Sytze Steenstra Blog

Archive for februari 2013

De reflexiviteit van Pierre Bourdieu

with one comment

Sinds een aantal maanden ben ik werk van Pierre Bourdieu aan het lezen, soms ook boeken aan het herlezen die ik tien jaar geleden al eens las. Bourdieu is de socioloog die bekend werd door zijn onderzoek naar  ‘cultureel kapitaal’, maar zijn werk biedt veel meer. Bourdieu (1930-2002) was een veelzijdig denker, zijn werk beweegt zich door culturele antropologie, sociologie en filosofie, en daar komen nog literatuur en kunstgeschiedenis bij. Bovendien was Bourdieu ook een publiek intellectueel die zich met politieke kwesties bemoeide. Zijn werk is maar mondjesmaat in het Nederlands vertaald, dus ik lees afwisselend in het Engels, Nederlands, Duits en Frans. Het kost wat maar dan heb je ook wat, bedoel ik maar. Wat je dan hebt, is niet alleen een weidse blik op de menselijke werkelijkheid, maar ook, vooral: reflexiviteit. Een kostbaar en zeldzaam vermogen, reflexiviteit, dat in Bourdieu’s werk een monumentale uitwerking heeft gekregen, theoretisch veeleisend maar ook levendig, en regelmatig vol humor.

Motto's boven een hoofdstuk in Bourdieu's 'Outline of a Theory of Practice'

Motto’s boven een hoofdstuk in Bourdieu’s “Outline of a Theory of Practice”

Die humor zit meestal in de verrassende perspectieven die Bourdieu weet te vinden, zoals hierboven. “Outline of a Theory of Practice” is een studie over de grondslagen van culturele antropologie en sociologie, een filosofieboek dat een zware wissel trekt op de belezenheid van de lezer, aangezien Bourdieu veronderstelt dat die zowel vertrouwd is met de theoretische hoofdlijnen van de sociale wetenschappen als de filosofie. Als dan een etnografische monografie over de taal, gewoontes en rituelen van Berbers (Bourdieu heeft zelf bij Berbers in Algerije antropologisch onderzoek gedaan), Snoopy (kijk even hier als je de strip niet kent: http://2.bp.blogspot.com/_HBPwHcRaRMk/R0gQHP9LkKI/AAAAAAAAAUs/AV83VTFfd5Q/s400/SnoopyBidt.gif) en Aristoteles bij elkaar worden gezet, moet ik niet alleen lachen, ik heb er ook weer vertrouwen in dat Bourdieu in zijn theoretische beschouwingen de dagelijkse werkelijkheid niet uit het oog verliest. En dat is ook precies de kracht van Bourdieu’s werk: zijn vermogen te laten zien dat theorie en filosofie niet boven de gewone werkelijkheid staan, maar er deel van uitmaken; dat ze waardevol zijn, maar dat hun waarde niet boven de menselijke realiteit uitstijgt.

De waarde van reflexiviteit blijkt het beste, denk ik, uit de half verblufte, half meewarige ongelovigheid waarmee de buitenstaander kijkt naar debatten en “fundamentele verschillen van inzicht” tussen experts in de mens-, geestes-, cultuur-, en maatschappijwetenschappen. Die wetenschappen waarvan iedere volwassene die kan lezen en schrijven de eerste beginselen vanzelf al kent, en die toch allemaal door hun specialisatie en hun eigen dynamiek scholen en dogma’s ontwikkelen die de insider accepteert als ‘facts of life’, maar die de buitenstaander bizar vindt en ook met de beste wil van de wereld niet voor zoete koek kan slikken. De economie kent heldere voorbeelden, zoals de theorie dat het voor iederéén, inclusief de armen, goed is als de allerrijksten nog rijker worden (“supply-side economics”, ook bekend als “trickle-down economics” en in de negentiende eeuw, nog mooier, ook bekend als “horse and sparrow theory”: als je het paard maar genoeg haver voert, valt er uiteindelijk iets op de weg waar ook de mussen wat aan hebben), en het voor buitenstaanders fijn sektarische onderscheid in de Amerikaanse economische wetenschap tussen “saltwater economics”, de overtuigingen van economen aan universiteiten aan de oost- en westkust van de VS, en “freshwater economics” van economen in staten in de buurt van de Grote Meren, vooral de neoliberalen van de Chicago School. (Voor wie er zin in heeft, hier een lang krantenstuk van Paul Krugman over dit onderscheid, “How did economists get it so wrong?”: http://www.nytimes.com/2009/09/06/magazine/06Economic-t.html?pagewanted=1&_r=0&em. )

Ik ben geen econoom, maar ben net als iedereen met een portemonnee en een bankrekening een expert op kleine schaal. Dus kan ik het niet laten me zo nu en dan vrolijk te maken over de gekkigheid en de parmantige meningsverschillen van economen, of me boos te maken over de arrogantie en het machtsvertoon dat daarmee gepaard gaat. Maar economen hebben geen monopolie op vreemde leerstellingen, methodologieën die hoge barrières opwerpen tegen kritiek, of groepsvorming. Filosofen, sociologen en kunsttheoretici  – drie bezigheden waar ik zelf diploma’s voor heb – kunnen er ook wat van. Is ‘de idee’ meer werkelijk dan de werkelijkheid zelf? Leven we in twee werelden? Dienen we de taal te wantrouwen, en zou de taal die we allemaal spreken en lezen eigenlijk vervangen moeten worden door een logische kunsttaal? Het zijn binnen de academische filosofie stuk voor stuk canonieke theorieën, Plato, Kant en het logisch positivisme hebben elk enorme invloed gehad; maar buiten de professioneel beoefende filosofie denkt menigeen ‘gooi maar in mijn pet’. Is ‘de ontmoeting’ tegenwoordig de ware kunstvorm? Is schilderen niet meer mogelijk? Is obsessie een artistiek medium? Het zijn allemaal posities in de kunsten die het resultaat kunnen zijn van interessante processen, maar die van buitenaf al snel wat minder relevant lijken.

