Sytze Steenstra Blog

Archive for the ‘sociologie’ Category

Gezocht: de vijf eerste nummers van ‘Liber’ (1989-1990)

leave a comment »

Wie heeft voor mij de eerste vijf nummers van ‘Liber: Revue Internationale des Livres’ uit 1989 en 1990? Bij voorkeur in het Frans, Duits, of Engels?

‘Liber’ was een initiatief van Pierre Bourdieu, de grote socioloog. Het was opgezet als een Europese, internationale variant op de New York Review of Books. De eerste reeks van vijf nummers, een per kwartaal, verscheen in vijf talen: Frans, Italiaans, Engels, Duits en Spaans, als bijlage van 24 bladzijden bij Le Monde, L’Indice, The Times Literary Supplement, de Frankfurter Allgemeine Zeitung en El Pais.

Ik zou ‘Liber’ graag lezen voor een project waaraan ik werk, over Bourdieu en de toepassingen van reflexiviteit. Natuurlijk betaal ik de portokosten en een redelijke vergoeding. Neem even contact met me op via: sytzesteenstra@mixed-media.info.

Ik houd me overigens ook aanbevolen voor de eerste jaargang (vanaf 1975) van Bourdieu’s sociologisch vaktijdschrift ‘Actes de la recherche en sciences sociales’. Dat is wel online te vinden, maar daar ontbreken de illustraties, die voor sommige artikelen van wezenlijk belang zijn, om copyright-redenen.

Advertenties

Written by sytzesteenstra

6 mei 2019 at 11:56

Experimentele romantiek: een begin

leave a comment »

Ik werk al een poos aan een nieuw boek, met als onderwerp een manier van denken/onderzoeken/kijken/voelen die veel meer ruimte geeft aan reflexiviteit en samenhang dan gangbaar is. Tijdens de research en tijdens het schrijven kom ik heel vaak dingen tegen die me interesseren, die er bij horen, die aansluiten bij mijn thema, maar die ik niet in mijn boek kan plakken, of waarvan het raakvlak bij nader inzien toch te klein is. Mijn plan: die dingen de komende tijd wel hier op mijn blog plakken, vertellen, of laten zien.

Wat ik precies bedoel met ‘experimentele romantiek’ wordt dan in de loop der tijd ook vanzelf duidelijk, hoop ik. Ik heb zeven namen geselecteerd, zeven thema’s waarover ik ga schrijven, stuk voor stuk mensen en onderwerpen waarover ik al jaren lees en nadenk, en die ik op dit blog voor een deel ook al eerder heb genoemd. Walter Benjamin, Theodor W. Adorno, Pierre Bourdieu, David Bowie (de vreemde eend in de bijt), A. S. Byatt, Elizabeth LeCompte en The Wooster Group, de de Documenta in Kassel. Filosofen, sociologen en kunstenaars, vaak dat allemaal tegelijk.

https://edition.cnn.com/videos/business/2014/06/03/spc-reading-for-leading-kenneth-goldsmith.cnn

Waarom Walter Benjamin? Missschien, onder andere, omdat je dit curieuze CNN-filmpje over zijn werk kunt bekijken, waarin ‘conceptueel dichter’ Kenneth Goldsmith uitlegt waarom hij een nieuwe versie van Benjamins nooit voltooide Passagen-Werk aan het maken is. In de serie ‘Reading for Leading’ waarin na Goldsmith nota bene Michel Barnier aan de beurt is, die nu namens de EU met Groot-Brittannië over de Brexit onderhandelt. Niet de beste inleiding bij Benjamins werk, zeker niet, maar wel een van de meest curieuze — al is er ook daar veel concurrentie.

 

 

Written by sytzesteenstra

2 augustus 2018 at 22:16

Een buis van tape, leuk, maar, eh, interactie?

leave a comment »

Tube numen-for use Schunck

“Een buisglijbaan: kinderdromen worden waar!”

“De uitgang was geblokkeerd door een of ander obstakel, maar het was niet van steen; het scheen zacht en een beetje mee te geven, maar toch ook sterk en afwerend; lucht filterde er doorheen, maar er was geen lichtstraaltje te zien. … Over de gehele breedte en hoogte van de tunnel was een enorm web gesponnen, ordelijk als het web van de een of andere reuzespin, maar dichter geweven en veel groter; iedere draad was dik als een touw.”

“The curatorial concept delves into the murky territory of both physical and psychological interiority, thematising immersion, introspection and probing of the depths of self. The main idea was to transform the whole building into a convulsive mind/body organism whose slippery inner limits a motivated explorer has yet to trace and confront. The stretched biomorphic skin of Tape Paris is marking the entry point to the whole experience, being a literal incarnation of an inner-directed, regressive environment – the sense of descent into the primordial always lingering around its openings.”

 

Hierboven zie je mij kruipen en klauteren in de “Walk-in installatie Tape”. Best leuk, even in een speeltuin. Schoenen en sokken uit en kruipen door een zacht meedeinende buis van breed verpakkingstape. Het rook er een beetje naar plastic en lijm, maar het was niet kleverig en ook niet benauwd, waar ik even bang voor was. Het was in de cocon van tape wel een stuk warmer dan in de rest van het gebouw. Dat was in Schunck, het cultureel centrum van Heerlen.

