Sytze Steenstra Blog

Archive for the ‘poëzie’ Category

Hoe alles zacht neuriet. Een lezer als schilder (voor Ben Leenen)

with 2 comments

Nieuw werk van Ben, als ik dat zie, zeker als hij een hele muur vol heeft gehangen, of als ik in zijn atelier sta, of als ik in zijn huiskamer ben waar ook altijd veel van Bens werk ligt en hangt, omdat de huiskamer ook als huisatelier dient — steeds als ik nieuw werk van Ben zie is het alsof alles zacht neuriet. Ik ben geen ochtendmens. Het kan wel een paar uur duren voor ik de slaap helemaal van me afgezet heb. Muziek kan het ontwaken verzoeten, een vleug is genoeg om moeiteloos vanuit de slaap in het waken te glijden. Bens werk lijkt iets van datzelfde gemak te bevatten. Er zit in die prenten, schilderijen, brieven een gewaarwording opgeslagen die me doet denken aan de verademing van het muzikaal ondersteunde ontwaken, noem het neuriën.

In het atelier van Ben

In het atelier van Ben

 

*

 “Aloof, as if looking through thick glass into an aquarium she watched faces, fruit in store windows, cans of vegetables, jars of olives, redhotpokerplants in a florist’s, newspapers, electric signs drifting by.”

Het is een citaat uit “Manhattan Transfer” van John Dos Passos; pagina 121, schrijft Ben er bij. Ik kopieer het citaat uit een brief waarin Ben het ontstaansproces van een prent, een houtsnede toelicht; de brief is geschreven rondom een proefdruk van de houtsnede. Ben heeft prent afgedrukt op goedkoop papier, voorzien van een datumstempel; de prent is omzoomd met oranje kleurpotlood, de brief is geschreven op een strook naast de prent, in rode balpen, het citaat van Dos Passos in blauwe balpen, toelichtingen bij de prent zelf in zwart potlood binnen het oranje kader. Ook naast het citaat van Dos Passos staat nog een toelichting: “Dit was de “trigger” samen met het bezoek aan de Japanse supermarkt – beide gebeurtenissen zijn debet aan dit drukwerk-project (onder de naam E-FISH)”

De brief met het Dos Passos citaat

De brief met het Dos Passos-citaat

Bens beeldende oeuvre is bezaaid met citaten en verwijzingen, met dichtregels en flarden uit het werk van Ezra Pound, T. S. Eliot, William Carlos Williams, James Joyce, Charles Olson en andere dichters en schrijvers, Engelstalige zowel als Duitstalige (Friederike Mayröcker, Ingeborg Bachmann, Thomas Bernhard). Bens boekenkast, een forse, staat vol met hun werken, en met andere modernisten en experimentelen, en met commentaren, literaire traktaten, essays, literaire tijdschriften. Het zijn vaak moeilijke dichters, onmatig in hun experimenten, het onderling openlijk oneens, onoverzichtelijk; de lezer moet de tekst niet zelden zelf herscheppen en is daarbij aangewezen op commentaren, zo goed als de poëzie zelf commentaren in zich heeft opgenomen. De traditie die ooit bepaalde aan welke regels een gedicht moest voldoen en welke onderwerpen geschikt waren, geldt niet meer, en alles ligt open. Overzicht is onmogelijk, fragmenten zijn wat er over is.

*

Het werk van Robert Rauschenberg, die net als John Cage en Morton Feldman ook tot de ijkpunten hoort die Ben gebruikt, is wel eens getypeerd als neerslag van een manier van kijken die in het Engels de “vernacular glance” is genoemd. De losse collages van Rauschenberg, waarin van alles en nog wat naast elkaar voorkomt, als neerslag van de spreektaal-blik: de alledaagse manier van kijken die voortdurend zwenkt en keert, van een etalage naar een naderende autobus, een stoplicht, een paar voorbijgangers, een vlek op de stoeptegel vlak voor je, en naar de overkant van de straat. Bestaat er ook een lezende blik, even alledaags als de “vernacular glance”, maar magnetisch aangetrokken door letters, opschriften, krantjes, tekstborden, uithangborden, mededelingen, boeken, aantekeningen, codes, nummers, kassabonnetjes, citaten en teksten die zich laten citeren? Ja, natuurlijk.

