld”, om die term maar even te gebruiken: Bourdieu’s eigen werk , daar hebben zowel voor- als tegenstanders maling aan. (Ik beweer niet dat de oraties en artikelen die ik las representatief zijn voor het hele vakgebied. Opmerkelijk zijn ze wel.)

Eerst maar even twee ‘tegenstanders’ van Bourdieu: critici Maarten Doorman en Carel Peeters, die allebei ook universitaire leerstoelen hebben bekleed of nog bekleden. Doorman, bijzonder hoogleraar literaire kritiek, schreef in zijn oratie “De vrede graast zonder genade” (2001):

“Door het de laatste decennia gerezen denken over hoge en lage cultuur komt het onderscheid tussen betere en slechtere literatuur onder schot te liggen. Sociologische analyses van Pierre Bourdieu en ten onzent Abram de Swaan laten zien hoezeer artistieke kwaliteit samenhangt met de sociale groepering die deze kwaliteit bepaalt. Dat inzicht geeft de klassieke canon een elitair – en dus volgens velen verwerpelijk – karakter. Ook maakt het kwaliteit zelf tot verdachte eigenschap, als een middel namelijk waarmee men zich van andere (lees: lagere) sociale klassen of groepen kan onderscheiden. De hierop leunende ideologische orthodoxie verbiedt het om aan de zogenaamde populaire cultuur afkeurende oordelen te verbinden en om in waarderende zin te spreken over wat elitaire cultuur heet.” (p. 18-19)

Doorman maakt van Bourdieu een soort vulgair marxist, terwijl Bourdieu in “Distiction”, waarnaar Doorman ook verwijst, juist uiteenzet dat cultureel kapitaal niet zomaar samenvalt met economisch kapitaal, er betrekkelijk onafhankelijk van is. Bovendien heeft Doorman blijkbaar geen weet van Bourdieu’s latere werk, gepubliceerd na “Distinction”, boeken als “De regels van de kunst” en “Over televisie”, waarin Bourdieu de lof steekt van autonome literatuur, en uitvaart tegen de niet-autonome manier waarop de doorsnee televisie-uitzending de werkelijkheid representeert.

Carel Peeters, literair criticus van Vrij Nederland, herhaalt dergelijke vooroordelen in 2012 nog steeds. Hij schrijft in Vrij Nederland, onder de kop “Adieu Bourdieu” (http://www.vn.nl/boeken/literaire-kroniek/adieu-bourdieu/): “De Franse socioloog Pierre Bourdieu (1930-2002) beweerde dat smaak werd bepaald door de klasse waartoe je behoorde. Er speelde zich een culturele klassenstrijd af. In ‘het veld van de macht’ bepaalde de heersende klasse de smaak. Maar de niet-bezittende klasse had niets om mee te strijden: het beschikte niet over cultureel en sociaal kapitaal.” Bourdieu, schrijft Peeters ook nog, zou tegen ‘verheffing’ zijn geweest.

Dit is niet eens een karikatuur, het is een zelf gefabriceerde boeman. Doorman en Peeters denken blijkbaar ongeveer zo: Bourdieu is socioloog, net als De Swaan. De Swaan beweert: “kwaliteit is klasse”. ‘Klasse’ is een marxistische term, en als er in het domein van de schone kunsten marxistische termen worden gebruikt, kan dat alleen maar vulgariserend zijn. Trouwens, sociologie is per definitie reductionistisch. Ergo: Bourdieu = vulgair. Dat Bourdieu zelf heel goed doorhad dat hij minstens voor de helft een product was van een bijzonder selectieve en uiterst intellectuele opleiding, dat zijn boeken intellectueel veeleisend zijn, dat hij aan het einde van ‘De regels van de kunst’ intellectuelen, kunstenaars en schrijvers oproept hun autonomie te verdedigen door zich juist in het maatschappelijk debat te mengen, nadrukkelijk met “de pleitbezorgers van l’art pour l’art” als voorbeeld (naast bijvoorbeeld Voltaire en Zola), omdat die zich verzetten “tegen de ontluikende macht van de cultuurindustrie en […] elke slaafse onderwerping aan de ‘industriële literatuur” – dat is hen blijkbaar ontgaan.

