Sytze Steenstra Blog

Archive for the ‘geschiedenis’ Category

Tat Roosdorp (1922-2015)

with 4 comments

img_1224

Tat, op een foto uit 1995

In de zomer van 2015 stierf Tatjana Roosdorp. Ze zou het zelf niet nodig hebben gevonden, maar ik wil haar hier herdenken. Ze was als een tweede moeder voor Josh, voor mij een vriendin en een markante dame. Ik leerde haar pas kennen toen ze met pensioen was, en omdat ze niet graag verhalen over haar eigen verleden opdiste, terwijl dat verleden rondom en in haar toch heel sterk aanwezig was, had ze iets raadselachtigs. In haar omgeving waren de jaren ’30 en de jaren ’50 even reëel als het heden, omdat ze veel van haar ouders had bewaard. Zeker in haar buitenhuisje, dat we simpelweg ‘het huisje in het bos’ noemden, en waar we twintig jaar lang bijna iedere vakantie waren, leek de tijd stil te hebben gestaan. Soms leek Tat minder onderscheid te maken tussen mensen en dieren dan gebruikelijk, en dan niet zozeer omdat ze aan dieren allemaal menselijke sentimenten toedichtte, maar omdat ze veel menselijke motieven en gewoel niet zo interessant of relevant vond. Ze had in het zwakzinnigenonderwijs gewerkt, en ik heb wel eens gedacht dat ze in ieder mens, niemand uitgezonderd (en mij zeker niet) wel een vlekje of naadje zwakzinnigheid wist te zien. Het was dus maar het beste opgewekt te blijven, en niet te vergeten te lachen.

OLYMPUS DIGITAL CAMERABij de eerste kennismaking, bij dat huisje in het bos, scheen het me toe dat Tat wel uit een favoriet kinderboek van mij kon zijn weggelopen. In “De oude oom Pindar in zijn oude huis met zijn oude auto” sluiten kinderen vriendschap met een tweetal oude mensen, een broer en een zus die in een stel oude vervallen vakantievilla’s leven zoals men dat zeventig jaar geleden deed. Zó excentriek was Tat niet, maar wel volstrekt onafhankelijk en wars van veel conventies. Voor Josh was ‘Tante Tat’ behalve een dierbare oudere vriendin ook een legende: Josh heet zelf voluit ‘Josje Tatjana, naar Tat en haar vriend Jos, die in de oorlog in het verzet zat, maar werd gepakt en in een Duits kamp omkwam. Ook Tat werd opgepakt en een aantal maanden in eenzame opsluiting vastgezet. Van Josh hoorde ik iets van de geschiedenissen waar Tat zelf over zweeg; ook over de veel jongere man met wie ze een relatie had toen ze in de vijftig was.

marie-in-het-huisje-in-het-bos-had-even-goed-tat-kunnen-zijn

Een schilderijtje dat Marie in het huisje in het bos laat zien, maar evengoed aan Tat herinnert

Ik heb haar wel eens gevraagd waar ze haar opvattingen en overtuigingen vandaan had. Ze was tegen dikdoenerij, tegen hiërarchie, tegen militarisme, tegen chauvinisme. “Gewoon, van de padvinderij: alle goeds voor alle mensen.”, was het antwoord. Ze was een overtuigd padvindster, maar daarnaast hadden haar ouders natuurlijk ook veel invloed. Haar ouders waren filmmakers, en ze was opgegroeid in een sfeer die in sommige opzichten heel vergelijkbaar was met die van mijn eigen ouders – haar moeder had als onderwijzeres gewerkt, ze was zelf net als mijn vader naar de kweekschool geweest – maar kosmopolitischer, en artistieker. Tat was geen kunstenares, maar ze was opgegroeid in een milieu waarin kunstenaarschap doodgewoon was.

“Marofilm” heette het bedrijf van Tats ouders, Alex en Marie Roosdorp, en het kan niet anders of Tat, hun enig kind, heeft haar zelfstandigheid en onafhankelijkheid ook van hen geleerd.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Alex Roosdorp, de vader van Tat, was fotograaf. Hij was gaan filmen omdat hij dan weg kon uit de doka, de buitenlucht in. Hoewel zijn naam vaak als enige vermeld wordt, werkte Marie, Tats moeder, ook mee, en Tat liet er nooit twijfel over bestaan dat haar inbreng even belangrijk was. De moeder van Marie, een van de grootmoeders van Tatjana, was bevriend met Aletta Jacobs, en iets van haar vrijzinnigheid en politiek bewustzijn is zeker in de familie gebleven.