Ik klom er in voor de pret, maar ook een beetje omdat ik me daartoe verplicht heb, als deelnemer aan de klankbordgroep van “Push and Pull”, een project van Schunck en het  Mondriaanfonds over participatie, waarvan deze installatie weer een aflevering is. Ik heb er al eens eerder hier over bericht, in februari van dit jaar, bij de eerste installatie. Knorrig werd ik daar toen van. Nou ben ik liever blij dan knorrig, dus ik herhaal nog een keer dat dat kruipen en klauteren best leuk was. Ja, leuk.

Maar met interactie had het toch weinig te maken. In feite was de tape-buis juist afgeschermd van alles wat in interactie zou kunnen uitmonden. De installatie was keurig ingericht boven een tentoonstellingsplatform dat vast in die zaal ligt, zonder uitlopers of tentakels naar de kinderbibliotheek, de lift, het trappenhuis of het café, allemaal in dezelfde zaal of daar vlakbij. De enige mogelijkheid tot interactie werd gevormd door de bewaker, wiens enige taak het was op die buis van tape te passen. Een vriendelijke man, die me meteen een anekdote over een andere tentoonstelling vertelde. En nee, het was niet toegestaan boven op de buizen te klimmen. Verder werd de sfeer vooral bepaald door waarschuwingen en verbodsborden.

Schunck waarschuwingen rond Tube numen for use

Ik ben dit stukje begonnen met drie motto’s die ik zelf bij elkaar heb gezocht. Wie de kunstwereld een beetje kent, ziet meteen waar het menens wordt. De buisglijbaan vond ik in de internetcatalogus van een bedrijf in speeltuintoestellen. Het reuzenspinneweb komt uit  Tolkiens ‘In de ban van de ring’. En het Engelse citaat komt van de website van de makers van de tape-installatie zelf. Hun toelichting bij een eendere versie van dezelfde installatie, in het Parijse Palais de Tokyo, laat de alledaagse werkelijkheid resoluut achter zich. “Transformatie van het hele gebouw… letterlijke belichaming van een naar binnen gerichte, regressieve omgeving… ” De publiciteit van Schunck is van hetzelfde laken een pak, ook daar wordt veel meer beloofd dan de installatie waarmaakt.

De makers van de tape-installatie noemen zich “Numen/For Use”, en op hun website valt te lezen dat ze designers zijn die enerzijds modernistische meubels ontwerpen (“For Use”), anderzijds theaterdecors en kunstinstallaties maken. Die kunst-kant van hun werk heet dan “numen”, naar het numineuze, het Kantiaanse Ding-an-sich. “Noumenon is hence the eternally latent reality of an object, a total and absolute existence of an object; an ideal form of which every phenomenon is merely a Platonian shadow.” – nog een citaat van hun website. Zulke claims, gebaseerd op geleende filosofische systemen, maken interactie wel lastig. Zeker als die systemen ook nog eens, zoals hier, extreem dualistisch zijn, dat wil zeggen: de werkelijkheid indelen in twee domeinen waar tussen geen interactie mogelijk is. Tussen pretentie en tape gaapt een kloof. Gaap.

In het algemeen is mijn indruk van het “Push and Pull” project tot nu toe dat de ambtelijke interactie tussen het Mondriaan Fonds en Schunck bepalender is dan die tussen kunstwerken en publiek. Intensiever ook, want: daar is geld beschikbaar, daar worden beslissingen genomen. De beeldende kunst-werkelijkheid zelf is in dat opzicht dualistischer dan het thema “interactie” (ludiek, open, speels, toch?) zou kunnen suggereren.

 

Written by sytzesteenstra

8 november 2015 at 19:46

Ster en zombie

leave a comment »

In de Maastrichtse binnenstad staan sinds een jaar twee grote stalen sterren waar ik nooit zonder huivering naar kan kijken. Als ik er naar kijk, moet ik lezen wat er op staat, en als ik lees wat er staat, vraag ik me af wat daar bedoeld wordt en wie daar aan het woord is, en langzaamaan verander ik in een zombie. Alle redelijkheid en wilskracht worden uit me weggezogen, Battlestar Eurotricht in. Tot nog toe heb ik me iedere keer weer weten los te rukken, maar hoe lang blijft dat goed gaan?

Zombiester Europa bij het Onze Lieve Vrouweplein in Maastricht

Ja, nee, natuurlijk, ja, het is gewoon een reclameding, een stukje publiciteit, broodnodige en kakelverse en ijskoud-de-lekkerste city branding, dat snap ik. Een stad is een merk, een merk moet gevuld worden met emotie, zonder emotie geen communicatie. Diepvriesverse emotie? Alle dertien even goed-emotie? Groene bio-emotie? Euro-emotie!

Want Maastricht = “Maastricht”, Maastricht is de stad waar in 1992 het verdrag is gesloten dat in het Europese jargon “Maastricht” heet. Sindsdien heet de Europese Gemeenschap de Europese Unie. En sindsdien bestaat in Maastricht de neiging om stad en unie magisch te verbinden en met elkaar te vereenzelvigen. Is Maastricht niet het hart van Europa? Hebben Vlamingen, Walen, Duitsers en Limburgers tot in de verre omtrek niet een speciaal saamhorig Euregio-gevoel? In ieder geval is er een leegte. Misschien kan die wel gevuld worden met emotie? Komt het niet mooi uit dat het Maastrichtse stadswapen en de Europese vlag allebei sterren hebben?

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Europese sterren op een Maastrichtse rotonde en de Maastrichtse ster op een bestelauto

Natuurlijk zijn de sterren onderdeel van een campagne, natuurlijk staat de campagne ook op internet, natuurlijk is er een trailer met de stem van Morgan Freeman.