Daarmee wil ik niet zeggen dat het gezond verstand en de gewone spreektaal de beste remedie zijn, zij zijn ook geen afdoende remedie tegen sektarisch denken. Professioneel voetballen met alles er omheen, het profwielrennen, diëten, de ‘formats’ van televisieprogramma’s  – het is niet moeilijk voorbeelden te vinden waarin het dagelijks leven plotseling fundamentalistische trekken vertoont. Natúúrlijk valt er van economen veel te leren over de werking van geld, en die is – money makes the world go round – te complex en te grootschalig om vanuit een kleine portemonnee en bankrekening begrepen te worden. Maar ook economen kunnen zich groeperen rondom wonderdiëten, of glashard volhouden dat multinationals ècht geen doping (structurele overheidssubsidies, brievenbusmaatschappijen, lobbyisten, grote advocatenfirma’s, monopolies, quasi-monopolies, kartels) gebruiken om hun aandeelhouders en bonusslurpers te plezieren. Dan is het aan te raden toch maar terug te grijpen op de eigen ervaring en waarneming, niet om zelf een wonderdieet te lanceren, maar om de stelligheden waarmee economen zo vaak aankomen te relativeren, en zodoende ruimte te maken om de verwevenheid van economische theorie met politieke en economische belangen, belastingsystemen, internationale verdragen en wat al niet erbij te betrekken. En daar komt nog bij dat economie uiteindelijk een sociale wetenschap is (dus geen toegepaste wiskunde), met alle grondslagenproblematiek van dien. De effecten van het handelen van economen zijn ook zeker niet alleen financieel: misschien is het nog wel belangrijker dat ze door het formaliseren van economisch handelen bijdragen aan het wegsluizen van zeggenschap, weg van de direct betrokkenen, naar beleggers, die steeds vaker in een ander land gevestigd zijn. (Ik denk aan de buitenlandse beleggers die nog niet zo lang geleden een reeks Nederlandse kinderdagverblijven aankochten ten behoeve van, waarschijnlijk, snelle winst. Of aan de invoering van de euro op basis van formele monetaire overwegingen, en de huidige enorme jeugdwerkloosheid in Griekenland en Spanje.) Kortom: om van economie echt te leren, moet je niet alleen de economische theorieën bestuderen, maar ze ook confronteren met het praktische gebruik van economische theorieën, met de filosofische uitgangspunten ervan, met de wetenschappelijke theorieën waarmee de economie begrippen uitwisselt (sociologie, geschiedenis, politieke wetenschappen enz.) en ook nog eens met de wijsheid van het dagelijks leven: theorie zou hand in hand moeten gaan met reflexiviteit.

Dat geldt niet alleen voor economie, al is dat een fijn  voorbeeld omdat de kranten er bol van staan, en vooral omdat iedereen begrijpt dat er daar echt iets op het spel staat. Filosofen en sociologen hebben ook hun eigen wonderdiëten. Zoals in diëten vaak een hele categorie voedingsmiddelen wordt uitgebannen, of juist alle andere vormen van voeding moet vervangen, geen vet / alleen maar vet, geen koolhydraten / alleen maar koolhydraten, zo kunnen sociologen alles willen verklaren in termen van intentioneel gedrag, of juist intentioneel gedrag helemaal als irrelevant terzijde schuiven, overal functionaliteit herkennen of juist conflicten op de voorgrond stellen, Marx volgen of Elias, of Parsons, of Luhmann, en ga zo maar door. Er lijkt niet veel anders op t zitten dan mee te gaan in de stroming die in de mode is, carrièrekansen lijkt te bieden, of aansluit bij een persoonlijke voorkeur of een trend in een specifiek onderzoeksterrein. Maar om iets verder te komen, is reflexiviteit het enige wat erop zit.

De grootheid van Bourdieu is, dat dit vanaf het begin van zijn loopbaan voor hem een ononderhandelbaar uitgangspunt lijkt te zijn geweest: reflexiviteit boven alles. Dat betekent ook: reflexiviteit in alles. Het is daarom niet zo simpel vast te stellen wat reflexiviteit bij Bourdieu betekent, maar des te meer de moeite waard. Het uitgangspunt is nog simpel: als een socioloog of filosoof anderen een spiegel voorhoudt, moet hij ook bereid zijn zelf in de spiegel te kijken. En zo nodig de maatstaf die hij gebruikt, de spiegel die hij ophoudt, bijstellen, maar ook: zichzelf, het eigen gedrag, de eigen maatstaven, de eigen smaak en houding bijstellen. Dit was voor Bourdieu een project waaraan hij zijn hele volwassen leven heeft besteed: oeuvre en spiegel, oeuvre en reflexiviteit vallen min of meer samen. Om te begrijpen wat de reflexiviteit van Pierre Bourdieu betekent, is zijn levensloop een goed begin.

Bourdieu studeerde filosofie aan de Parijse École Normale Superieure. Filosofie, geen sociologie – het is belangrijk dat te herhalen, omdat Bourdieu in Nederland vaak te gemakkelijk alleen als ‘socioloog’ wordt aangeduid. En aan de École Normale Superieure, dat is ook belangrijk. Dat is  een kleine, uiterst selectieve topuniversiteit waar veel van de beroemde Franse filosofen zijn opgeleid: Bergson, Sartre, Merleau-Ponty, Canguilhem, Foucault, Derrida. Het is een eliteschool en een staatsschool. Studenten ontvangen er een salaris en zijn in principe verplicht de eerste tien jaar na hun studie in Franse staatsdienst te werken; er heerst onder de studenten uiteraard een speciale corpsgeest. Het rotsvaste zelfvertrouwen van veel Franse filosofen, het volslagen gebrek aan relativering van de eigen uitgangspunten, de enorme eruditie, de zekerheid met staatslieden op voet van gelijkheid om te kunnen gaan, dat hoort er bij. Er zijn Franse toppolitici, eerste ministers en presidenten, van de École Normale Supérieure afgekomen, maar ook grote wiskundigen, Nobelprijswinnaars in natuur- en scheikunde, literatuur en economie; Samuel Beckett en Paul Celan hebben er gedoceerd – dat is allemaal waar de ENS voor staat: superieure intellectuele training, superieur netwerk, superieure privileges. Bourdieu is er door gevormd, dat is wel duidelijk voor wie meer dan tien bladzijden van zijn werk leest, en ziet hoe hij steeds zijn concepten ontwikkelt in debat is met een brede waaier van denkers, wetenschappers, schrijvers. Maar hij heeft zich er ook tegen afgezet. Hij verdomde het, volgens eigen zeggen, al tijdens zijn studie om er naadloos in op te gaan, omdat hij een restant wantrouwen tegen de kloostersfeer, het elitebewustzijn, niet van zich af kon zetten. Als dat voor hem al mogelijk was geweest, want Bourdieu was een arme jongen uit de provincie, en zijn accent, zijn gebaren, zijn ontvlambaarheid en stekelige humor lieten hem afsteken tegen het aristocratische Parijse milieu.