Hoe constructief Bourdieu zelf de relatie tussen sociologie en literatuur juist benaderde, daarvan zijn mooie voorbeelden te vinden op de site van Rokus Hofstede, die in zijn eentje het leeuwendeel van de Nederlandse vertalingen uit Bourdieu’s werk heeft gemaakt. Hofstede beheert samen met mede-vertaler Martin de Haan de bewonderenswaardige site Hof/Haan (www.hofhaan.nl), waar hij een aantal mooie fragmenten uit interviews met Bourdieu, en eigen artikelen over Bourdieu heeft geplaatst. Ik neem een fragment over uit een langer gedeelte dat helemaal de moeite waard is (zie: http://www.hofhaan.nl/1992/rokus-hofstede/pierre-bourdieu-literatuur-en-sociologie/):

“Ik geloof nu dat de schijnbaar extreem formalistische experimenten van Virginia Woolf, Joyce of Claude Simon veel ‘realistischer’ zijn (als dat woord iets betekent), antropologisch waarachtiger, dichter bij de waarheid van de temporele ervaring, dan de lineaire vertellingen waaraan wij door de lectuur van traditionele romans gewend zijn geraakt. (Ik stel me hier uiteraard op het standpunt van een onderzoeker, van de wetenschap, en het spreekt vanzelf dat je van de literatuur méér mag verwachten – dat ik er meer van verwacht – dan onthulling van de ‘werkelijkheid’…). Zo kwam ik er gaandeweg toe een hele reeks min of meer verdrongen vragen op de voorgrond te plaatsen, over de biografie en meer in het algemeen over het proces van interviewen, over de temporele structuur van de geleefde ervaring, en een hele verzameling ‘ruw’ geheten materiaal te verheffen tot de status van legitiem wetenschappelijk discours, dat publicatie waardig was, materiaal dat ik voordien, eerder onbewust dan bewust, geneigd was uit te sluiten.

Op een soortgelijke manier vond ik in mijn werk over Flaubert een hele reeks problemen terug waarop hij lang voor mij was gestuit en waarvoor hij oplossingen had bedacht – zoals het gecombineerde gebruik van de directe, indirecte en vrije indirecte rede, een kwestie die tot de kern van de problemen van transcriptie en publicatie van interviews behoort.”

[uit: Pierre Bourdieu, Argumenten. Voor een reflextieve maatschappijwetenschap (Fr.: Réponses: pour une anthropologie réflexive), vertaling Rokus Hofstede, SUA, 1992]

Via de afdeling ramsj van deze website is trouwens ook Bourdieu’s “Over televisie” nog te bestellen, net als bijvoorbeeld de prachtige vertaling van Prousts “Tegen Sainte-Beuve”. (Bourdieu over Proust, ook op deze site te vinden: “In zijn beschrijving van maatschappelijke mechanismen is hij volgens mij een van de grootste sociologen die heeft bestaan. Hij is buitengewoon scherpzinnig en secuur, al werkt hij voor een groot deel met zijn intuïtie. Zoals hij Madame de Cambremer karakteriseert: avancée et (en art seulement) jamais assez à gauche [‘vooruitstrevend en (alleen wat kunst betreft) nooit links genoeg’]… Voor sociologen is dat fascinerende lectuur.”

Goed, als Nederlandse critici/hoogleraren ‘Bourdieu’ gebruiken als kop van jut voor alles wat vulgair en ideologisch is, zo zijn er anderen, in het tegenoverliggende kamp van de neerlandistiek, waar ‘Bourdieu’ precies daarom, dat vrees ik tenminste, juist als boegbeeld wordt gebruikt. Aan de ene kant, bij Doorman en Peeters, wordt de autonomie van literatuur, poëzie en literaire kritiek verdedigd tegen het positivisme en reductionisme van de sociologie (en dat de reflexieve sociologie van Bourdieu anti-positivistisch én anti-reductionistisch is, is  hier blijkbaar niet opgemerkt). En in het andere kamp, bij Joosten en zijn medestanders, wordt juist gestreefd naar een objectieve, positivistische methode om literatuur en literaire kritiek mee te bestuderen, en in dat streven is sociologie een welkome medestander (dat de sociologie van Bourdieu reflexief en anti-positivistisch is, is  hier blijkbaar niet opgemerkt). (Het zou me niet verbazen als in de kunstgeschiedenis of in de muziekwetenschap precies dezelfde tegenstellingen bestaan.)