Marofilm maakte vooral voorlichtingsfilms voor de landbouw, films over aardappelen en bloembollen, over vee en bijen, maar ook uiteenlopende documentaires, zowel op eigen initiatief als in opdracht. Een film over het Limburgse boerenbestaan werd grotendeels opgenomen in de schoolvakanties, zodat Tat meekon in de reportagewagen, waarmee het gezinnetje ook op vakantie ging. Vergeleken met de grote studio’s en Hollywood is Marofilm uit Deventer natuurlijk prozaïsch en provinciaal, maar onmiskenbaar op alle foto’s en in de verhalen is toch een vleug van glamour, moderniteit, buitenlandse reizen en artisticiteit. In de fotoalbums is te zien hoe de Maro reportagewagen in Frankrijk, hun favoriete vakantiebestemming,  op dorpspleinen steeds de aandacht trok: kinderen en volwassenen stonden te dringen om door de raampjes te kunnen gluren. Als fotograaf en cameraman liet Alex Roosdorp zich zichtbaar beïnvloeden door het constructivisme: hoewel hij vooral zijn onderwerpen duidelijk in beeld wil brengen, heeft hij zichtbaar plezier in een sterk grafische beeldopbouw en in krachtige diagonale lijnen.

Tussen de boeken van Tat vonden we een roman van Walter Brandligt, “Witte Gait”, met een opdracht van de schrijver: “Voor de Roosdorps. Tot een herinnering aan La Tour Fondue, 14 Augustus 1938.” Er bestonden vriendschapsbanden tussen de gezinnen Roosdorp en Brandligt; Brandligt woonde eind jaren dertig aan de Côte d’Azur, in Cagnes-sur-Mer, waar verscheidene Nederlandse schrijvers en schilders woonden. Later, terug in Nederland, nam Walter Brandligt deel aan het Amsterdamse kunstenaarsverzet; hij werd in 1943 gefusilleerd.

de zomer van '45

In 2015 was er veel aandacht voor Marofilm. ‘Herwinnen door werken’, een film in kleur die Alex en Marie in de zomer van 1945 hadden gemaakt om de verwoesting en armoede die de oorlog in Nederland achter liet vast te leggen, was door Eyefilm gerestaureerd en werd zowel vertoond in het Nationaal Militair Museum (in een tentoonstelling ‘De zomer van ’45’) als in een aantal filmhuizen. We hadden al afgesproken samen met Tat in het Deventer filmhuis te gaan kijken, maar ze stierf voor het zo ver was. Pas toen we daar werden aangesproken door de conservator van Eyefilm realiseerden we ons dat Josh ook de rechten van Marofilm had geërfd.

Om beter te begrijpen wat Marofilm was, heb ik een reeks films bekeken en alles gelezen over Marofilm wat ik kon vinden, en op die basis voor de Nederlandse Wikipedia een artikel over Marofilm geschreven. Behalve om Marofilm ging het me om Tat. Ik vond haar naam tussen de titels van een film uit 1959-1960, ‘Deventer gasfabriek 100 jaar’, een film die het Deventer stadsgas als alibi gebruikt om een compleet portret van Deventer te maken, van de trotse geschiedenis als Hanzestad tot de fabrieken en nieuwbouwwijken van de naoorlogse jaren. Aandachtig en geduldig kijken, met aandacht voor details én voor de samenhang van alles, dat is de voornaamste eigenschap van het werk van Marofilm, denk ik na een reeks films te hebben gezien.

'Deventer gasfabriek honderd jaar'

Van oorsprong zijn de films niet bedoeld voor de bioscoop, maar voor vertoning in verenigingszalen en in cafézalen, met gesproken toelichting. Met een film de boer op. In de oorlogsjaren deed Tat dat vaak samen met haar grote liefde, Jos Moll.

tatjana-en-jos

Jos en Tatjana, met projectiescherm en in de rugzakken film en projector, in de oorlogsjaren. Tat schreef bij deze foto: “de Marofilmkinderen, 1941/42, 14 dagen in Veenkoloniën, – 23 C”.

T.I.M.M., dat waren Tats initialen. Tatjana Ingeborg Mia Mianka was ze genoemd, naar vier Russische filmsterren uit 1920, vertelde ze ooit. Eind jaren dertig leerde ze samen met haar Jos Esperanto, de taal van de wereldverbeteraars die de mensen en volkeren nader tot elkaar zou moeten brengen. Jos studeerde rechten en landbouwkunde, en als de oorlog het niet verhinderd had, hadden ze vast hun plan uitgevoerd om de wereld een klein beetje te verbeteren. Het verlies van Jos moet zwaar en bitter zijn geweest, maar ze hield dat voor zichzelf.