 

*

Bens carrière als beeldend kunstenaar is de carrière van zo’n lezer. Voor zo ver ik het werk van Ben ken, is het altijd verbonden met het lezen. Ben dreef jarenlang een eigen (marge-)poëzie-uitgeverij, The Elephantine Press, waarvoor hij de gedichten op de typemachine uittikte, kopieerde, met de hand lijmde en zelf de houtsneden voor de omslagen drukte. Daarnaast maakt Ben jarenlang prenten, gedrukt op papieren zakken, voor het Maastrichtse antiquariaat Hermione, en later maakte hij nog houtdrukken voor het antiquariaat van Neale Williams, en illustraties voor een vertaling van de fabels van Aesopus. Bovendien is Ben een mail-artist: kaarten en brieven met tekeningen en tekst horen ook bij zijn werk. En dan zijn er de teksten, letters, en citaten in de prenten en in de schilderijen. Maar het belangrijkste is misschien wel dat veel motieven vrijelijk circuleren tussen al die media; net zoals het gelezene overal kan opduiken, zo laat Ben zijn motieven steeds weer verhuizen: van schetsboek, briefkaart en aantekenboekje naar houtsnede, naar schilderij, naar dichtbundel, naar object (de drukplaten van de houtsneden laten zich goed hergebruiken in kleine sculpturen) en terug. In steeds andere kleuren, in steeds andere combinaties, in wisselende technieken, met toenemende verfijning en met groeiende ervaring en vakmanschap. Ieder nieuw werk is een commentaar bij het vorige, een correctie, een aantekening van de typograaf of de corrector, een kleine voetnoot of een gewaagd essay dat nieuwe wegen in de interpretatie inslaat. Maar elke keer weer is het een lezing, en een herlezing.

Vitrine met boeken van de Elephantine Press

Vitrine met boeken van The Elephantine Press

Daar hoort bij dat een werk nooit definitief af is. Verdere interpretatie is in ieder geval nooit uit te sluiten. En bij het voorlopige karakter, het ‘werk-in-uitvoering’, het verschuiven van het ene medium naar het andere, hoort ook dat in zekere zin al Bens werk een performance is, of tenminste zonder iets geweld aan te doen zo opgevat kan worden. Schets, houtdruk, schilderij, performance en boek liggen in elkaars verlengde en lopen in elkaar over.