Voor ik het vergeet: wat hoop ik eigenlijk van een neerlandicus die door Bourdieu is geïnspireerd, die Nederlandse literatuur weet te verbinden met reflexieve sociologie à la Bourdieu? In ieder geval zou zo’n neerlandicus zijn onderwerp in een veld moeten situeren, en dan zijn eigen benadering ook ten opzichte van dat veld moeten situeren. Wat ik graag eens zou lezen, bijvoorbeeld, is een goed artikel of boek over de verhouding van Neerlandistiek tot studies als international business communication, of communication science: persuasive communication, of communication science: corporate communication, of communication science: youth and media. Hoe verhouden literaire teksten zich tot het soort teksten en analyses dat daar wordt onderwezen? Het is heel gemakkelijk om een maand lang geen gedicht of roman onder ogen te krijgen, maar om in Nederland je te onttrekken aan international persuasive corporate taalgebruik, daarvoor zou je je volkomen moeten terugtrekken uit het maatschappelijk leven.

En hoe verhoudt de universitaire neerlandistiek zich tot het middelbaar onderwijs? Onderwijs is van levensbelang voor het verwerven van cultureel kapitaal, onderwijssociologen zijn er voortdurend mee bezig. “Hoogopgeleiden en laagopgeleiden leven in afzonderlijke werelden”, concludeert de Belgische socioloog Mark Elchardus is een NRC-artikel van 11-12-2011 dat ik in mijn exemplaar van Bourdieu’s “Distinction” heb bewaard, omdat het er zo goed bij aansluit. Journalist Dirk Vlasblom citeert een rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau: “Of het nu gaat om gezondheid en levensverwachting, om politieke invloed, om de kwaliteit van de woning en de woonomgeving, of om de kans om werkloos te raken, de verschillen zijn soms groot en lopen langs de lijnen van het opleidingsniveau. […] Dat geldt voor zowel de hardere kant in de maatschappij (werk, school, wonen) als voor de belevings- en opiniekant (geluk, vertrouwen).” De keuze die mensen maken uit de media, en daarmee het materiaal waaruit een wereldbeeld wordt samengesteld, dat is bij hoger opgeleiden heel anders dan bij lager opgeleiden.

Nog zo’n vraag, of serie vragen: hoe verhoudt de literatuurgeschiedenis zich tot de opkomst van de massa-universiteit, de realiteit waarin universiteiten zich opstellen als Engelstalige ‘speler’ op de globaliserende onderwijsmarkt? Wat betekent het voor de neerlandistiek dat er steeds meer literatuur in het Nederlands vertaald wordt? En hoe moet de neerlandistiek zich verhouden tot “Big Theory”, zoals de enorme opkomst van de theorievorming in de geesteswetenschappen van de laatste 50 jaar wel wordt aangeduid, aanhakend bij de al wat oudere term “Big Science”? Hoe verhoudt de neerlandistiek, waarvoor de openbaarheid van de literatuur een wezenlijke voorwaarde is, zich tot het tellen van output, tot de sciëntometrie en het management die kenmerkend zijn voor de universiteiten?

Dat zijn natuurlijk heel veel vragen tegelijk, maar de categoriële indelingen waar het hier om gaat, literatuur / communicatie, literatuur / media, Nederlands / Engels, literatuur / theorie, literatuur / onderwijs, dat zijn de indelingen waarmee velden zich van elkaar afbakenen, en zulke afbakeningen (er zijn er veel meer) vormen samen een mythologie van een maatschappij. “Pas op het niveau van de structurele geschiedenis van het sociale universum als geheel treden de belangrijkste zaken aan het licht”, zoals Bourdieu schrijft in “Over televisie”. (p. 51)

Nog even terug naar hoogleraar Jos Joosten, voorvechter van “Bourdieu” in de neerlandistiek. Zijn oratie uit 2007, die ik inmiddels, met dank aan Arnoud van Adrichem van Ooteoote voor zijn verwijzing, heb gelezen, is getiteld “Niet wat de criticus moet, maar wat hij doet”. (Te lezen op http://repository.ubn.ru.nl/bitstream/2066/30095/1/30095_nietwadec.pdf.) Joosten kondigt in zijn oratie “Niet wat de criticus moet, maar wat hij doet” aan dat hij een geschiedenis gaat schrijven van de literaire kritiek na 1945, en verwijst daarbij nadrukkelijk naar Bourdieu. Joosten begint en eindigt zijn oratie met citaten uit Bourdieu’s eigen oratie, vijfentwintig jaar eerder gehouden aan het Collège de France,   “Leçon sur la leçon”. Gaat Joosten nu een geschiedenis schrijven van de literaire kritiek als veld, in de geest van Bourdieu? Ja, dat is wel wat hij in zijn oratie aankondigt. En hoe verhoudt hij zichzelf dan, reflexief, tot dat veld? Waar staat hij met zijn onderzoek?