Goed kijken, alle goeds voor alle mensen, onafhankelijk en non-conformistisch: ze was een bewonderenswaardig mens.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Advertenties

Written by sytzesteenstra

6 november 2016 at 14:58

Verdwijnen in het oude liedje

leave a comment »

Tijdens lange autoritten, als ik het rijden zat begin te raken, vind ik het heerlijk om even te zingen. Na een paar canons (“De uil zat in de olmen”, niets moeilijks, ik moet ook nog op het verkeer letten) ben ik opgefrist en kan ik nog wel een paar uur achter het stuur zitten. Al zingend verdwijn ik een stukje in het liedje : zo lang mijn stem maar aansluit bij de andere stemmen is alles in orde, als de canon maar klopt, iets anders heb ik niet aan mijn hoofd. Verkwikkend is dat.Het zelfde, het opgaan in een oud liedje, gebeurt ook in de vier voorbeelden die ik hier heb verzameld.

Het eerste voorbeeld, vorig jaar in theater De Singel in Antwerpen zelf gehoord en gezien, is De Wooster Group: “Early Shaker Spirituals: A Record Album Interpretation”. (Aan het einde van deze maand staat de zelfde voorstelling in het Centre Pompidou in Parijs.) The Wooster Group interpreteert niets en legt niets uit (en maakt de Shakers zeker niet belachelijk), de voorstelling behelst een heel exacte weergave van een oude grammofoonplaat met opnamen van spirituele gezangen van de Shakers, gezongen door nog levende Shakers.

“The Shakers composed thousands of songs, and also created many dances; both were an important part of the Shaker worship services. In Shaker society, a spiritual “gift” could also be a musical revelation, and they considered it important to record musical inspirations as they occurred.” (Wikipedia)

The Wooster Group doet niet aan naturalistisch theater. De elpee zelf wordt nadrukkelijk getoond, de liner notes voorgelezen. Maar de precisie waarmee de songs worden nagezongen is opmerkelijk. De plaat zelf wordt ook afgespeeld, hoewel de actrices zingen. En als de acteur die de grammofoon bedient de naald wat te ver naar voren in de groef laat zakken (dit is ongetwijfeld zorgvuldig gerepeteerd), zingen de zangeressen even een paar maten van het bijna afgelopen lied, pauzeren dan zolang de uit- en aanloopgroef duurt, en zingen daarna het volgende lied. Zulke precisie is zelf een vorm van inspiratie, wat weer de vraag oproept wat eigenlijk de verhouding is tussen dans en zang en openbaring.

(Er is meer te zien op de website van The Wooster Group, bijvoorbeeld via http://thewoostergroup.org/blog/2014/05/29/early-shaker-spirituals-b-roll-2/.)

Het tweede voorbeeld komt van Richard Thompson: duizend jaar populaire liedjes. Voor het eerst hoor ik in één concert bij elkaar: een madrigaal en een liedje van The Kinks. In het interview dat de documentaire van zijn concert begeleidt, merkt Thompsons tussen neus en lippen door op dat de liedjes die hij bij elkaar heeft gezocht eigenlijk door een band van pakweg tweehonderd mensen had moeten worden gezongen, maar dat het merendeel al door scheurbuik en dergelijke is weggerukt. Ik las dat Thompson zich lang geleden, rond 1970, tot het Sufisme heeft bekeerd; ik denk dat de onderliggende vraag van zijn concert de zelfde mystieke vraag is als die van ‘Early Shaker Spirituals’: hoe individueel is een individu precies? (Ik las ook dat meestergitarist Thompson ooit voorzichtig benaderd is door The Eagles. Talloze keren ‘Hotel California’ spelen,  zou dat misschien het tegendeel zijn van een muzikale openbaring?)