De campagne is het werk van publieke of semi-publieke instellingen, Gemeente Maastricht, Maastricht University, Maastricht Health Campus, A2 Maastricht, Belvédère Maastricht, Regiobranding Zuid Limburg en VVV Maastricht, maar de taal is die van de markt. De managers van de campagne hebben zinnetjes bedacht als: “Maastricht Meet Europe: één verhaal, dat de kernwaarden (authentiek, open, dynamisch, gemoedelijk en vooruitstrevend) van onze stad herbergt.” Bekijk die videoclip desnoods een keer. Verbaas je over het onduidelijke emo-proza dat Morgan Freeman uitspreekt, en over het gegeven dat hij blijkbaar niet de tijd hoefde te nemen om “Maastricht” te leren uitspreken. “Lost in translation, in a word I can not pronounce”, dat is het laatste wat hij zegt. Denk dan even na over de vraag wat het betekent dat overal, steeds weer, onze aandacht wordt gegijzeld door dit soort manipulatie. Het lijkt emotie, het is technocratie. Authentiek en gemoedelijk?  Dat is een videoclip met een sonore voice-over van een celebrity. Open, dynamisch en vooruitstrevend? De tweede helft van dezelfde videoclip, nu in een snellere montage en met een prominente beat in plaats van een commentaarstem.

Het voornaamste kenmerk van de taal van de technocratie is wel dat je er naar hartelust alles mee kunt in- en uitsluiten. Morgan Freeman de stem van Maastricht? Waarom ook niet? Een portret van Maastricht zonder nondescripte buitenwijken, en zonder de kantoren waar wordt vergaderd over technocratische campagnes, waarom niet? Europese begrotingstekorten bespreken zonder moeilijk te doen over de enorme werkloosheid in landen als Spanje en Griekenland, waarom niet? Een Europese muntunie invoeren zonder duidelijk politiek kader, “Maastricht”, waarom niet?

Ja, nee, natuurlijk, ja, ik zou zelf de technocraten maar al te graag willen geloven, in zekere zin zou ik er maar al te graag zelf een zijn. Naar hartelust de werkelijkheid herdefiniëren en desgewenst wegdefiniëren, daar ben ik heel geschikt voor. Competent ook. Alleen ben ik te zeer gefascineerd door de formele aspecten van de technocratische manoeuvres, door de avantgardistische aspecten van al die enorm formele ingrepen in de weergave van de werkelijkheid, in het gekunstelde ervan. Dat maakt me speels. Het ontketent mijn fantasie, mijn behoefte om variaties te bedenken, dwarsverbanden te leggen, andere perspectieven toe te voegen, méér werkelijkheid te willen in plaats van minder. Zou er geen betere, in artistiek opzicht uitdagender videoclip te bedenken zijn met precies dezelfde soundtrack van Morgan Freeman plus synthi-pop, maar dan uitsluitend met beelden van vergaderingen bij de Gemeente Maastricht, Maastricht University, Maastricht Health Campus, A2 Maastricht, Belvédère Maastricht, Regiobranding Zuid Limburg en VVV Maastricht? “Lost in translation, in a word I can not pronounce”, maar dan met vaste vloerbedekking, bureaustoelen, flap-overs met targets, en staafdiagrammen die aantonen dat het imago van Zuid-Limburg “succesvol verbeterd” is. (Kan iets ook “onsuccesvol verbeteren”? Ik las het op de website van Regiobranding Zuid-Limburg.)

Kunnen die Europese sterren daar op de rotonde niet interactief worden, en voorzien van de onmisbare flexibiliteit die nodig is om het design toekomstbestendig te maken? Effe Daan Roosegaarde bellen? Dat er een ster zijn kopje laat hangen, of dat er een stengeltje knakt zodra er in een EU-land een financieringstekort boven de afgesproken grens komt, of misschien liever zodra de jeugdwerkloosheid in een land boven 5 % komt, of als er nog steeds geen minimumloon geldt? Of dat een ster bloost als er weer eens een voormalig EU-regeringsleider onfatsoenlijke relaties blijkt te hebben onderhouden met de plaatselijke media-magnaat, zoals Tony Blair met Rupert Murdoch, Helmut Kohl met Leo Kirch, en Silvio Berlusconi met zichzelf?

Ik wil graag geloven in de voordelen van de Europese Unie. De Europese geschiedenis, dat is de rechtsstaat, de welvaartsstaat, de renaissance, de roman, maar ook, en in de geschiedenis nog maar kort geleden, de totalitaire staat, het fascisme en het kolonialisme. Het Europese gerommel met Griekenland van de afgelopen maanden wekt de indruk dat de leidende Europese politici vertrouwen op marktwerking en flexibilisering als afdoende garanties voor verdergaande vrijheid en voorspoed. Dat marktwerking moet worden ingebed in politiek vastgestelde kaders, omdat flexibilisering anders voor het zwakste deel van de mensen op de arbeidsmarkt neerkomt op uitbuiting en misère, daar hoor je minder over. Werkloze mensen en mensen met flexi-contracten hebben ook geen adviseurs, geen accountants, geen internationale bankiers, geen marketingplan.