Dat drong voor het eerst tot me door toen ik alle fases en resultaten gezien had van een performance die Ben in september 2009 uitvoerde. Tijdens de performance, die ongeveer anderhalf uur duurde, bedrukte, bestempelde of beschilderde Ben een doek dat hij op de grond had gelegd. Onder zijn schoenen had hij twee rechthoekige plankjes gebonden. De plankjes onder zijn linker- en rechtervoet waren twee verschillende stempels: links een vierkant (onder de hiel) met een rechte streep (onder de tenen), rechts twee gelijkzijdige driehoeken (een onder de hiel en een onder de voorvoet). De performance was zorgvuldig voorbereid. Een houten raamwerk met een rasterwerk van touw verdeelde het doek in 6 keer 6 vierkante vakken. Ieder vak was groot genoeg voor Ben om er met beide schoenen, dus met beide plankjes, die samen ook ongeveer een vierkant vormden, in te staan. Door van het ene vak op het doek naar het andere te stappen, en tijdens die overstap een kwartslag of een halve slag te draaien, kon Ben allerlei variaties van gestempelde vierkanten en driehoeken maken. Ben had het proces tot in detail voorbereid: iedere drukgang, oftewel iedere danspas in het langzame schildersballet, had hij van te voren genoteerd in een diagram. De diagrammen, drieënveertig in totaal, had hij bijeengebonden in een boekje, dat hij tijdens de performance raadpleegde, een navigatiesysteem voor zijn schilderij in wording. De precieze compositie liet, zoals dat gaat, de rol van het toeval en van het onvoorbereide des te scherper uitkomen. Tijdens de performance bleek steeds weer dat het Ben niet meeviel om zich staande te houden. Draaiend en navigerend, slippend en wankelend stapte hij steeds van het doek op het dienblad met verf dat hij als stempelkussen gebruikte, en weer terug op het doek. Het werk was inspannend. Op de video die ik maakte is te zien hoe Ben al snel rood aanliep, en met het haar nat van het zweet, een houten lat als een herdersstaf in de hand om overeind te blijven, geconcentreerd verder zwoegt. De acrylverf waarmee Ben stempelde, voegde aan de vierkanten en driehoeken een feest van toevallige nerven en vlekken toe, en de rol van het toeval is nog groter doordat Ben na de eerste rondgang met zwarte verf nog een aantal stappen op het doek toevoegde met verf die het midden hield tussen oranje en oker, zodat helder gekleurde vlekken en nerven zich mengden tussen het zwart. Wat was nu het centrale gegeven van deze performance? Was het het schilderij dat uiteindelijk hoog aan de muur kon worden opgehangen, als eindresultaat, of was het de wankele, precieze maar ook komieke dans? Was het grote schilderij belangrijker dan het kleine diagram waardoor het was voorbereid? Was de dans belangrijker dan het navigatiesysteem, het boekje vol diagrammen? (Ben had dat boekje trouwens weer voorzien van een kaft van een andere houtdruk van toevalsprocessen, een prent waarop hij de vlekken afbeeldt die stroken plakband hebben achtergelaten, uitvergroot en voorzien van nog meer “at random” opduikende vlekken en spikkels in een proces van herhaaldelijk fotokopiëren en uitvergroten.) Of was het eindresultaat een ander boek, dat een paar maanden later in hetzelfde jaar 2009 opdook? Toen gebruikte Ben hetzelfde patroon van elkaar afwisselende en overlappende vierkanten en driehoeken voor het kaft van (de bibliofiele versie van) “Ine Schröder”, een boek over het beeldende werk van, jawel, zijn partner Ine Schröder. Ik denk dat ieder aspect, iedere fase van het werkproces evenveel aandacht verdient, de veelvormige aandacht of “polyattentiveness” waar John Cage, niet voor niets een van Bens helden, naar streefde.

van links naar rechts: het complete diagram; de eerste stap van de performance in het navigatieboekje; de boekomslag

Van links naar rechts: het complete diagram; de eerste stap van de performance in het navigatieboekje; de boekomslag

 

*

Ben is opgeleid aan de Maastrichtse kunstacademie. In 1990, toen ik in Maastricht ging wonen, werd daar schilderles gegeven door docenten die zichzelf graag in de grote Franse schilderkunstige traditie plaatsten. Tien jaar daarvoor, toen Ben op de academie zat, zal het niet veel anders zijn geweest. Cézanne, Matisse, Picasso — en als volgende stap in de denkbeeldige historische ontwikkeling kwam dan, mirabile dictu, de Academie voor Beeldende Kunsten Maastricht. Daarnaast was er ook in de Maastrichtse academie de invloed van het Bauhaus, het onderzoek naar de elementen van kleur en vorm. En als derde element, verdund en indirect, de invloed van de neo-avantgardes en van het conceptualisme. Met daarbij natuurlijk ook Joseph Kosuth’s radicale verklaring dat schilderkunst simpelweg irrelevant is. Het is, zacht gezegd, een verwarrende situatie van richtingen en stromingen, soms ook van kliekjes. Eén van de manieren om een weg uit die verwarring te zoeken, is om binnen het beeldende kunstwerk zelf een scheiding aan te brengen tussen het mentale en conceptuele, de geestelijke infrastructuur, het abstracte, eventueel via de semiotiek te benaderen, en aan de andere kant het externe, de min of meer conventionele en expressieve weergave van de zichtbare werkelijkheid.