 

Het derde voorbeeld is is een geweldig essay over de geschiedenis een oude Amerikaanse song: “Ain’t No More Cane on the Brazos”, of kortweg “Ain’t No More Cane”. Het lied werd in 1933 voor het eerst vastgelegd, maar het is ongetwijfeld ouder. Het essay heet voluit  “Ground Down to Molasses. The Making of an American Folk Song” en werd twee jaar geleden (July 2, 2014) gepubliceerd in de Boston Review. Het is geschreven door Dave Byrne (niet David Byrne); zie http://bostonreview.net/arts-culture/dave-byrne-ground-down-to-molasses-american-folk. (Ik geef de details zou uitgebreid omdat de link niet altijd werkt. Voer eventueel “Dave Byrne” in in het zoekvak op de homepage van de Boston Review; het essay is fenomenaal.) Het essay verknoopt allerlei covers van “Ain’t No More Cane” (met tien links naar verschillende versies om te beluisteren) met de geschiedenis van de suiker, de Amerikaanse slavernij en gevangenissen, de geschiedenis van folkloristische geluidsopnamen en die van de popmuziek. Briljant. Ik kopieer hier twee links uit Dave Byrne’s essay, maar hij geeft er veel meer, en het geheel is meer dan de som der delen.

Om het af te ronden, om de cirkel rond te maken: in een losse (ik weet het niet precies) samenwerking met The Wooster Group is acteur Eric Berryman bezig met weer een andere ‘record album interpretation’, work songs en spirituals van de grammofoonplaat “Negro Folklore from Texas State Prisons” uit 1965. Zie http://thewoostergroup.org/blog/2016/06/30/the-b-side-rehearsal-part-2/.

Als iemand, als is het maar voor een klein deel, verdwijnt in een oud liedje, is het verleden dan nog niet verdwenen, niet helemaal?

 

 

 

 

Ster en zombie

leave a comment »

In de Maastrichtse binnenstad staan sinds een jaar twee grote stalen sterren waar ik nooit zonder huivering naar kan kijken. Als ik er naar kijk, moet ik lezen wat er op staat, en als ik lees wat er staat, vraag ik me af wat daar bedoeld wordt en wie daar aan het woord is, en langzaamaan verander ik in een zombie. Alle redelijkheid en wilskracht worden uit me weggezogen, Battlestar Eurotricht in. Tot nog toe heb ik me iedere keer weer weten los te rukken, maar hoe lang blijft dat goed gaan?

Zombiester Europa bij het Onze Lieve Vrouweplein in Maastricht

Ja, nee, natuurlijk, ja, het is gewoon een reclameding, een stukje publiciteit, broodnodige en kakelverse en ijskoud-de-lekkerste city branding, dat snap ik. Een stad is een merk, een merk moet gevuld worden met emotie, zonder emotie geen communicatie. Diepvriesverse emotie? Alle dertien even goed-emotie? Groene bio-emotie? Euro-emotie!

Want Maastricht = “Maastricht”, Maastricht is de stad waar in 1992 het verdrag is gesloten dat in het Europese jargon “Maastricht” heet. Sindsdien heet de Europese Gemeenschap de Europese Unie. En sindsdien bestaat in Maastricht de neiging om stad en unie magisch te verbinden en met elkaar te vereenzelvigen. Is Maastricht niet het hart van Europa? Hebben Vlamingen, Walen, Duitsers en Limburgers tot in de verre omtrek niet een speciaal saamhorig Euregio-gevoel? In ieder geval is er een leegte. Misschien kan die wel gevuld worden met emotie? Komt het niet mooi uit dat het Maastrichtse stadswapen en de Europese vlag allebei sterren hebben?

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Europese sterren op een Maastrichtse rotonde en de Maastrichtse ster op een bestelauto

Natuurlijk zijn de sterren onderdeel van een campagne, natuurlijk staat de campagne ook op internet, natuurlijk is er een trailer met de stem van Morgan Freeman.

De campagne is het werk van publieke of semi-publieke instellingen, Gemeente Maastricht, Maastricht University, Maastricht Health Campus, A2 Maastricht, Belvédère Maastricht, Regiobranding Zuid Limburg en VVV Maastricht, maar de taal is die van de markt. De managers van de campagne hebben zinnetjes bedacht als: “Maastricht Meet Europe: één verhaal, dat de kernwaarden (authentiek, open, dynamisch, gemoedelijk en vooruitstrevend) van onze stad herbergt.” Bekijk die videoclip desnoods een keer. Verbaas je over het onduidelijke emo-proza dat Morgan Freeman uitspreekt, en over het gegeven dat hij blijkbaar niet de tijd hoefde te nemen om “Maastricht” te leren uitspreken. “Lost in translation, in a word I can not pronounce”, dat is het laatste wat hij zegt. Denk dan even na over de vraag wat het betekent dat overal, steeds weer, onze aandacht wordt gegijzeld door dit soort manipulatie. Het lijkt emotie, het is technocratie. Authentiek en gemoedelijk?  Dat is een videoclip met een sonore voice-over van een celebrity. Open, dynamisch en vooruitstrevend? De tweede helft van dezelfde videoclip, nu in een snellere montage en met een prominente beat in plaats van een commentaarstem.