Daar gebeurt er iets vreemds in Joostens oratie. Joosten staat het ene moment nog middenin dat veld. Hij heeft zelf ook kritieken geschreven en is in dat opzicht als hoogleraar neerlandistiek bepaald geen uitzondering (zie ook Maarten Doorman en Carel Peeters). Dat schrijft hij ook. Hij citeert een collega-hoogleraar, Thomas Vaessens, ook tegelijk criticus en neerlandicus : “Vaessens heeft gelijk dat het lastig, zoniet onvermijdelijk, is om je als actief neerlandicus buiten het terrein te houden dat ook – ten dele – je onderzoeksobject is of kan zijn. Onvermijdelijk omdat je nu eenmaal boeken en andere publicaties maakt die bijna altijd voor een groter publiek relevant zijn dan de vakgenoten en die bijvoorbeeld door de literaire critici van dag- en weekbladen worden besproken. Tot op zekere hoogte is het,denk ik, zelfs zeer wenselijk dat de neerlandicus vanuit zijn specifieke expertise bijdraagt aan het maatschappelijk debat over literatuur. De vermenging is ten dele onvermijdelijk.” (p. 12; Ik denk dat Joosten de eerste twee keer waar hij in dit citaat  “onvermijdelijk” schrijft, bedoelt: “onmogelijk”.) Joosten verwijst nog eens naar Bourdieu en rondt dan af, nog op dezelfde bladzijde: “Wij kunnen ons dus niet koesteren in de illusie van onpartijdige objectiviteit, zoveel is duidelijk.”

Ik schreef: “rondt dan af”, maar Joosten gebruikt deze zin juist als springplank om zichzelf toch, hoe paradoxaal ook, een objectieve positie toe te dichten. Hij vervolgt met de zin: “Maar ik denk niettemin dat het juist met betrekking tot literatuurkritiek noodzakelijk – en relatief eenvoudig – is om uit te gaan van distantie tot het onderzoeksveld.” Even later haalt Joosten een eigen definitie van literatuurkritiek als “subjectief” aan, en dan schrijft hij doodleuk: “Met deze definitie lijkt me de scheiding tussen subject en object tussen wetenschap en kritiek kristalhelder en daarmee de eerste stap gezet op weg naar een afstandelijker kijk op wat de literaire kritiek doet.” (p. 13) De redenering is deze: ik ben net als andere critici, maar omdat ik definieer dat critici subjectief te werk gaan, ga ik zelf objectief te werk. Joosten beschrijft verder hoe andere bijzonder hoogleraren/literair critici die de literaire kritiek bestudeerden zich altijd normatief over kritiek hebben uitgelaten, maar dat hij nu als eerste de literaire kritiek eens objectief zal bestuderen: dat bedoelt hij met zijn titel “Niet wat de criticus moet, maar wat hij doet”. Maar de reflexieve stap, het inzicht dat in de wetenschap juist van het streven naar objectiviteit een enorme normatieve werking uitgaat, die laat Joosten achterwege. En weliswaar schrijft Joosten in zijn dankwoord aan het einde van zijn oratie: “ikzelf ben natuurlijk ook maar een ignorante pion in het veld”, maar twee bladzijden eerder schrijft hij tevreden dat “we als neerlandici natuurlijk wel degelijk kunnen bogen op een enorme expertise: niet alleen tekstanalytisch, maar ook historisch en zeker ook systeemtheoretisch.”