Ben op de opening van een tentoonstelling van zijn werk in Museum Valkenburg

Ben op de opening van een tentoonstelling van zijn werk in Museum Valkenburg

Doordat hij zich zo verbonden heeft met de modernistische poëzie en literatuur, waarin ten overvloede duidelijk is gemaakt dat het zo rechtstreeks en onmiddellijk mogelijk vangen en vastleggen van de individuele ervaring, zoals in het Imagisme van Pound, al heel gauw hand in hand gaat met een woekering van complexe problemen (“Make it new!” was al vanaf het begin een uitdijend onderzoek naar culturen en tradities), misschien door die verbinding onttrekt Ben zich niet aan al deze problemen, maar hij kan de verbrokkeling onbekommerd accepteren. Het abstracte, semiotische, conceptuele schildert en drukt hij onbekommerd naast en tussen conventionele en expressieve stadslandschappen, vaak herinneringsbeelden die hem jaren zijn bijgebleven. De scheidslijn tussen het conceptuele en het schilderkunstige hanteert Ben met nonchalance. Bij mij in de tuin lag een week lang een tuinslang van twintig meter lang, eerst een stuk langs wat struiken en langs het grasveld in een rechte lijn, en dan met een zwaai terug naar het begin, in bochten en zwenkingen over die heengaande rechte lijn gedrapeerd, als een slordig getekende vioolsleutel of een nonchalant gekrabbelde handtekening. Zo ziet, denk ik, voor Ben de verhouding tussen vormen van abstractie en tussen meer traditionele schilderwijzen er uit: ze moeten elkaar kruisen, tegenvormen ontwikkelen, elkaar soms half overschaduwen, letterlijk een beetje verf of inkt aan elkaar afgeven, zodat ze als een streepje kleur langs de rand van de ander staan.

Het pittoreske van een landschap, het overzicht van een landkaart, het conventionele van citaten in geschreven taal, de weer andere conventies van uithangborden en etalages, de ook allang weer traditie geworden experimenten van het modernisme, dat zijn allemaal werkwijzen die Ben hanteert. Niet om er een nieuw concept voor in de plaats te zetten, of om tot een nieuwe synthese te komen, maar vanwege het plezier in de afwisseling. En in de overtuiging, niet minder sterk dan de overtuiging die nodig is om een ‘—isme’ ingang te doen vinden, dat een enkele beeldtaal niet nodig is voor wie de onmisbaarheid en de beperking van verschillende verhoudingen tot het beeld aan zichzelf heeft toegegeven. Die overtuiging is Ben met hartstocht toegedaan. “Orewoet” noemt Ben het wel eens, zijn gedrevenheid, met een woord van Hadewijch, dertiende-eeuws dichteres en mystica, een woord dat tegelijk drift en weemoed, brandende begeerte en smart zou omvatten.

*

Er is een reeks motieven die Ben steeds opnieuw laat terugkomen. Stalen bruggen, waarvan het kruisende lijnenspel van de staalconstructie volop gelegenheid biedt om abstracte, bijna op-art-achtige rasters en kleurcontrasten te schilderen, samen met de grens tussen land en water, havenbuurten. Daken in de stad, opnieuw met repeterende vormen en lijnen, de grens tussen beschutting en de open lucht. Boomstammen in de stad, vogels, vissen — in het water en in de vishandel of de supermarkt — vertegenwoordigen de natuur, maar ook weer, net als het land en de lucht, half binnen en half buiten de stad. En dan natuurlijk de letters, de schreefloze letters van het modernisme, en de cijfers en de woorden, de citaten (meestal alleen de aanzet tot een citaat), die net als de H-balken, de T-balken en de I-balken van de stalen bruggen het beeld verstoren met hun eis om gelezen te worden buiten het picturale kijken om, zodat ze het beeld minstens voor de helft overleveren aan de scholen, de zwermen, de stromen en wolken van tekst.

Als Ben een plaats heeft in de kunstgeschiedenis (en waarom zou hij die niet hebben?) dan is die plaats niet op een chronologische tijdbalk, maar in een stad aan de rivier waar de voorbije honderd jaar aanwezig zijn, een stad met boekwinkels en antiquariaten waar alle eigenaren Ben heten: Ben Shahn, Ben Vautier en Ben Katchor. Vanaf de brug bij de haven zie je landinwaarts twee grote bergen: de Robert Rauschenberg en de Saul Steinberg.