Het voornaamste kenmerk van de taal van de technocratie is wel dat je er naar hartelust alles mee kunt in- en uitsluiten. Morgan Freeman de stem van Maastricht? Waarom ook niet? Een portret van Maastricht zonder nondescripte buitenwijken, en zonder de kantoren waar wordt vergaderd over technocratische campagnes, waarom niet? Europese begrotingstekorten bespreken zonder moeilijk te doen over de enorme werkloosheid in landen als Spanje en Griekenland, waarom niet? Een Europese muntunie invoeren zonder duidelijk politiek kader, “Maastricht”, waarom niet?

Ja, nee, natuurlijk, ja, ik zou zelf de technocraten maar al te graag willen geloven, in zekere zin zou ik er maar al te graag zelf een zijn. Naar hartelust de werkelijkheid herdefiniëren en desgewenst wegdefiniëren, daar ben ik heel geschikt voor. Competent ook. Alleen ben ik te zeer gefascineerd door de formele aspecten van de technocratische manoeuvres, door de avantgardistische aspecten van al die enorm formele ingrepen in de weergave van de werkelijkheid, in het gekunstelde ervan. Dat maakt me speels. Het ontketent mijn fantasie, mijn behoefte om variaties te bedenken, dwarsverbanden te leggen, andere perspectieven toe te voegen, méér werkelijkheid te willen in plaats van minder. Zou er geen betere, in artistiek opzicht uitdagender videoclip te bedenken zijn met precies dezelfde soundtrack van Morgan Freeman plus synthi-pop, maar dan uitsluitend met beelden van vergaderingen bij de Gemeente Maastricht, Maastricht University, Maastricht Health Campus, A2 Maastricht, Belvédère Maastricht, Regiobranding Zuid Limburg en VVV Maastricht? “Lost in translation, in a word I can not pronounce”, maar dan met vaste vloerbedekking, bureaustoelen, flap-overs met targets, en staafdiagrammen die aantonen dat het imago van Zuid-Limburg “succesvol verbeterd” is. (Kan iets ook “onsuccesvol verbeteren”? Ik las het op de website van Regiobranding Zuid-Limburg.)

Kunnen die Europese sterren daar op de rotonde niet interactief worden, en voorzien van de onmisbare flexibiliteit die nodig is om het design toekomstbestendig te maken? Effe Daan Roosegaarde bellen? Dat er een ster zijn kopje laat hangen, of dat er een stengeltje knakt zodra er in een EU-land een financieringstekort boven de afgesproken grens komt, of misschien liever zodra de jeugdwerkloosheid in een land boven 5 % komt, of als er nog steeds geen minimumloon geldt? Of dat een ster bloost als er weer eens een voormalig EU-regeringsleider onfatsoenlijke relaties blijkt te hebben onderhouden met de plaatselijke media-magnaat, zoals Tony Blair met Rupert Murdoch, Helmut Kohl met Leo Kirch, en Silvio Berlusconi met zichzelf?

Ik wil graag geloven in de voordelen van de Europese Unie. De Europese geschiedenis, dat is de rechtsstaat, de welvaartsstaat, de renaissance, de roman, maar ook, en in de geschiedenis nog maar kort geleden, de totalitaire staat, het fascisme en het kolonialisme. Het Europese gerommel met Griekenland van de afgelopen maanden wekt de indruk dat de leidende Europese politici vertrouwen op marktwerking en flexibilisering als afdoende garanties voor verdergaande vrijheid en voorspoed. Dat marktwerking moet worden ingebed in politiek vastgestelde kaders, omdat flexibilisering anders voor het zwakste deel van de mensen op de arbeidsmarkt neerkomt op uitbuiting en misère, daar hoor je minder over. Werkloze mensen en mensen met flexi-contracten hebben ook geen adviseurs, geen accountants, geen internationale bankiers, geen marketingplan.