Maar verlies ik de redelijkheid niet uit het oog als ik het dan heb over zombies en technocraten? Niemand anders dan Jürgen Habermas heeft het over zombies als hij het heeft over politici die zich uitsluitend als economische technocraten laten gelden. Jürgen Habermas, de one-man filosofische theoriefabriek die zo vaak als de belichaming van de redelijkheid wordt gezien, en die jarenlang gold als de paus van het geloof in de Europese Unie, schreef laatst in de Süddeutsche Zeitung: “Das schwache Auftreten der griechischen Regierung ändert nichts an dem Skandal, der darin besteht, dass sich die Politiker in Brüssel und Berlin weigern, ihren Kollegen aus Athen als Politiker zu begegnen. Sie sehen zwar wie Politiker aus, lassen sich aber nur in ihrer ökonomischen Rolle als Gläubiger sprechen. Diese Verwandlung in Zombies hat den Sinn, der verschleppten Insolvenz eines Staates den Anschein eines unpolitischen, vor Gerichten einklagbaren privatrechtlichen Vorgangs zu geben.”

“Never waste a good crisis” is het credo van de ware technocraat. Er zijn wereldwijd kantoren waar dit weekeinde dag en nacht gewerkt wordt aan winstgevende scenario’s voor het geval Griekenland uit de muntunie en/of de Europese unie zou vallen, maar heb niets gehoord over winstgevende scenario’s voor de onvolgroeide politieke structuur van de Europese muntunie, ten bate van de rechtsstaat, de welvaartsstaat, en de roman. Ik geloof dat ik bang ben voor zombies.

 

Voor wie meer wil lezen heb ik dit lijstje met aanbevelingen:

Over de onredelijkheid van de Duitse opstelling: Jürgen Habermas in Die Süddeutsche Zeitung: http://www.sueddeutsche.de/wirtschaft/europa-sand-im-getriebe-1.2532119

De onderliggende problemen van deze crisis: Wolfgang Streeck in Der Spiegel, in het Engels op de site van zijn uitgever: http://www.versobooks.com/blogs/2113-wolfgang-streeck-the-greek-crisis-trapped-in-the-eurozone

Economie in breed historisch verband: Amartya Sen in The New Statesman: http://www.newstatesman.com/politics/2015/06/amartya-sen-economic-consequences-austerity

Over bedragen en banken: Mark Blythe in Foreign Affairs: https://www.foreignaffairs.com/articles/greece/2015-07-07/pain-athens

Dichterbij de taal van muziek en film, altijd verbazend goed geïnformeerd, David Byrne op zijn eigen blog: http://davidbyrne.com/growth-austerity-debt

Recensie van een abstractie

with one comment

Soms heb ik een kunstwerk al beoordeeld in de eerste oogopslag. Of eigenlijk is het andersom: het overkomt me wel eens dat een kunstwerk me ogenblikkelijk een zinkend gevoel bezorgt, de zekerheid dat het geen plaats openlaat voor mijn emoties of voor mijn vragen. In dit geval: een installatie in Schunck, in Heerlen, “Wat zou je doen met een miljoen?” Een vraag die me al bij voorbaat aan loterijen doet denken, en daarmee aan een stroom van reclame en hele en halve onwaarheden die ik liever uit de weg ga. De wereld waarin de voorgestelde kansen niet kloppen, waarin ‘gratis’ niet gratis is en waarin liefdadigheid betekent dat allereerst de directie rijk wordt – kijk de recente geschiedenis van de Nederlandse loterijen er maar op na.

Wat zou ik doen met een miljoen? Een ander huis kopen, een reis maken, aan mijn kinderen geven, aan een goed doel geven, aan een actie tegen loterijen geven, een kunstwerk kopen, nog een miljoen vragen, als de visser uit het sprookje ‘de visser en zijn vrouw’? Van wie is dat miljoen eigenlijk? Is er wel een miljoen? Wat gaat die vraag uit de weg? Politiek, sociologie, geschiedenis?

Vervelende reclame: "gratis kans op een miljoen!"

Je komt binnen op de opening, kijkt een ogenblik rond, en ziet: een ruimte die is beplakt met kranten. Voor de interactie zijn er kant en klare stickers gedrukt, de bezoeker wordt aangemoedigd een sticker op een krantenbericht naar keuze te plakken. Is dit interactie of juist niet? Is dit niet de werkelijkheid van multiple choice vragen, van krasloten, van ingekaderde pseudo-communicatie? Zulke overwegingen duren hooguit tien seconden. Daarna besloot ik maar een beetje afzijdig te blijven, en mijn jas aan te houden, al is dat warm: een jas biedt afstandelijkheid, een vorm van bescherming. (Ook tegen mijn eigen ongeduld.)

Overzicht van de installatie "Wat zou je doen met een miljoen?" in Schunck

Overzicht van de installatie “Wat zou je doen met een miljoen?” in Schunck

Na de openingsspeeches heb ik nog rustig rondgekeken. De vijf hoge ramen rechts op de foto hierboven waren beplakt met spiegelfolie; wie de gang achter de ramen betreedt ziet alleen zijn eigen spiegelbeeld, en kan een koptelefoon opzetten waarop ruis te horen is, alleen ruis. Volgens een verklarende wandtekst is hier “ruimte gemaakt voor onverschilligheid”, in de ruimte die is beplakt met kranten “kun je de actualiteit wikken en wegen en kun je dat wat jij belangrijk acht markeren”.