Na de universiteit moest Bourdieu in militaire dienst, in Algerije, toen nog een Franse kolonie. In Algerije woedde een langdurige, gewelddadige en vuile onafhankelijkheidsoorlog. Bourdieu weigerde in het leger officier te worden, al lag dat vanwege zijn opleiding voor de hand. Hij wist desondanks in Algerije een kantoorbaantje te bemachtigen dat hem genoeg tijd liet om zijn eerste boek te schrijven: “Sociologie de l’Algérie”, waarna hij zijn onderzoek vanuit een universitaire positie kon voortzetten. In Algerije ontwikkelde Bourdieu zich van filosoof tot socioloog/antropoloog. Hij gebruikt zelf de term “sociologie”, maar hij deed er antropologisch veldwerk, soms onder dramatische en vanwege de oorlog levensgevaarlijke omstandigheden, en het onderwerp van zijn Algerijnse studies, een vergelijking van verschillende Berberstammen en Arabisch sprekende Algerijnen, met vooral aandacht voor de Kabylische cultuur, zou in de gangbare indeling eerder antropologie dan sociologie worden genoemd. Bourdieu zelf gebruikt de term ‘sociologie’, onder andere omdat prominente Franse antropologen als Michel Leiris en Claude Lévi-Strauss er naar zijn smaak te veel toe neigden niet-Westerse culturen bijna als avantgardistische kunstwerken te beschouwen (beiden waren gretige verzamelaars van niet-Westerse kunst, te vergelijken met wat ik hier in maart 2011 schreef over La Fabrique des Images), en te weinig aandacht toonden voor de levensomstandigheden en de strategische keuzes van de mensen die zij onderzochten.

Ik weet niet of er al inmiddels al een goede biografie van Bourdieu is verschenen, al Googelend ben ik er nog geen tegengekomen. Hij heeft zelf, heel consequent, een sociologische autobiografie geschreven – hij was er van overtuigd, en dat spreekt uit al zijn werk, dat de maatschappelijke werkelijkheid een mens tot in de diepste vezels kleurt, en dat daarom een gewone autobiografie een veel te ijdel en willekeurige onderneming is; hij wilde ook zichzelf daarom als het product van  specifieke levensomstandigheden beschrijven en analyseren. Die biografie verscheen eerder in het Duits dan in het Frans.

Bourdieu: Ein soziologischer Selbstversuch

“De intellectuele wereld, die zelf toch gelooft dat ze uiteindelijk vrij is van alle gewone regels, is op mij altijd overgekomen als beheerst door een peilloos diep conformisme, dat me van begin af aan drastisch heeft afgestoten”, schrijft Bourdieu in zijn autobiografische essay. Intellectualisme zonder conformisme – een fascinerende combinatie.

Reflexiviteit: als ik de jouwe mag zien, mag jij de mijne zien – en als ik jouw leven bestudeer om het zo objectief mogelijk te zien, moet ik ook het mijne, en de plaats van mijn wetenschap, objectief proberen te beschrijven

Bourdieu’s behoefte aan reflexiviteit blijkt er om te beginnen uit dat hij zich afwendt van de filosofie, weg van de zuivere theorievorming in de studeerkamer, en zichzelf omschoolt van filosoof naar socioloog. Hoe hij dat kunststuk precies voor elkaar gekregen heeft, weet ik niet. Ongetwijfeld had hij tijdens zijn filosofiestudie het nodige gelezen over de sociale wetenschappen en de filosofische achtergronden daarvan; een deel heeft hij ook zichzelf in de praktijk geleerd. In een interview over de foto’s die hij tijdens zijn veldwerk in Algerije maakte, heeft Bourdieu veertig jaar later de twijfels onder woorden gebracht die hij voelde: “ik zei voortdurend tegen mijzelf: ‘Arme Bourdieu, jij met je armzalige instrumentarium, je bent niet op de hoogte, je zou alles moeten weten, alles begrijpen, psychoanalyse, economie.”

Reflexiviteit blijkt ook uit de manier waarop hij zijn onderzoeksthema’s uitzoekt. Na zijn onderzoek in Algerije gaat hij werken in Parijs, maar hij doet onderzoek in de Béarn, de provincie  in Zuid-West Frankrijk, tegen de Pyreneeën aan, waar hij zelf opgroeide. In Algerije had hij samengewerkt met (onder anderen) Abdelmalek Sayad, een Algerijnse socioloog, afkomstig uit Kabylië, die Bourdieu met zijn kennis van taal en cultuur terzijde stond. Nu gaan Sayad en Bourdieu samen naar Bourdieu’s land van herkomst, waar Bourdieu op zijn beurt de kennis van de insider van taal en gewoonten bijdraagt (hij noemt een terloopse uitspraak van zijn moeder, over hoe kennissen met hun familie omgaan, doorslaggevend voor zijn inzicht in huwelijksstrategieën) en Sayad het ‘objectieve’ perspectief van de buitenstaander levert. En Bourdieu herhaalt iets dergelijks later nog eens, als hij sociologisch onderzoek doet naar cultuur, milieu en maatschappelijke betekenis van de Parijse elite-universiteiten, wat hem natuurlijk lang niet door alle leden van die intellectuele elite in dank wordt afgenomen. Bourdieu bleef in zekere zin een overal buitenstaander, verscheurd tussen zijn afkomst en zijn opleiding (hij noemde zichzelf iemand met een “gespleten habitus”), al kreeg hij in 1982 een hoogleraarspost aan het Collège de France, de meest prestigieuze instelling van Frankrijk en daarmee ook de ultieme positie als insider in de academische elite die Bourdieu met wantrouwen bleef bekijken.

In al deze gevallen is reflexiviteit niet alleen een methodologisch extraatje, zoals je misschien zou kunnen opmaken uit deze omschrijving van het belang van reflexiviteit bij Bourdieu, die ik overneem uit het  Engelstalige Wikipedia-lemma “Pierre Bourdieu”:

“Bourdieu insists on the importance of a reflexive sociology in which sociologists must at all times conduct their research with conscious attention to the effects of their own position, their own set of internalized structures, and how these are likely to distort or prejudice their objectivity. The sociologist, according to Bourdieu, must engage in a “sociology of sociology” so as not to unwittingly attribute to the object of observation the characteristics of the subject. She/he ought to conduct their research with one eye continually reflecting back upon their own habitus, their dispositions learned through long social and institutional training.