Maar verlies ik de redelijkheid niet uit het oog als ik het dan heb over zombies en technocraten? Niemand anders dan Jürgen Habermas heeft het over zombies als hij het heeft over politici die zich uitsluitend als economische technocraten laten gelden. Jürgen Habermas, de one-man filosofische theoriefabriek die zo vaak als de belichaming van de redelijkheid wordt gezien, en die jarenlang gold als de paus van het geloof in de Europese Unie, schreef laatst in de Süddeutsche Zeitung: “Das schwache Auftreten der griechischen Regierung ändert nichts an dem Skandal, der darin besteht, dass sich die Politiker in Brüssel und Berlin weigern, ihren Kollegen aus Athen als Politiker zu begegnen. Sie sehen zwar wie Politiker aus, lassen sich aber nur in ihrer ökonomischen Rolle als Gläubiger sprechen. Diese Verwandlung in Zombies hat den Sinn, der verschleppten Insolvenz eines Staates den Anschein eines unpolitischen, vor Gerichten einklagbaren privatrechtlichen Vorgangs zu geben.”

“Never waste a good crisis” is het credo van de ware technocraat. Er zijn wereldwijd kantoren waar dit weekeinde dag en nacht gewerkt wordt aan winstgevende scenario’s voor het geval Griekenland uit de muntunie en/of de Europese unie zou vallen, maar heb niets gehoord over winstgevende scenario’s voor de onvolgroeide politieke structuur van de Europese muntunie, ten bate van de rechtsstaat, de welvaartsstaat, en de roman. Ik geloof dat ik bang ben voor zombies.

 

Voor wie meer wil lezen heb ik dit lijstje met aanbevelingen:

Over de onredelijkheid van de Duitse opstelling: Jürgen Habermas in Die Süddeutsche Zeitung: http://www.sueddeutsche.de/wirtschaft/europa-sand-im-getriebe-1.2532119

De onderliggende problemen van deze crisis: Wolfgang Streeck in Der Spiegel, in het Engels op de site van zijn uitgever: http://www.versobooks.com/blogs/2113-wolfgang-streeck-the-greek-crisis-trapped-in-the-eurozone

Economie in breed historisch verband: Amartya Sen in The New Statesman: http://www.newstatesman.com/politics/2015/06/amartya-sen-economic-consequences-austerity

Over bedragen en banken: Mark Blythe in Foreign Affairs: https://www.foreignaffairs.com/articles/greece/2015-07-07/pain-athens

Dichterbij de taal van muziek en film, altijd verbazend goed geïnformeerd, David Byrne op zijn eigen blog: http://davidbyrne.com/growth-austerity-debt

Recensie van een abstractie

with one comment

Soms heb ik een kunstwerk al beoordeeld in de eerste oogopslag. Of eigenlijk is het andersom: het overkomt me wel eens dat een kunstwerk me ogenblikkelijk een zinkend gevoel bezorgt, de zekerheid dat het geen plaats openlaat voor mijn emoties of voor mijn vragen. In dit geval: een installatie in Schunck, in Heerlen, “Wat zou je doen met een miljoen?” Een vraag die me al bij voorbaat aan loterijen doet denken, en daarmee aan een stroom van reclame en hele en halve onwaarheden die ik liever uit de weg ga. De wereld waarin de voorgestelde kansen niet kloppen, waarin ‘gratis’ niet gratis is en waarin liefdadigheid betekent dat allereerst de directie rijk wordt – kijk de recente geschiedenis van de Nederlandse loterijen er maar op na.

Wat zou ik doen met een miljoen? Een ander huis kopen, een reis maken, aan mijn kinderen geven, aan een goed doel geven, aan een actie tegen loterijen geven, een kunstwerk kopen, nog een miljoen vragen, als de visser uit het sprookje ‘de visser en zijn vrouw’? Van wie is dat miljoen eigenlijk? Is er wel een miljoen? Wat gaat die vraag uit de weg? Politiek, sociologie, geschiedenis?

Vervelende reclame: "gratis kans op een miljoen!"

Je komt binnen op de opening, kijkt een ogenblik rond, en ziet: een ruimte die is beplakt met kranten. Voor de interactie zijn er kant en klare stickers gedrukt, de bezoeker wordt aangemoedigd een sticker op een krantenbericht naar keuze te plakken. Is dit interactie of juist niet? Is dit niet de werkelijkheid van multiple choice vragen, van krasloten, van ingekaderde pseudo-communicatie? Zulke overwegingen duren hooguit tien seconden. Daarna besloot ik maar een beetje afzijdig te blijven, en mijn jas aan te houden, al is dat warm: een jas biedt afstandelijkheid, een vorm van bescherming. (Ook tegen mijn eigen ongeduld.)