Is dan het ene veld subjectief, het andere objectief? Is de literaire kritiek als geheel subjectief, de wetenschappelijke neerlandistiek objectief? Joosten lijkt vooral op zoek te zijn naar een objectieve methode, iets wat zijn onderzoek losmaakt van, en misschien ook uittilt boven, de onzekerheden en subjectiviteiten van de literaire autonomie en van de literaire kritiek. Dat is tenminste ook het thema van zijn artikel “De vraag naar een methode. Over de analyse van literaire kritieken” (http://repository.ubn.ru.nl/bitstream/2066/78734/1/78734.pdf.), waarin van Bourdieu geen sprake meer is, maar waarin Joosten een andere theorie over literatuur uiteenzet, ditmaal van Van Heydebrand en Winko. Ook van reflexiviteit is nu geen sprake meer.

Bourdieu heeft een andere benadering van literatuurkritiek en literatuurwetenschap voorgesteld. In zijn “Leçon sur la leçon” nam Bourdieu zich voor uiteenlopende maatschappelijke deelgebieden, ‘velden’, te beschrijven in termen van een configuratie van relaties. De literatuurwetenschap is een voorbeeld van zo’n veld, dat Bourdieu ook inderdaad even noemt: “C’est ainsi que l’on pourra penser telle polémique située et datée entre un critique d’avant-garde et un professeur patenté de littérature comme une forme particulière d’une relation dont l’opposition médiévale entre l’auctor et le lector ou l’antagonisme entre le prophète et le prêtre sont d’autres manifestations.” (p.40) Ik vertaal even: “Op deze wijze is het mogelijk om het even welke polemiek tussen een avantgarde-criticus en een officiële hoogleraar letterkunde te begrijpen als een bijzonder geval van een relatie waarvan de middeleeuwse oppositie tussen auctor en lector, of het antagonisme tussen de profeet en de priester, andere voorbeelden vormen.”

Dit verdient een toelichting. De tegenstelling tussen profeet en priester waarover Bourdieu het heeft, is een thema dat is uitgewerkt door Max Weber in het hoofdstuk over godsdienstsociologie in zijn sociologische standaardwerk “Wirtschaft und Gesellschaft”. De profeet (tenminste het zuivere “ideaaltype” dat Weber schetst) heeft geen andere autoriteit dan die van zijn persoonlijk charisma. Hij profeteert niet om er geld mee te verdienen, en staat in dat opzicht tegenover de bedrijfsmatig en regelmatig opererende priester. De tegenstelling tussen ‘auctor’ en ‘lector’ heeft Bourdieu zelf verder uitgewerkt in “De regels van de kunst”, en met name in een paragraaf over “De voorwaarden van het zuivere lezen”. Bourdieu noemt dit ‘zuivere lezen’ een sociale institutie; het is de specifieke vaardigheid van de officiële beroepslezer, de hoogleraar in de letteren, die in staat is iedere auteur te interpreteren, iedere tekst te lezen zoals die verdient te worden gelezen. (Analoog aan de manier waarop de priester het persoonlijke charisma van profeten in goede, vaste, regelmatige en orthodoxe banen weet te leiden.) Zoals Max Weber een ongebruikelijke, sociologische en economische kijk op religieuze verschijnselen bood, zo deed Bourdieu dat met het literaire veld, waarvan zowel auteurs als critici en hoogleraren deel uitmaken. Bourdieu pleit voor een sociologisch begrip van dit veld; een reflexief begrip, waarbinnen de socioloog ook het eigen onderzoek moet situeren.

Waarom zou de ‘objectiviteit’ die Joosten aankondigt nu iets anders zijn dan het ‘zuivere lezen’ dat Bourdieu beschrijft en kritisch fileert? Bourdieu wijst er in zijn hele oeuvre op dat subjectiviteit en objectiviteit altijd in veld en habitus verknoopt zijn, een harde les die hij van boek tot boek, steeds vanuit een wat andere richting, herhaalt en uitdiept. Het is ook een pijnlijke les: “We zijn er nooit zeker van dat we het subject zijn van wat we zeggen… Wat we zeggen is veel minder origineel dan we denken. Maar dat geldt misschien vooral in werelden waar de collectieve dwang en vooral de concurrentiedwang zeer sterk is […]” Dat schrijft Bourdieu in ‘Over televisie’ (p. 28), maar waarom zou dit niet even sterk gelden voor de academische wereld? Dat is de reflectie die bij Bourdieu voortdurend meespeelt, maar die ik bij Joosten mis. Het is het verschil tussen methodologie en reflexiviteit – in mijn ogen niet minder groot dan dat tussen dag en nacht.

Advertenties