Zoals ’s ochtends vroeg muziek die ik hoor mijn gedachtestroom opneemt in een grotere stroom, zo is het een melancholieke en blije gewaarwording dat die rivier van drukwerk en schilderijen en letters onder die brug door blijft stromen, naar de zee, die er niet merkbaar voller van wordt.

Vrienden 'bladeren' door een rij schilderijen tijdens een expositie in de Jekergalerie in Maastricht

Bladeren door een rij schilderijen tijdens een expositie in de Jekergalerie in Maastricht

Advertenties

Written by sytzesteenstra

6 september 2013 at 21:05

Interview met een brood (voor Hans Kloos)

with one comment

Op 26 mei verscheen een nieuwe bundel gedichten van Hans Kloos, De interviews. De presentatie vond plaats in het Amsterdamse café The Cotton Club, waar K. Michel en ik samen het voorprogramma mochten verzorgen. Hans had ons uitgenodigd zelf ook een interview (in de allerruimste zin van het woord) te maken; mijn interview staat hier onder. De interviews verscheen bij uitgeverij De Contrabas. Op de site van Hans Kloos zijn als voorproefje vijf gedichten te lezen. (In juli vorig jaar had ik het hier al even over Hans’ interview met Hmhm.)

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

‘De interviews’, tekening: Han Hoogerbrugge

Dames en heren,

ik wil voor u graag een brood interviewen. Dat is natuurlijk niet eenvoudig. Brood is soms niet zo spraakzaam, brood kan verlegen zijn, of zich in het gesprek verschuilen achter de clichés die we allemaal al kennen, dus ik ga u vragen mij zo veel mogelijk te helpen.

Om te beginnen wil ik u vragen zich voor te stellen dat het gaat om een televisie-interview. U bent het studiopubliek. U hoort om te beginnen de tune van het programma, schetterende muziek met een dwingende beat, een kopersectie van trompetten en saxofoons nagebootst op een synthesizer. Misschien kunt u zich de begintune van Miami Vice herinneren? Zoiets wil ik graag, maar als ik het zelf probeer te zingen klinkt het als de tune van Dallas, dus dat laat ik achterwege. Als u de muziek in uw verbeelding heeft aangezet, komt de interviewer binnen, die beroemd is om zijn vlijmscherpe en razend intelligente vragen.

interviewer: Dames en heren, hartelijk welkom in de studio, waar we vanavond iemand te gast hebben die we allemaal kennen, iemand van wie we allemaal denken dat we weten hoe hij in elkaar zit, maar van wie ik hoop dat hij zich vanavond van een verrassend persoonlijke kant wil laten zien: brood. Meneer brood, dank u wel dat u heeft willen komen vanavond, hartelijk welkom, gaat u zitten.

De vraag waar ik mee wil beginnen ligt voor de hand. We kennen uw bevlogenheid. Uw leven staat in het teken van een persoonlijke missie: ‘brood met liefde en passie als enige toevoeging’. U weet dat over liefde en passie al veel is gezegd en geschreven. Wilt u ons vanavond nog één keer vertellen wat dat voor u betekent, in uw leven?

brood: Meneer Steenstra, dank u wel dat u mij heeft uitgenodigd. Ja, ‘brood met liefde en passie als enige toevoeging’, die vraag had ik natuurlijk van u verwacht, en ik zal er geen doekjes om winden. Ik weet dat er mensen zijn die mij daarom uitlachen, en daar hoort u zelf ook bij, meneer Steenstra. Ik weet wel dat u graag cynische grappen maakt. Sarcasme is uw handelsmerk, en ik heb via via gehoord dat u over mij gezegd heeft, “brood met liefde en passie als enige ingrediënt, wat is dat nou voor flauwekul? Ik heb liever brood met meel en gist als ingrediënten dan dat soort onzin. Liefde en passie in een broodzak – tsjeesis.” Ja, ontkent u het maar niet, zulke dingen zegt u, ook al heeft u vast en zeker niet de moed om het mij hier recht in mijn gezicht te zeggen, vanavond.