It is only by maintaining such a continual vigilance that the sociologists can spot themselves in the act of importing their own biases into their work. Reflexivity is, therefore, a kind of additional stage in the scientific epistemology. It is not enough for the scientist to go through the usual stages (research, hypothesis, falsification, experiment, repetition, peer review, etc.); Bourdieu recommends also that the scientist purge their work of the prejudices likely to derive from their social position.”

Deze passage over reflexiviteit is uitgebreider dan het stukje dat ik hierboven heb overgenomen, en is zeker het lezen waard. Maar waar het mij om gaat, is dat zulke abstracte termen als “reflectie op je eigen habitus” (habitus is een typische Bourdieu-term, het geheel van gewoonten en automatismen  dat – minstens zozeer als de bewuste identiteit – een persoonlijkheid vormt) veel meer betekenis krijgen als je denkt aan de problemen van traditionele Berbers in het deels Arabische Algerije, verwikkeld in een bevrijdingsoorlog/burgeroorlog met het Franse koloniaal regime; of aan de problemen van boeren in de Béarn, die in de jaren ’50 en ’60 door de veranderende verhoudingen opeens geen aantrekkelijke huwelijkspartner meer waren en daardoor soms gedoemd waren levenslang vrijgezel te blijven [inderdaad, “Boer zoekt vrouw”, maar 50 jaar eerder, en niet als lichtverteerbare televisie-kitsch maar serieus]; of de positie van de hoog opgeleide Franse overheidsdienaar en de Parijse haute bourgeoisie. Bestaat er überhaupt een taal, een begrippenkader, waarin je drie zo volkomen verschillende manieren van leven, elk met jarenlang geleefde en verinnerlijkte dromen en aspiraties, strategieën en frustraties, manieren om relaties en belangen te behandelen, helemaal kunt bevatten? Hoe kom je van de een naar de ander zonder een vorm van overheersing, kolonialisme, verraad, zonder neerbuigendheid, versimpeling, vervalsing? Zonder op de ene plaats voor zoete koek te slikken, of helemaal niet te zien, wat op de andere plaats aandacht krijgt, in termen van taboe, mythe, magie, symbool, of juist van structuur, integratie, doelbewust handelen? Reflexieve sociologie is volgens Bourdieu tegelijkertijd een veeleisende theoretische onderneming en een “sport de combat”, een vechtsport.

Bourdieu schrijft in zijn sociologische autobiografie dat hij zichzelf nooit als “socioloog en filosoof” heeft willen aanduiden, en dat hij altijd weerzin koesterde tegen degenen die zichzelf wel als “filosoof en historicus” (of welke andere combinatie ook) aanduiden; hij vond dat onsympathiek en wetenschappelijk niet te verantwoorden. Het bedrijven van één enkele wetenschap is al zwaar genoeg, zeker met de bezeten intensiteit waarmee Bourdieu werkte. Maar Bourdieu is in zijn werk als socioloog voortdurend filosoof. In “Sociologie de l’Algérie” is hij al in debat met het werk van Max Weber, Claude Lévi-Strauss en Ernst Cassirer. Juist waar hij ‘alleen maar’ socioloog lijkt te zijn, in de voetsporen van Marx, Weber en Durkheim, is hij ook filosoof – zo goed als die drie grondleggers van de sociologie stuk voor stuk van belang waren in de filosofie, als Hegeliaan, neo-Kantiaan en positivist. Maar Bourdieu voegt hier veel aan toe. Hij ontwikkelt zijn eigen methode door zich af te zetten tegen zowel het existentialisme van Sartre (te subjectivistisch) als het structuralisme van Lévi-Strauss (te objectivistisch), ontleent concepten en zienswijzen aan Cassirer, Husserl en Wittgenstein. Sociologie is bij Bourdieu tegelijk het volslagen tegendeel van filosofie ; realistisch, gebaseerd om methodisch verzamelde en bewerkte gegevens – en het nauw verwante spiegelbeeld ervan. Franz Schultheis, een Duitse socioloog die met Bourdieu samenwerkte en hielp zijn werk in Duitsland bekend te maken, schrijft hierover in een nawoord bij Bourdieu’s “soziologischer Selbstversuch”: “De grondslag van het permanent bewerkte bouwterrein van Bourdieu’s denken is de poging om de kentheoretische problematiek van Kant “op zijn voeten te zetten”, […] dus om de vraag naar de mogelijkheidsvoorwaarden van kennis in een “sociologisch” Kantianisme op te nemen.” Schultheis wijst verder op de biografische achtergrond van Bourdieu’s reflexiviteit: “Hij benadrukt met goede redenen hoe veel zijn vermogen tot kritische reflectie en objectivering van de alledaagse maatschappelijke ervaring ontleent aan zijn eigen, vaak pijnlijke ervaring van sociale ontworteling en zich niet vertrouwd voelen.”

Hier zijn drie films die Bourdieu voorstellen.Een uitstekende inleiding in Bourdieu’s sociologische theorie is deze Duitse televisiedocumentaire van 45 minuten, met een Duits nagesynchroniseerde Bourdieu, die werd gemaakt in 1981 ter gelegenheid van het verschijnen van de Duitse vertaling (“Die feinen Unterschiede”) van “La Distinction”. Wat is Duitsland trouwens, vergeleken met Nederland, in dit opzicht te benijden: zulke boeken worden niet alleen vertaald, er wordt ook nog eens een televisiedocumentaire aan gewijd.

Maar tien minuten lang: een Amerikaans studentenfilmpje van Keri Alexander combineert (soms melig en recalcitrant) beeldmateriaal met een korte maar gedegen uitleg van vier theoretische sleutelbegrippen die Bourdieu gebruikt om af te komen van die eeuwige dualistische tegenstellingen  tussen subject en object, individu en structuur, vrijheid en gedetermineerdheid. De vier sleutelbegrippen zijn: verschillende soorten kapitaal; veld; habitus; symbolisch geweld.

En dan nog een 140 minuten lange Franstalige documentaire van Pierre Carles over Bourdieu, “La sociologie est un sport de combat”. De documentaire, gefilmd in 1998-2001, laat zien hoe Bourdieu probeert zijn sociologische inzichten praktisch in te zetten tegen het neoliberalisme.