De stickers

De stickers

Mijn probleem is dat ik een sticker plakken op kranten net zo onverschillig vind als met een koptelefoon vol ruis naar een spiegelwandje kijken. Wat maakt het uit? Niet geselecteerde oude kranten zijn ruis. Is dat interactie, een sticker plakken? Met wie, of met wat? De strakke lijn tussen onverschilligheid en interactie in de installatie lijkt mij een cliché, geen kunstwerk.

De hamvraag
De hamvraag

“Met ‘Push and Pull’ lanceert Schunck een nieuwe reeks tentoonstellingen die de interactie tussen publiek en hedendaagse kunst centraal stelt.”

De installatie is gemaakt door een klas (zeven studentes) van de docentenopleiding van de Maastrichtse kunstacademie, met drie begeleiders. Van hun visie op geld, of op politiek, of op de maatschappij, of op de media, of op kunst, of op het leven, weet ik niets: hun installatie zwijgt er in alle talen over. Volgens mij is er helemaal geen sprake van interactie tussen publiek en hedendaagse kunst; kunst wordt niet zomaar in klasverband gemaakt. In feite is dit interactie tussen kunstinstellingen onderling (museum, academie, Mondriaan Fonds), interactie tussen vertegenwoordigers en spreekbuizen van kunstinstellingen. Dat is iets anders, echt iets anders. Noem het desnoods een abstractie van interactie. Ik wacht intussen (ik maak deel uit van de klankbordgroep van het hele Push and Pull-programma, en heb nu alvast mijn steentje bijgedragen) gewoon op een volgende aflevering van ‘Push and Pull’, dan komt Sushan Kinoshita aan de beurt, een kunstenares, iemand die kunst maakt.

Historische achtergrond

‘Push and Pull’ is genoemd naar een happening (of installatie, of performance) die Allan Kaprow (1927 – 2006) in 1963 heeft gemaakt in een Amerikaans warenhuis: twee ruimtes waar bezoekers naar hartelust met meubels en rommel konden slepen en stapelen. (Kaprow’s programma voor ‘Push and Pull’ is te vinden op UbuWeb.) Kaprow was eerst een figuratieve kunstschilder, ging toen abstract werken, werd beïnvloed door ‘action painting van Jackson Pollock, en bedacht daarna, beïnvloed door John Cage, dat het kader van kunst te nauw was voor zijn werk (of voor voor kunst in het algemeen?), dat ‘action painting’ de hele werkelijkheid kon omvatten, dat alles, inclusief het leven zelf, kon worden meegenomen in ‘gebeurtenissen’: “happenings”.

Jaren geleden heb ik een bundel opstellen van Kaprow gelezen, “Essays on the Blurring of Art and Life”. Nu ik me al internettend nog even in zijn werk heb verdiept, valt me op dat zijn hele retoriek ten tijde van zijn happenings was gericht op werken buiten de kunst (Kaprow’s eerste regel voor het maken van een happening: vergeet alle bestaande kunstvormen), maar dat hij keurig is opgenomen in zowel de kunstgeschiedenis als de theatergeschiedenis. Bovendien was hij van 1953 tot 1993, zonder onderbreking, docent aan kunstinstellingen. De ‘Allan Kaprow estate’ wordt vertegenwoordigd door topgalerie Hauser & Wirth (vestigingen in Zürich, Londen, Somerset, twee in New York, en Los Angeles). Er zijn momenteel acht lopende tentoonstellingen waarbij Kaprow’s werk betrokken is: Zwitserland, Nederland (Schunck), Japan, Taiwan, USA (2 x, Minneapolis en Chicago), Australië, Italië, Duitsland; dat zijn meer dan acht landen, want sommige tentoonstellingen reizen. ‘Push and Pull’ alleen al is de laatste jaren ‘geherinterpreteerd’ in de Tate Modern in Londen, in Sydney, en in New York tijdens een ‘Performa’ festival. Dat zegt iets over de werking van het kunstenveld: de niet te stillen behoefte aan een voorbeeld, een autoriteit, een oude meester.

Bij het luisteren naar een lezing van Kaprow op YouTube viel me op hoe bazig hij spreekt, dwingend in zijn voorschriften. Er worden nogal wat lichamen opgestapeld, gedumpt, meegesleurd, besmeurd, kleren afgescheurd in de programma’s voor happenings van Kaprow; en verder zijn er veel auto’s in nodig. Autobotsingen, een brand in een fabriek, de rommel die achterblijft na een storm, dat zijn voorbeelden die Kaprow gebruikt; net als bij de beat poets, ook tijdgenoten, is destructie nooit ver weg.

Misschien had Kaprow als docent een andere, mildere invloed, ik vond dit citaat in een artikel in de New York Times uit 2008: “He taught at CalArts at the same time as the conceptual artist John Baldessari, which inspired the one-liner that while all of Mr. Baldessari’s students went on to become art stars, Kaprow’s went on to become social workers.” Misschien hadden zijn studenten ook meer kijk op de werkelijkheid buiten de kunst om.

NB: deze ‘Recensie van een abstractie’ heeft een pendant: ‘Gerecenseerd door een abstractie‘. Het blijft duwen en trekken.

Written by sytzesteenstra

10 februari 2015 at 19:17

Gerecenseerd door een abstractie

with 2 comments

‘Book review’  las ik: ‘book by Sytze Steenstra’. Dat leek me interessant: een recensie van mijn boek op YouTube. De werkelijkheid hielp me uit de droom: YouTube is niet het medium voor boekbesprekingen, en het filmpje verdient die naam ook niet. Kijk er niet naar, het is echt te saai voor woorden, ruim twee minuten lang een tekstje dat ooit door de uitgever is geschreven als vooraankondiging, een tekstje dat eindeloos traag door het beeld schuift, ondersteund door muzak waar kraak noch smaak aan zit.