Overzicht van de installatie "Wat zou je doen met een miljoen?" in Schunck

Overzicht van de installatie “Wat zou je doen met een miljoen?” in Schunck

Na de openingsspeeches heb ik nog rustig rondgekeken. De vijf hoge ramen rechts op de foto hierboven waren beplakt met spiegelfolie; wie de gang achter de ramen betreedt ziet alleen zijn eigen spiegelbeeld, en kan een koptelefoon opzetten waarop ruis te horen is, alleen ruis. Volgens een verklarende wandtekst is hier “ruimte gemaakt voor onverschilligheid”, in de ruimte die is beplakt met kranten “kun je de actualiteit wikken en wegen en kun je dat wat jij belangrijk acht markeren”.

De stickers

De stickers

Mijn probleem is dat ik een sticker plakken op kranten net zo onverschillig vind als met een koptelefoon vol ruis naar een spiegelwandje kijken. Wat maakt het uit? Niet geselecteerde oude kranten zijn ruis. Is dat interactie, een sticker plakken? Met wie, of met wat? De strakke lijn tussen onverschilligheid en interactie in de installatie lijkt mij een cliché, geen kunstwerk.

De hamvraag
De hamvraag

“Met ‘Push and Pull’ lanceert Schunck een nieuwe reeks tentoonstellingen die de interactie tussen publiek en hedendaagse kunst centraal stelt.”

De installatie is gemaakt door een klas (zeven studentes) van de docentenopleiding van de Maastrichtse kunstacademie, met drie begeleiders. Van hun visie op geld, of op politiek, of op de maatschappij, of op de media, of op kunst, of op het leven, weet ik niets: hun installatie zwijgt er in alle talen over. Volgens mij is er helemaal geen sprake van interactie tussen publiek en hedendaagse kunst; kunst wordt niet zomaar in klasverband gemaakt. In feite is dit interactie tussen kunstinstellingen onderling (museum, academie, Mondriaan Fonds), interactie tussen vertegenwoordigers en spreekbuizen van kunstinstellingen. Dat is iets anders, echt iets anders. Noem het desnoods een abstractie van interactie. Ik wacht intussen (ik maak deel uit van de klankbordgroep van het hele Push and Pull-programma, en heb nu alvast mijn steentje bijgedragen) gewoon op een volgende aflevering van ‘Push and Pull’, dan komt Sushan Kinoshita aan de beurt, een kunstenares, iemand die kunst maakt.

Historische achtergrond

‘Push and Pull’ is genoemd naar een happening (of installatie, of performance) die Allan Kaprow (1927 – 2006) in 1963 heeft gemaakt in een Amerikaans warenhuis: twee ruimtes waar bezoekers naar hartelust met meubels en rommel konden slepen en stapelen. (Kaprow’s programma voor ‘Push and Pull’ is te vinden op UbuWeb.) Kaprow was eerst een figuratieve kunstschilder, ging toen abstract werken, werd beïnvloed door ‘action painting van Jackson Pollock, en bedacht daarna, beïnvloed door John Cage, dat het kader van kunst te nauw was voor zijn werk (of voor voor kunst in het algemeen?), dat ‘action painting’ de hele werkelijkheid kon omvatten, dat alles, inclusief het leven zelf, kon worden meegenomen in ‘gebeurtenissen’: “happenings”.

Jaren geleden heb ik een bundel opstellen van Kaprow gelezen, “Essays on the Blurring of Art and Life”. Nu ik me al internettend nog even in zijn werk heb verdiept, valt me op dat zijn hele retoriek ten tijde van zijn happenings was gericht op werken buiten de kunst (Kaprow’s eerste regel voor het maken van een happening: vergeet alle bestaande kunstvormen), maar dat hij keurig is opgenomen in zowel de kunstgeschiedenis als de theatergeschiedenis. Bovendien was hij van 1953 tot 1993, zonder onderbreking, docent aan kunstinstellingen. De ‘Allan Kaprow estate’ wordt vertegenwoordigd door topgalerie Hauser & Wirth (vestigingen in Zürich, Londen, Somerset, twee in New York, en Los Angeles). Er zijn momenteel acht lopende tentoonstellingen waarbij Kaprow’s werk betrokken is: Zwitserland, Nederland (Schunck), Japan, Taiwan, USA (2 x, Minneapolis en Chicago), Australië, Italië, Duitsland; dat zijn meer dan acht landen, want sommige tentoonstellingen reizen. ‘Push and Pull’ alleen al is de laatste jaren ‘geherinterpreteerd’ in de Tate Modern in Londen, in Sydney, en in New York tijdens een ‘Performa’ festival. Dat zegt iets over de werking van het kunstenveld: de niet te stillen behoefte aan een voorbeeld, een autoriteit, een oude meester.