Wat voor Bourdieu zelf soms een kwelling geweest moet zijn, het niet domweg kunnen samenvallen met zijn omgeving, is bij het lezen van zijn boeken vaak een plezier: Bourdieu slaagt er vaak in het vreemde, het bijzondere, het extravagante te laten zien van heel diverse onderwerpen, waarbij ook de academische wereld (of wereldjes) zelf het onderwerp van zijn aandacht wordt. Hij klapt uit de school over de arrogantie van filosofen en ‘filosofen’. De aanhalingstekens gebruikt hij om te wijzen op de eigenaardigheid van het vak (is het een vak?), waarin iemand die is afgestudeerd zichzelf uiteraard filosoof kan noemen, en daarmee iets overneemt van de glans van de Grote Namen uit de Geschiedenis van Het Denken. En hij analyseert het effect van de school, ‘scholè’ (Grieks: vrije tijd, vrij van de noodzaak te werken, onmisbaar om te studeren) en de samenhang daarvan met een scholastische houding, waarin de perfecte aanpassing aan het academische wereldje, het universitaire ‘klooster’, heel goed kan samenvallen met wereldvreemdheid tegenover de buitenwereld. Zijn boeken bieden vaak een combinatie van een doorgaand, complex en hecht betoog met zijsprongen, excursies, illustraties. “Distinction”, zijn sociologische hoofdwerk over de herkomst en uitwerking van culturele verschillen, is niet alleen ruim voorzien van methodologische onderbouwing, de tabellen en figuren van de sociaalwetenschappelijke statistiek, maar ook van illustraties, fotomateriaal, uitspraken uit interviews, krantenknipsels. Wetenschappelijke ernst wisselt Bourdieu af met oplaaiend sarcasme en ironie, academische terughoudendheid met engagement.

Een diagram uit Bourdieu's "Distinction", waarin hij verschillende houdingen ten opzichte van eten relateert aan cultureel en economisch kapitaal

Een diagram uit Bourdieu’s “Distinction”, waarin hij verschillende houdingen ten opzichte van eten binnen Frankrijk relateert aan cultureel en economisch kapitaal

Niet alleen de filosofie wordt door Bourdieu zo serieus genomen dat hij haar bevrijdt uit de ivoren toren, en haar een sociologie, een werkelijkheid van levende mensen, schenkt. Hij heeft iets dergelijks gedaan met de literatuur, waarvan hij zo te lezen evenveel houdt. In “De regels van de kunst. Wording en structuur van het literaire veld” heeft Bourdieu een historische sociologie van de literatuur geschreven, met name aan de hand van het werk van Gustave Flaubert. Bourdieu analyseert Flauberts roman “Leerschool der Liefde” en laat zien dat deze roman bij uitstek een sociologische roman is. Zoals hij zelf in “Distinction” heeft laten zien dat verschillende stijlen van koken en eten direct samenhangen met cultureel en met economisch kapitaal, zo laat Flaubert in de “Leerschool der Liefde” in zijn beschrijving van allerlei dinertjes en feestjes precies zien welke maatschappelijke posities en verwachtingen, kortom: welke habitus zijn personages hebben.

“De regels van de kunst” is een razend knap boek, de slotsom van een reeks studies die Bourdieu aan de sociologie van de kunst wijdde. Hij laar erin zien hoe enkele romanschrijvers voor zichzelf een autonome positie verwierven, niet dienstbaar waren aan de eisen van het publiek maar aan de eisen die de kunst aan hen stelde. Eén van Flaubert’s motto’s, ‘Goed schrijven over het middelmatige’, is ook wat Bourdieu zichzelf ten doel stelt.

Maar mijn bewondering is misschien nog groter voor een ander boek, “La Misère du Monde”. Dit is een praktische pendant van het theoretische “Distinction” uit 1979. Dat was een boek van 600 bladzijden, “La Misère du Monde” (“The Weight of the World”, in Engelse vertaling) uit 1993 is even dik, maar veel toegankelijker. Het is een door Bourdieu’s onderzoeksgroep collectief gemaakte bundel interviews met mensen in achtergestelde posities, opgesloten tussen tegenstrijdige eisen. Dat wil ook zeggen: de mensen die zelden geportretteerd worden in de media. Ze zijn ook minder leuk om naar te kijken, minder welbespraakt, minder happy dan mensen mét succes. Dit boek was bedoeld om het werk van Bourdieu’s onderzoeksgroep door te laten dringen tot een breed publiek; maar het boek als geheel is ook een stevige inleiding in de sociologie. En tegelijk is het te beschouwen als een resultaat van Bourdieu’s wens om de literatuur middenin de werkelijkheid te plaatsen. Zoals Bourdieu in zijn inleiding schrijft: hij volgt schrijvers als William Faulkner, James Joyce en Virginia Woolf. Het gaat er om het enkelvoudige, centrale, dominante, in één woord quasi-goddelijke gezichtspunt los te laten dat een observator maar al te gemakkelijk kan aannemen. Het gaat hem erom te werken met de veelvoudige perspectieven die corresponderen met de veelvuldigheid van coëxisterende, soms rechtstreeks conflicterende gezichtspunten. (Bourdieu noemt hem niet, maar hij sluit hier, lijkt me, aan bij de beginselverklaring van Erich Auerbach in het slothoofdstuk van diens prachtige “Mimesis: De weergave van de werkelijkheid in de westerse literatuur”.)

“The Weight of the World” is bijna te lezen als een mozaiekroman, vol dramatische korte verhalen. De Algerijnen komen er weer in voor, opnieuw geïnterviewd door Abdelmalek Sayad, maar nu zijn het Algerijnse immigranten in Frankrijk. Ook zijn er een paar boeren uit de Béarn, klem geraakt tussen hun boerderij, hun werk, hun leven dat ze niet zomaar kunnen of willen opgeven, en de eisen van de gemoderniseerde en geglobaliseerde landbouw. En het boek bevat gesprekken met een invalide, en met een zieke tachtigjarige vrouw, twee vooral uitzichtloze levens – ik moest er onweerstaanbaar bij denken aan “Opname”, een oude maar onvergetelijke voorstelling van het Werkteater.

Er zijn, las ik, ook inderdaad verschillende theatervoorstellingen op “La Misère du Monde gebaseerd. Het boek was een bestseller in Frankrijk, er werden in het eerste jaar meer dan 100.000 exemplaren verkocht. Natuurlijk is ook dit een belangrijke vorm van reflectie, het zo veel mogelijk terugsluizen van sociologische inzichten naar de “onderzoeksobjecten”,  de mensen over wie het gaat, en naar het publieke debat. In Duitsland is in 2005 een pendant verschenen, dus met interviews met Duitsers, (o.a. gemaakt door die zelfde Franz Schultheis) onder de titel “Gesellschaft mit begrenzter Haftung. Zumutungen und Leiden im deutschen Alltag”. Ook in andere landen is zulk onderzoek gedaan, tot in Griekenland en Laos aan toe, las ik.