Wie maakt zoiets? En waarom? Het zal wel de samenwerking zijn tussen een computerprogramma en een database, een paar miljoen regels code, in gang gezet door iets als een winstverwachting, rendement op geïnvesteerd vermogen, shareholder value of zo. Of is het een hacker? De ‘afzender’ van het YouTube filmpje is “Linens ’n Things 4534555”.  Linens ’n Things, dat weet Wikipedia, is een internetwinkel die in de VS en Canada doet in huishoudtextiel, lakens en zo. Een groot bedrijf, het Wikipedia-lemma is vol moderne bedrijfsavonturen, private equity, faillissement, herstart, eigenaren met namen als Apollo Global Management, Hilco Global en Galaxy Brand Holdings. Miljarden, miljoenen. Ergens tussen de bedrijven met hun wereldomvattende, melkwegstelsel-omspannende namen door duikt ook een eigennaam op: Leon Black, eigenaar van Apollo Global Management. Als ik op die naam klik kom ik op het lemma dat aan hem is gewijd; Black is degene die  in 2012 119,9 miljoen dollar heeft betaald voor “De Schreeuw” van Edvard Munch (een van de vier versies die van het schilderij bestaan), en 36 miljoen euro voor een tekening van Rafaël, “hoofd van een jonge apostel”. Het is de wereld van enorme bonussen en superrendementen. Maar dat legt geen rechtstreeks verband tussen Linen ’n Things en kunst, of tussen YouTube en mijn boek over het werk van David Byrne, een poging van mijn kant om precies en gedetailleerd en concreet te zijn. Ik ben gerecenseerd door een abstractie.

Om iets terug te doen volgt, als pendant van dit stukje, mijn eigen recensie van een abstractie. Het blijft duwen en trekken.

 

 

 

 

Written by sytzesteenstra

10 februari 2015 at 19:15

Kleine esthetica van het ziekenhuis

with 10 comments

Het ziekenhuis is een onderwerp waarop ik niet kan scherpstellen. Ik ben een digitale camera op zoek naar een gezicht, rusteloos in- en uitzoomend. De werkelijkheid van ziekte en angst en pijn, van wanhoop en liefde en moed wil niet samenvallen met de werkelijkheid van de balies en de wachtkamers, de spreekkamers en de onderzoeken, de protocollen en de protocollen achter de protocollen. Het ziekenhuis is prominent aanwezig in mijn leven: J. is ziek, chronisch ziek. Ze heeft chronische sarcoïdose, een systeemziekte waarvan de oorzaak onbekend is, die alle mogelijke symptomen kan veroorzaken, overal in het lichaam, in alle organen (dat is wat ‘systeemziekte’ betekent) en die experimenteel behandeld wordt. Meestal ga ik met haar mee naar het ziekenhuis. Dat praktisch, ik breng haar met de auto, en als het nodig is — haar conditie gaat als een jojo op en neer — rijd ik haar in een rolstoel door het ziekenhuis. Maar belangrijker dan praktische hulp bij het vervoer is mijn betrokkenheid. Ik ga mee om het verhaal op de rails te houden, om te schrikken als er slecht nieuws is, om haar niet alleen te laten. De optelsom van uiteenlopende onderzoeken en verschillende zware medicijnen, en bij vlagen kwellende onzekerheid, is traumatisch en deprimerend. Ik ga in feite zo vaak mee naar het ziekenhuis om haar te helpen een depressie op een afstand te houden, en om het trauma zo klein mogelijk te houden. Dat is van levensbelang, maar er is veel in het ziekenhuis dat uitstraalt dat zoiets toch geen rol speelt.

Een academisch ziekenhuis kan een oefening in vervreemding zijn. Ieder protocol is complex, achter ieder complex schuilt een ander complex. Het ziekenhuis is onuitputtelijk als een grote stad, onpersoonlijk als een groot vliegveld, onoverzichtelijk als een industrieel complex. azM/MUMC+ heet het: een naam waaraan de spreektaal niet te pas is gekomen, alsof de opdracht was een willekeurig wachtwoord samen te stellen uit verschillende soorten tekens. Kwestie van een fusie tussen universiteit en universitair ziekenhuis die halverwege is blijven steken. Dat karakteriseert het ziekenhuis: een fusie tussen medische zorg en natuurwetenschap die halverwege is blijven steken.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Ik ga in de spreekkamer altijd op de tweede stoel zitten. Dat is niet de eerste stoel, die staat tegenover de arts, vanaf de tweede stoel gaat de arts half schuil achter een computermonitor. Soms draait de arts de monitor naar J. en mij toe, en buig ik me opzij om te kijken naar data uit de biomedische werkelijkheid. Staatjes met bloedwaarden, scans, röntgenfoto’s, diagrammen. Hart, longen, knie, hand, huid, brein. Met de muis van de computer bladert de specialist door een scan die op een andere afdeling is gemaakt, door technici, onder verantwoordelijkheid van weer andere specialisten. “Zijn dit de longen? Ik doe dit niet zo vaak… O nee, dit zijn de knieën, dan moet ik daarheen!” Het is de praktische demonstratie van een verschijnsel dat ik in theorie maar al te goed ken, waarover ik als student tentamenvragen heb beantwoord en later als docent wetenschapsleer vragen heb gesteld: de natuurwetenschappen en de geesteswetenschappen bestaan naast elkaar en zijn niet tot elkaar te reduceren.