Maar ik kan u nu eindelijk eens rechtstreeks zeggen, van brood tot man, dat u moet ophouden om u met uw grappen dommer voor te doen dan u bent. U begrijpt volgens mij verdomd goed waarom er op mijn jasje staat dat ik “liefde en passie als enige toevoeging’ heb.

interviewer: eeeh, ..

brood: Nee, u moet me nu niet in de rede proberen te vallen. En voor u er grappen over maakt zal ik er maar zelf over beginnen: ik heb ook nog een sticker, en daarop staat: “Een unieke combinatie van een originele melange van granen en zaden met een authentieke bereiding. Donker brood met een knapperige korst.” En ja, dan staat er ook nog: “Het leven is genieten.” Dus ja, uniekorigineel, — authentiek, en als klap op de vuurpijl: het leven is genieten. Ja.

interviewer: U klinkt heel verontwaardigd, u blaast zich op, maar u bent toch gewoon een voorgesneden brood uit de supermarkt?

brood: Kijk, daar begint u alweer. Dat is precies de elitaire benadering die ik verwacht had, en waarop ik me had geprepareerd. Voor u ben ik maar gewoon, voorgesneden, alsof ik gesneden koek ben. Voor u met uw elitaire vrienden. Mag ik even tussendoor vragen: heeft u jarenlang in de grachtengordel gewoond?

interviewer: Eh, ja, maar wat heeft dat er eigenlijk mee te maken?

brood: U en uw vriendjes uit de elite, filosofen, dichters, kunstenaars, u heeft natuurlijk kritiek op mij, u staat daar ver boven, denkt u, maar ik zal u wel vertellen, mijn slogans, mijn teksten, dat is de poëzie van de werkelijkheid. De poëzie van de werkelijkheid, ja. Als u de moed heeft om eerlijk te zijn, dan weet u verdomd goed wat dat betekent, dat ik liefde en passie ben. Ik sta in contact met de werkelijkheid, dat betekent het. In de echte wereld ben ik een voorgesneden brood uit de supermarkt, ja, maar een brood voor welstandsklasse A, zal ik maar zeggen, een brood voor mensen die zichzelf durven te verwennen. Liefde en passie, dat heeft niets te maken met hartstocht, behalve dan dat ik me onderscheid van het goedkopere standaardbrood, en van de goedkope onder beschermende atmosfeer verpakte afbakbroodjes. En daarom liggen die ook in verticale rekken, terwijl ik bijna horizontaal mag liggen, meer floor space mag innemen. Ik lig op kratjes die wel van bruin plastic zijn maar die toch een houtnerf hebben, alsof het een kraam ergens op een marktplein is. Niets is wat het lijkt, alles verwijst naar iets wat het juist niet is, geen woord is eenvoudig, geen beeld is eenduidig, alles maakt deel uit van een hogere werkelijkheid.

interviewer: Ik vraag het nóg een keer: u bent toch gewoon een voorgesneden brood uit de supermarkt?

brood: Daar heb je uw insinuatie weer dat er iets gewoon aan mij zou zijn, of aan een supermarkt. U heeft geen idee! Daar lijkt het tenminste op. En u bent ziende blind. Ziet u soms niet hoe de ene helft van mijn verpakking van papier is, eerlijk, ouderwets, nostalgisch papier, en de andere helft van plastic, modern, luchtdicht, en transparant, zodat de klant kan zien wat hij koopt? Heeft u er wel eens over nagedacht wat dat betekent in termen van ingenieurs, machinepark, onderzoek naar sneldrogende lijm, zo’n verpakking als die van mij, tegelijk oud en modern? Origineel, ambachtelijk, authentiek, en tegelijk: pure technologische avantgarde! En ik ben maar één produkt, temidden van duizenden andere, de hele supermarkt zingt een lied van lyrische overgave. De liefdesliederen van de Levendige Kleur conditioner, de Bourgeois Geluk mousse, de Verrassend Volume lift-up paste — het is iedere dag Songfestival in het gangpad van persoonlijke verzorging. Er is geen gangpad, geen koelvitrine, geen schap zonder toegevoegde emotie.