Specifiek aan Bourdieu’s sociologie is dat hij weigert mee te gaan in de grote dualismen die zo vaak de debatten en scholen verdeeld houden: subjectivisme tegen objectivisme, constructivisme tegen determinisme. De termen die hij invoerde, “veld” en “habitus”, zijn er allebei op gericht een middenpositie uit te werken tussen subject en object (en hun talloze uitwerkingen in existentialisme, micro-sociologie, auteurschap, fijnzinnige detailanalyse, versus structuralisme, macro-sociologie, semiotiek, bewust confronterende vervreemding). Veld en habitus doordringen elkaar, zijn per definitie niet los verkrijgbaar, en om er een beetje licht naar binnen te laten schijnen tot in hun diepste knoop, waar bepaald is hoe je eet, met wie je trouwt (of juist niet), hoe je praat, hoe je dag is ingedeeld, wat je gelooft, maakt Bourdieu gebruik van een waaier aan ‘subjectivistische’ en ‘objectivistische’ methoden, tot er niets meer lijkt te zijn, noch in het dagelijks leven noch in de theorie, wat niet zindert en schrijnt, wat niet reflecteert als zelden tevoren. Veel van wat Bourdieu aan het licht brengt is pijnlijk en bitter. Hoe objectief wil een mens naar zijn eigen gewoonten kijken, zichzelf zien in een onbarmhartige spiegel? Bourdieu’s spiegel is een harde, maar zijn reflexiviteit werpt licht op mechanismes die te vaak in het donker blijven.

In 1996 hield Bourdieu twee colleges over televisie, die andere, zachtere spiegel. Hij had het over televisie, op televisie: zijn lezingen werden uitgezonden door de zender Paris Première. Zoals hij in “De regels van de kunst” analyseerde hoe enkele schrijvers als Flaubert en Baudelaire een daarvoor ongekende mate van artistieke autonomie wisten te verwerven, zo analyseert hij hier hoe, door welke effecten en krachten in het journalistieke veld, diezelfde autonomie op de televisie verloren gaat. Deze lezingen zijn ook in een boekje uitgebracht; de Nederlandse vertaling, “Over televisie”,  is een prima inleiding in Bourdieu’s werk. Zijn reflexiviteit is iets kostbaars.

Verbijsterend Stedelijk (1a): zit er dan geen garantie op?

leave a comment »

Ik kom terug op mijn vorige post, en op de reactie die ik van het Stedelijk Museum kreeg. “Er is al vaker en door meerdere personen gewezen op de slechte toegang voor invaliden. Deze opmerkingen zijn bekend bij directie en architecten, en bij een eventuele aanpassing van het entreegebied zullen deze klachten worden meegenomen. Er is wel een liftje, maar dat bleek te gevaarlijk: zodra dat gebruikt werd viel er direct iemand in het gat. Ook is er een hellingbaan, maar die geeft alleen toegang tot het museum onder begeleiding.”

Zit er dan geen garantie op dat liftje? “Dat bleek te gevaarlijk”; was daar niet over nagedacht? Dit soort liftjes is gewoonlijk voorzien van beveiliging met slagbomen of hekjes. Het Gemeentemuseum in Den Haag heeft ook een trap voor de ingang, daar zit een liftje naast dat is vormgegeven alsof Berlage het zelf heeft getekend, maar waar het om gaat is: het doet het. Zo’n liftje is echt niks bijzonders, er is een supermarkt in het centrum van Maastricht met een trap in de entreehal, ook daar zit een liftje naast wat het prima doet.

“Deze opmerkingen zijn bekend bij directie en architecten, en bij een eventuele aanpassing van het entreegebied zullen deze klachten worden meegenomen.” Dat betekent, vermoed ik: toegankelijkheid voor mindervaliden heeft geen prioriteit.

Plattegrond Stedelijk Museum: detail begane grond

Plattegrond Stedelijk Museum: detail begane grond

“Ook is er een hellingbaan, maar die geeft alleen toegang tot het museum onder begeleiding.” Ik heb de plattegrond er weer bij gepakt, en ik zie nu hoe het zit. Toen ik er zelf liep was ik te verbaasd om het op te merken, maar die hellingbaan loopt naar de nooduitgang, op de plattegrond aangegeven met een stippellijn. Dáárom mag die hellingbaan alleen onder begeleiding gebruikt worden. In het Stedelijk Museum loopt de hoofdroute voor mindervaliden nu dus via een nooduitgang. Maar het echte nieuws zit in de zinsnede “bij een eventuele aanpassing van het entreegebied zullen deze klachten worden meegenomen”. Scoop! In het vernieuwde Stedelijk Museum wordt alweer nagedacht over een nieuwe verbouwing.

Written by sytzesteenstra

6 februari 2013 at 12:30

Verbijsterend Stedelijk: ontoegankelijkheid (1)

leave a comment »

In de kerstvakantie ben ik met Josh en Alma naar het Stedelijk Museum geweest. Dat is alweer een maand geleden. Het is überhaupt een tijd geleden dat ik iets aan dit blog heb toegevoegd. Dat ik niets schrijf, is niet omdat ik niets meemaak, of niets denk, het komt door de afstand die ik voel tussen wat ik meemaak en denk, en de gereedliggende taal, de concepten en de beelden die me worden voorgehouden. Afstand? Ja, afstand, tegenstrijdigheid, een vermoeiende en frustrerende kloof tussen de werkelijkheid die ik ervaar en de voorgeschreven, opgedrongen schijnwerkelijkheid. Zoals, in dit geval, in het vernieuwde Stedelijk Museum.

Goed, we gingen dus met z’n drieën het museum bekijken. Josh was uiteraard op haar kleine scootmobiel, dat compacte en wendbare karretje dat onder andere zo geschikt is voor museumbezoek. Inmiddels weten we dat het bezoeken van een publieke instelling altijd een stuk ingewikkelder is dan toen Josh gewoon kon lopen. Hoe kom je binnen? Hoe kom je van de ene verdieping naar de andere, van de ene zaal naar de andere? Het is meestal veel lastiger dan ik me ooit had gerealiseerd, vroeger. Hoe een deur opengaat, hoe zwaar een dranger op een deur is, hoe deuren in hallen en gangen achter elkaar geplaatst zijn, hoe groot een lift is, hoe breed een doorgang tussen twee tafels is: dat telt allemaal mee. Maar goed, het Stedelijk Museum is net verbouwd, het heeft veel gekost en lang geduurd, veiligheid en toegankelijkheid stonden voorop bij de verbouwing, musea zoals dit richten zich op een groot publiek – dus de toegang voor invaliden zal wel goed geregeld zijn, toch?