J. zit naast me, en als we zo meteen de parkeergarage van het ziekenhuis uitrijden en de slagboom met automatische nummerbordherkenning omhoog is gezwaaid, praten we hier samen over na. Maar tegelijk is zij een samenspel van haar organen, de organen bestaan weer uit cellen, in en tussen de cellen spelen zich biochemische processen af. Dat is allemaal van een fenomenale complexiteit, het geheel aan medisch-natuurwetenschappelijke kennis is enorm en breidt zich snel uit, net als het scala aan onderzoekstechnieken. De grenzen worden voortdurend verschoven, en voorbij die grenzen ligt nog steeds het onbekende.

De punctie, het biopt, de incisie, het infuus, de microcamera aan een slangetje, de registratie met sensoren, een paar minuten of een paar etmalen lang: er komt veel bij kijken om een levend mens toegankelijk te maken voor biomedisch-fysisch onderzoek. Als een onderzoek of operatie echt ingrijpend wordt, mag een partner meestal niet mee. Een enkele keer, bij een oogpunctie, heb ik er zelf voor gekozen op de gang te wachten. Traumatisch is het onderzoeksproces niet alleen door de impact van de ziekte zelf plus alle zware bijwerkingen van de medicijnen, het is ook traumatisch in de details. Weer een naald, weer een blauwe plek, weer een pijnlijke zwelling waarin de arts moet knijpen. En dan een paar dagen later een nieuwe naald, een nieuwe arts die moet knijpen, een collega van de afdeling, een assistent, een assistent van een collega, een specialist van een andere afdeling. Sommige onderzoeken zijn, hoor ik achteraf, bijna een marteling. Een vorm van longonderzoek kan lijken op waterboarding, het vastgebonden ondergaan van een pet-ct-scan kan (moet bijna?) claustrofobische paniek opwekken. De beschikbaarheid van alle onderzoekstechnologie is uiteraard iets om dankbaar voor te zijn, maar soms ook even niet.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Het ziekenhuis is een doolhof van systemen en codes. Achter een bed op de spoedeisende hulp zitten meer dan dertig aansluitingen, waarvan vele met een symbooltje of een cijfercode. Ten behoeve van het veelkoppige publiek, de vloed die iedere dag door het ziekenhuis spoelt en goeddeels weer wegebt, is er veel aan gedaan om het doolhof te ontsluiten. Een routing-systeem, een informatiekiosk, wachtkamers met geruststellende classic-rock-radio, tijdschriften en koffie. Daaronder borrelt dan de medische werkelijkheid, waar de namen van ziekten en medicijnen inmiddels meer doen denken aan een fantasietaal, zeg Azteeks vermengd met Baskisch, dan aan Latijn. En de doolhof van de protocollen.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Ik zit in de raad van toezicht van een kleine kliniek, en weet iets van de omvangrijke regelgeving, behandelprotocollen, gespreksprotocollen, schoonmaakprotocollen, managementprotocollen waaraan ook de kleinste kliniek moet voldoen. Aan de universitaire kant heb ik te maken gehad met accreditaties, met alle formulieren en vergaderingen van dien. Misschien kan ik me een voorstelling maken van de hoeveelheid protocollen in een universitair ziekenhuis als ‘azM/MUMC+’, die astronomisch moet zijn. En: hoe meer protocollen, hoe meer onderlinge fricties en lacunes. Een bezoek aan het ziekenhuis is: navigeren door een zee van onbekende protocollen. Het zou mooi zijn als ik daarin wist hoe ik het belang van J. als baken kon gebruiken, maar vaak weet ik op volle medische zee nauwelijks wat boven en onder is. Er is een cliëntenbeweging in de zorg die zich ervoor inzet dat patiënten als geëmancipeerde, mondige belanghebbenden worden beschouwd, maar vaak is het al heel mooi als de verzameling datasets op de monitor, het symptoom op de tafel, als patiënt wordt beschouwd.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Vanaf grote hoogte (“met een helicopterview”) is de zee glad als een biljartlaken dat zich uitstrekt tot de horizon. In een bedrijfsvideo op internet legt de voorzitter van de raad van bestuur uit dat het MUMC+ onderdeel is van de health campus, belangrijkste schakel in de provinciale kennis-as, en deel van wereldwijde allianties, allianties die van strategisch belang zijn omdat er eigenlijk nooit genoeg klinische massa kan zijn om de kwaliteitsketen van cel naar muis naar mens effectiever in te vullen. In de twintigste eeuw stond genezen centraal, maar in de eenentwintigste eeuw gaat het om preventie. Het zijn formuleringen om goed op te kauwen, omdat ze zo mooi tonen dat een deel van de basisstructuur waarop alle protocollen zijn geënt volstrekt onpersoonlijk is. En tegelijk, die keten van cel naar muis naar mens is ook de achtergrond van een medicijn waaraan J. wellicht haar leven te danken heeft.