Als ik even mag citeren, uit een prozagedicht dat is geschreven door mijn de afdeling lighting van mijn systeeminrichter: “Vers gebakken brood en broodjes moeten de indruk wekken dat ze net uit de oven komen. Verlichting met witgele of roodbruine tinten maakt dat zij er knapperig en smakelijk uitzien om de klanten te verleiden. Dit kan bereikt worden door de versheid te benadrukken met een champagnekleurige optiek.” Champagnekleurige optiek, meneer Steenstra, dat is wat ik verdien, en dat is wat ik heb. Heeft er ooit iemand een champagnekleurige optiek boven uw bureau gehangen? Ik bedoel maar!

Is het Rijksmuseum net heropend? Voor de koelvitrine met de zuivel ligt een grote sticker op de vloer met de tekst: “Hier staan is kunst ervaren”, en in de vitrine staan melkpakken met reproducties van meesterwerken, topkunst, stuk voor stuk excellente en wereldberoemde schilderijen van grote namen. Doen we mee aan een internationaal voetbaltoernooi? Wij hebben de emotie. Komt er een nieuwe koning? Wij hebben de emotie. Houdt uw kind van dieren? Wij hebben de emotie, en die voegen wij toe.

En daarom, omdat wij de emotie hebben, kan ik gerust zeggen dat ik ‘liefde en passie als enige toevoeging’ heb. Ik ben uniek, ook al ben ik doodgewoon, en ik ben origineel en authentiek, omdat ik het recht verdiend heb om dat op te schrijven, want ik heb er  hard voor gewerkt en ik heb de logistiek, de organisatie, en de technologie die nodig zijn om te zeggen: Het leven is genieten.

Interviewer en brood. Foto Aja Schwarz

Interviewer en brood. Foto Aja Schwarz.

Maar als u denkt dat er nog andere emoties zijn, meneer Steenstra, een andere werkelijkheid, dan gaat u uw gang maar, maar ik waarschuw u: Mijn emotie is getest en gebenchmarkt. Uw liefde en passie zouden wel eens onprofessioneel kunnen zijn, inefficient. U denkt misschien dat u zelf mag weten wat uw emotie is, maar bij mij op de zaak noemen we zo iemand een amateur.

interviewer: Dames en heren, mijn excuses — ik had dit werkelijk niet verwacht, ik kon dit niet weten. Het spijt me dat mijn gast stampvoetend is weggelopen. Een interview is altijd een risico, hoe goed we ook met de hele redactie tijdens de voorbereiding en in het  voorgesprek ons best doen om verrassingen uit te sluiten. Soms maakt gesneden brood van zijn hart geen moordkuil. We hadden afgesproken vooral te zullen praten over die leuke Franse baguette, over de mening van dit Nederlandse brood over zo’n charmante Franse collega, en wat dat allemaal betekent voor de eigen identiteit. Het was goed doorgesproken… maar een verrassing kun je nooit helemaal uitsluiten, dat is echte televisie. Ook dat is interviewen. Nogmaals, mijn excuses.

Het is tijd, ik moet afscheid nemen, maar ik wil nog even uw aandacht vragen voor mijn collega-interviewer Hans Kloos, die veel meer en veel uitdagender gesprekspartners aan zijn bureau heeft gehad dan ik, en die er ondanks dat allemaal nog fris bijzit, alsof zo’n interview je niet een jaar van je leven kan kosten, alsof gesneden brood niet de nagel aan je doodskist is.

Dames en heren, Hans Kloos!

Hans leest voor. Of beter: Hans dirigeert het publiek tijdens het samen, in call-and-response, declameren van zijn gedicht "In de grote winkel".

Hans leest voor. Of beter: Hans dirigeert het publiek tijdens het samen, in call-and-response, declameren van zijn gedicht “In de grote winkel”. Foto: Aja Schwarz.

Written by sytzesteenstra

29 mei 2013 at 11:41