Twee grote glazen draaideuren vormen de nieuwe ingang. Josh waagt zich wijselijk niet in een draaideur, en de gewone deur naast de draaideuren (ook van glas, net als de hele gevel) is op slot. Er staat niet aangegeven hoe rolstoelgebruikers binnen kunnen komen. Geen tekst, geen symbolen, geen pijlen op al dat glas. Transparant maar ontoegankelijk. Maar goed, ik kan Josh buiten laten staan, door de draaideur naar binnen gaan, en een bewaker aanspreken die heel vriendelijk via haar mobilofoon contact opneemt met de centrale beveiliging, de draaideur stilzet en het slot van de gewone deur laat openen, en Josh rijdt naar binnen. Het is omslachtig maar het kan, al is het niet erg gastvrij. Opvallend is het gedrang binnen, de entreehal lijkt te klein voor de bezoekers. We staan in de rij voor kaartjes, gaan door de controlepoortjes, geven onze jassen af bij de garderobe, halen voor Alma een audiotour bij nóg een balie, en kunnen eindelijk de zalen in. Maar daarvoor moet je eerst nog een lage trap op. (Hier te zien: http://www.ruigrok-nederland.nl/8tvd8g-project-bij-stedelijk-museum.html.) Dan is er natuurlijk een hellingbaan! Nee. Moeten we dan beter kijken, misschien aan de zijkant? Nee. Dus weer een bewaker aanspreken, die haalt er vriendelijk een andere bewaker bij, die neemt ons mee naar een hellingbaan die er toch is, die echter niet naar de museumzalen leidt maar naar het afgesloten kantoorgedeelte van het museum. De bewaker doet de deur van het slot, we gaan een paar meter door een gang, ze doet een andere deur van het slot en we staan – zucht van verlichting – in een museumzaal. Goed, niet in de beginzaal waar het museum het publiek ontvangt en zijn goede bedoelingen toont, maar ergens in een willekeurige zijzaal – zaal 0.26, als ik de plattegrond erbij neem. Voorlopige conclusie: bij deze verbouwing, bij het hele langdurige en dure prestigeproject, met alle programma’s van eisen, commissies, technisch adviseurs en sterarchitecten is het blijkbaar niet gelukt het museum gewoon toegankelijk voor invaliden te maken. Het hele traject is ridicuul, en voor Josh in feite te vermoeiend. Ik heb het niet gecontroleerd, maar volgens mij is er een hellingbaan naast de trappen van de oude ingang, nu aan de achterkant. Misschien kan de museumdirectie een bordje naast de glazen draaideuren laten ophangen: invaliden achterom.

Is dit verbijsterend? Mmwah… Het is schandalig en stupide. Voordat ik verbijsterd ben, en tijdelijk met stomheid geslagen, moet er nog iets anders gebeuren. Maar daar is aan gedacht.

Stedelijk Museum, folder Familiespoor

Stedelijk Museum, folder Familiespoor

Eenmaal in het museum was Josh al snel moe, en koos ze er daarom voor met Alma mee naar het ‘familielab’ te gaan, zeg maar de kinderafdeling, vastberaden om zo plezier aan het museum te beleven.  Josh sloeg met Alma aan het tekenen, en ik ben gaan rondkijken, vooral in de Mike Kelley tentoonstelling. (Daarover later meer). Pas toen ik thuis de folders nog eens bekeek, het plattegrondje dat bij de kassa lag en de folder Familiespoor uit het Familielab, en tot me liet doordringen wat daar allemaal werd beweerd, golfde de verbijstering langzaam door me heen.

In de plattegrond die bij de kassa ligt (WELKOM INFORMATIE ORIËNTATIE PLATTEGROND staat er in blokletters op) staat simpelweg: “Toegankelijkheid mindervaliden. Het Stedelijk is goed toegankelijk voor mindervaliden.” Ja, is dit “goed toegankelijk”? Maar verbijsterd ben ik pas als ik goed tot me door laat dringen wat de folder FAMILIESPOOR (gratis in het Familielab) allemaal beweert. De vraag die de folder stelt is: “Hoe beweeg je door het gebouw?” “Dit Familiespoor is voor jullie. Welkom! Met deze schets van de plattegrond in de hand kun je met je familie of vrienden door het museum dwalen. Architect Mels Crouwel, de ontwerper van het nieuwe gebouw, tekende deze schets. Onderweg vind je uitspraken van hem én van kunstenaars, (oud-) directeuren en bezoekers, jong en oud, die net als jullie dwaalden door het gebouw.” “Kies je eigen weg en bepaal zelf waar dit spoor begint en eindigt.”

De folder spreekt de taal van de homo ludens, maar voor kinderen, op kniehoogte. Of misschien is het de taal van het hogere management in de kunstwereld, gekwadrateerd met de taal van het hogere management in de architectuurwereld, waar iedere paradox gemakkelijk is op te lossen, waar iedere logische tegenstrijdigheid met kinderlijke eenvoud wordt overwonnen: je gooit er gewoon wat beeldspraak overheen. Op die manier is het mogelijk naast een 19de-eeuws neo-renaissance bakstenen gebouw een imponerend high-tech gebouw te zetten, een scherp contrast te maken, en tegelijkertijd te beweren dat de nieuwbouw onmerkbaar in de oudbouw overgaat. (De folder: “Het verschil van het oude met het nieuwe gebouw voelt als: Klabaaam!” Natalie, bezoeker. Dezelfde folder: “Alles ziet er van binnen hetzelfde uit. Je hebt niet in de gaten dat je van oud naar nieuw gaat, tenzij je door het raampje kijkt.” Mels Crouwel, architect.) Op die manier kun je ook beweren dat binnen en buiten eigenlijk in elkaar overlopen, alsof die enorme imponeergevel, die badkuip, dat icoon, die glasgevel (vertrouwde aanblik van banken en andere grote kantoren), die kassa’s en bewakingspoortjes er eigenlijk niet zijn, en alsof een kind niet snapt waar ze voor dienen.