Zes weken geleden bracht ik J. naar het ziekenhuis voor een operatie. Van de wachtkamer liepen we naar een intake-kamer, en naar een zaaltje met vier bedden. Even later werd haar bed losgekoppeld van de muur, een patiëntenvervoerder maakte een motorblokje aan het voeteneind vast, hing een besturingsmodule en een treeplankje aan het hoofdeinde en reed haar met bed en al weg naar de operatiezaal. Een soepele routine: ieder bed is een schakel in een efficiënt logistiek proces waarvan de handelingen stuk voor stuk zijn beschreven en geanalyseerd zodat iedere betrokkene maar bij een klein onderdeel betrokken is, bijna als aan de beroemd geworden lopende band van Fords autofabriek. De anaesthesist die het voorgesprek voert, is niet de anaesthesist die de operatie begeleidt, de chirurg die de operatie uitvoert is niet de arts die advies geeft over pijnbestrijding. Toch is dat lastig als de patiënt lijdt aan een chronische auto-immuunziekte waardoor veel routines niet van toepassing zijn, iets waaraan iedere nieuwe “hand aan het bed” opnieuw herinnerd moet worden om het aantal fouten niet te groot te laten worden.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Fricties en lacunes: die zijn in het ziekenhuis overal wanneer een ziekte niet helder afgebakend is. In ieder gesprek, in iedere afweging. De specialist heeft verplichtingen aan de patiënt, maar ook aan onderwijs en onderzoek, en de balans spreekt niet altijd vanzelf. Het dossier van de patiënt zou volledig en toegankelijk moeten zijn, maar dat spreekt niet altijd vanzelf, weet ik inmiddels ook – een arts-assistent kan er een hele dag of meer mee bezig zijn om de boel op orde te brengen. Verschillende afdelingen, verschillende specialismen, hebben hun eigen cultuur, hun eigen tijdsbesef: sommigen snijden, opereren, fixen, een kwestie van een paar uur, anderen behandelen, tasten, zoeken naar verlichting van symptomen, over een tijdsbestek van jaren: hoe moeten een orthopeed en een internist samen een afweging maken als dat via de afsprakenbalies moet verlopen? Poliklinisch behandelen of opnemen: “als u hier in een bed lag was alles veel makkelijker” versus “het ziekenhuis is in uw situatie geen gezonde omgeving, ik neem u liever niet op”? Hoeveel van alle vragen kun je in welk gesprek, aan welke balie, aan de orde stellen? Welke stappen kun je als patiënt zetten, in een episode waarin je om de dag naar het ziekenhuis gaat, om ervoor te zorgen dat je niet in het weekeinde weer op de Spoedeisende Hulp belandt?

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Het ziekenhuis geeft, anders dan het vliegveld, geen ‘frequent flyer miles’ aan grootverbruikers. J. is er — vaak, als het hart haar niet in de keel bonst — goed in een paar woordjes Azteeks en Baskisch te laten vallen om specialistische gesprekspartners uit de tent te lokken. U weet het niet zeker, ik weet het niet zeker, wij weten het niet zeker: er moeten heel wat protocollen worden weggepeld voor je daar aankomt, kunt proberen een afweging te maken tussen cel-muis-mens-verdriet-individu, en bij de volgende arts, bij de volgende balie, begint alles van voren af aan.

 

TOELICHTING BIJ DE ILLUSTRATIES

azM/MUMC+ beschikt over een flinke collectie hedendaagse kunstwerken die ik daar stuk voor stuk als bondgenoten en vrienden beschouw. Ik heb gemerkt dat ik nergens anders, zeker niet in musea, kunstwerken zozeer waardeer. Sommige werken zijn letterlijk gemaakt door vrienden en bekenden, vroegere deelnemers van de Jan van Eyck Academie zijn goed vertegenwoordigd, een gedicht van K. Michel is aangebracht op transparant doek aan het plafond van een hoge vide. Tegen de achtergrond van het ziekenhuis, de grijzen en de tinten beige, de systeemvloeren, systeemdeuren, systeem-alles, zie ik zelfs de sufste schilderexperimentjes als een oprechte persoonlijke worsteling, een poging boven het protocol uit te stijgen. De kunstwerken hangen niet in de wachtkamers, maar in de gangen. In de wachtkamers heerst de neutraliteit van decorbehang en omgekrulde voorlichtingsaffiches, van classic-rock-radio en de voorlichtings-diashow op de monitor.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Behalve de eerste illustratie, een detail van de achterkant van mijn eigen computermonitor, komen alle illustraties uit “Cubische vormgeving 1955-1970” van Jan Slothouber en William Graatsma. Het is een grafisch en ruimtelijk protocol voor orthogonale en systematische vormgeving dat in de jaren zestig cool, hip en succesvol was. Het was een huwelijk van industrie en avant-garde, tegelijk modernistisch, minimalistisch, proces-geöriënteerd, efficiënt, kosmisch, ludiek en formeel. Staatmijnen/DSM en Wereldtentoonstelling Brussel, Ingenieursbureau DHV en Stedelijk Museum, galerie Art & Project en Biënnale Venetië, een prijs van Ikea – het was overal.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

In 1970 stonden de zeshoekige kubussen van het protocol op de kinderpostzegels, en hun lettertype op basis van hetzelfde protocol was tot in mijn schoolagenda’s aanwezig. Ik leerde met passer en geo-driehoek in ruitjesschriften tekenen, en vond het ook spannend hoe iedere vorm kon worden geformaliseerd en getransformeerd. Ik stelde me voor hoe ik een trap met trapleuning zou kunnen transformeren tot een stel analoge cirkelsegmenten. Je zou er onvermijdelijk afglijden en nooit meer naar boven kunnen komen, droomde ik. OLYMPUS DIGITAL CAMERA

 

Written by sytzesteenstra

1 november 2014 at 11:21