Als je er op gaat letten, lijkt het ontkennen van logische tegenstrijdigheden wel het motief van het museum. In de nieuw bijgebouwde museumzalen is geen daglicht en zijn er geen ramen. (De folder: “Er zit maar één raam in de badkuip. Gevonden? Wat zien jullie?”) Toch is het Mels Crouwel, architect van het nieuwe gedeelte, en niet een van de oud-directeuren, die op de folder bij het oude museumgedeelte zegt: “In deze zaal is het licht prachtig, je ziet de wolken voor de zon schuiven.” De lange roltrap die de nieuwe zalen ondergronds dwars door de entreehal verbindt met de nieuwe zalen erboven, is helemaal omsloten door een gele koker, zodat ‘de museumbelevenis’ niet wordt onderbroken. Dat kan, maar de folder zegt dan weer: “De architect noemt deze trap een nieuwe versie van de oude trap. Hij hoopt dat hier ook veel bijzondere dingen gaan gebeuren.” Maar natuurlijk gebruikte een enkele kunstenaar vroeger de oude trap juist omdát daar het gangbare kijken naar kunstwerken was onderbroken.

Het Stedelijk presenteert zich in deze folder sowieso alsof de roemruchte jaren vijftig en zestig dankzij de Badkuip nog steeds niet voorbij zijn, en Nieuw Babylon heropend is. De oude directeur Willem Sandberg wordt geciteerd: “We zoeken naar een omgeving waar men durft te praten, te zoenen, hardop te lachen, zichzelf te zijn”, en de nieuwe directeur Ann Goldstein vult aan: “Een museum is voor mij geen tempel, het zou een thuis en een ontmoetingsplek voor kunst, kunstenaars en onze bezoekers moeten zijn.” Karel Appel wordt geciteerd: “Door spel leggen we opnieuw contact met onze jeugd – Mijn kunst is kinderlijk.” De actie van Gilbert en George, die zich op de oude trap als levende standbeelden presenteerden, wordt genoemd en Willem de Ridder moedigt kinderen aan hen eventjes na te doen: “Je bent nu zelf een kunstwerk geworden.” Maar sinds de jaren zestig zijn er vier decennia voorbij gegaan. Kunstwerken zijn in die tijd ongelofelijk veel duurder geworden, musea worden massaal bezocht, de kunstwereld is geïnternationaliseerd en geglobaliseerd, nieuwe musea zijn belangrijk voor het toerisme, als beeldmerk voor steden, als focus voor de economie van de aandacht en voor de economie tout court. De nieuwe muren in het oude deel van het Stedelijk staan bol – letterlijk, de plinten wijken nu achteruit, iets wat ik nog nergens anders zag – van de technologie, voor de luchtvochtigheid, het licht, de bewaking en Joost mag weten wat nog meer, en dat staat niet los van de nieuwe massaliteit en de exorbitante prijzen in de kunsthandel, met hun weerslag op de verzekeringskosten, de publiciteit, het spektakel. Mogen kinderen van al die dingen, de werkelijkheid waarin zij opgroeien, niks weten?

De plattegrond (WELKOM INFORMATIE ORIËNTATIE PLATTEGROND) vermeldt bij iedere verdieping van het museum de ‘zaalvernoemingen’: de zalen zijn vernoemd, natuurlijk niet naar beroemde oud-directeuren of naar de kunstenaars aan wie het Stedelijk Museum zijn reputatie dankt, maar naar sponsors, grote bedrijven. Een mooi dynamisch neologisme is dat, zaalvernoemingen. De taal is nu zelf een kunstwerk geworden: toegankelijkheidsvernoeming. Thuisgevoelvernoeming: “In mijn ideale museum zouden bezoekers zich thuis moeten voelen, alsof ze er zelf wonen, voor een tijdje”- Ann Goldstein nog eens, in de Familiespoor folder. Baseballpetjevernoeming:

Buiten en binnen: als het prestige maar groot genoeg is, is iedere paradox een bij voorbaat overwonnen uitdaging, toch?

Binnen en buiten: logische tegenstellingen bestaan even niet meer.

Ik snap heel goed dat musea als het Stedelijk in een werkelijkheid vol tegenstellingen en strijdige belangen opereren, maar ik vind het verbijsterend als die tegenstellingen worden weggemasseerd, alsof ze zomaar verdampen in speels-paradoxale pretenties. Misschien ben ik zo verbijsterd omdat ik daar op zich wel plezier aan kan beleven, maar niet als die pretenties zo evident voorbij gaan aan de gewone werkelijkheid: een museum heeft een hellingbaan nodig, een toegankelijke, die een bezoeker zelf, zonder suppoost met sleutelbos, kan gebruiken. Doodgewoon en elementair. Op de Documenta 13, vorig jaar, was bij iedere tijdelijke toiletgroep een invalidentoilet, bij ieder tijdelijk tentoonstellingshuisje een hellingbaan: voor Josh en mij een opluchting en een plezier.

Een paar jaar geleden zocht het Stedelijk een persoonlijk assistent voor de nieuwe directeur, die een “native speaker of American English” moest zijn, dus voor de zekerheid geef ik het Amerikaans-Engelse woord voor hellingbaan er even bij: ramp. Pretentieramp? Paradoxenramp? Vernoemingsramp? Werkelijkheidsbeseframp? Van alles een beetje, denk ik. Maar een hellingbaan hoeft niet duur te zijn, en valt eenvoudig bij te plaatsen, net als een liftje trouwens. Michael Kimmelman, de architectuurcriticus van de New York Times, heeft de ballon met Stedelijke pretenties netjes leeg laten lopen in een kritische bespreking van de grote vernieuwing, helemaal geschreven in Amerikaans Engels (“gonzo design” / “the new Stedelijk gloms onto the rear of the old one” / “to get its mojo back”): http://www.nytimes.com/2012/12/24/arts/design/amsterdams-new-stedelijk-museum.html?_r=0. Met minder pretenties en extra toegankelijkheid blijft er een prachtig museum over, weliswaar een volmaakt onlogische verknoping van vliegveldarchitectuur met een negentiende-eeuws kasteeltje, maar daar zetten we ons wel overheen, als er dan maar realistischer met kunst en kunstwereld, museum en bezoekerswerkelijkheid wordt omgegaan.

PS: Na het schrijven van dit stuk heb ik mijn klacht ook aan het museum gemaild, dat direct reageerde: “Er is al vaker en door meerdere personen gewezen op de slechte toegang voor invaliden. Deze opmerkingen zijn bekend bij directie en architecten, en bij een eventuele aanpassing van het entreegebied zullen deze klachten worden meegenomen. Er is wel een liftje, maar dat bleek te gevaarlijk: zodra dat gebruikt werd viel er direct iemand in het gat. Ook is er een hellingbaan, maar die geeft alleen toegang tot het museum onder begeleiding.”

Written by sytzesteenstra

4 februari 2013 at 19:08