Bij het luisteren naar een lezing van Kaprow op YouTube viel me op hoe bazig hij spreekt, dwingend in zijn voorschriften. Er worden nogal wat lichamen opgestapeld, gedumpt, meegesleurd, besmeurd, kleren afgescheurd in de programma’s voor happenings van Kaprow; en verder zijn er veel auto’s in nodig. Autobotsingen, een brand in een fabriek, de rommel die achterblijft na een storm, dat zijn voorbeelden die Kaprow gebruikt; net als bij de beat poets, ook tijdgenoten, is destructie nooit ver weg.

Misschien had Kaprow als docent een andere, mildere invloed, ik vond dit citaat in een artikel in de New York Times uit 2008: “He taught at CalArts at the same time as the conceptual artist John Baldessari, which inspired the one-liner that while all of Mr. Baldessari’s students went on to become art stars, Kaprow’s went on to become social workers.” Misschien hadden zijn studenten ook meer kijk op de werkelijkheid buiten de kunst om.

NB: deze ‘Recensie van een abstractie’ heeft een pendant: ‘Gerecenseerd door een abstractie‘. Het blijft duwen en trekken.

Written by sytzesteenstra

10 februari 2015 at 19:17

Alain de Botton’s ‘Art is Therapy’ in het Rijksmuseum: het persoonlijke format als ideologisch jargon

leave a comment »

Voor Marianne en Gerbrand

“Hou op! Schei uit! Ik zie dat voor me, ik ben een beelddenker!”

Op zich is Alain de Botton’s tentoonstelling ‘Art is Therapy’ in het Rijksmuseum in Amsterdam al vaak genoeg gerecenseerd, dunkt me. In De Volkskrant noemde Wieteke van Zeil De Botton’s werk treurig, populistisch en beledigend voor het publiek. In Vrij Nederland schreef Carel Peeters over “spiritueel gesop” van een “seculier hijgende dominee”. Aan de andere kant schreef Ernst-Jan Pfauth in De Correspondent over “verreweg het inspirerendste bezoek dat ik ooit aan het Rijksmuseum bracht“.  Ook in het buitenland is er aandacht voor het Rijksmuseum: in The Guardian noemt Adrian Searle De Botton’s werk “smarmy”, oftewel klef: “banality and bathos are the stock-in-trade here”. In plaats van de zoveelste recensie te schrijven, wil ik hier de filosofie, de methode en de retorische strategie van De Botton belichten.

De Botton studeerde geschiedenis en filosofie, maar wil niets te maken hebben met academische historici en filosofen: alles draait volgens hem om persoonlijke authenticiteit en deugd. Er is veel voor te zeggen hem te beschouwen als een vertegenwoordiger van een hedendaagse versie van de existentialistisch-authentieke ideologie waarvan Adorno vijftig jaar geleden een polemisch portret heeft getekend in zijn nog altijd lezenswaardige boek “Jargon der Eigentlichkeit” – in het Engels vertaald als “The Jargon of Authenticity”. Adorno is onovertroffen als hij laat zien hoe een beroep op “wezenlijkheid” en op authenticiteit hand in hand kan gaan met een door en door autoritaire opstelling, en die combinatie typeert ook De Botton. De Botton’s afkeer van de gangbare historische en kunsthistorische methodes doet verder de vraag rijzen waarom het Rijksmuseum, dat toch in hoofdzaak draait om de Hollandse Gouden Eeuw, ervoor heeft gekozen met De Botton te werken. Maar eerst: hoe gaat De Botton te werk?

Het is geen geheim dat de vader van Alain de Botton, Gilbert de Botton, een zeer succesvolle beleggingsexpert was. Hij was de oprichter en voornaamste eigenaar van Global Asset Management (afgekort: GAM), een bedrijf dat de zeer rijken hielp te profiteren van de globalisering, daarbij weer geholpen door de financiële deregulering van Reagan en Thatcher. Na zijn dood drukte The Guardian een necrologie af die een mooi beeld geeft van de werkwijze van Gilbert de Botton: “A new client would be invited for lunch in GAM’s elegant St James’s office, served with delicious, but very light, food and, as the butler took the coffee cups, Gilbert would nonchalantly say: “Let’s see how the markets are doing today”, while opening a concealed drawer in the table. A Bond film scene would ensue: shutters would close, blinds come down, the 18th century mirror would come to light with a back-projected screen showing, in vivid colours, the day’s activities or, better still, GAM’s impressive track record. The client was hooked.”

Het is een scène die ook het werk van Alain de Botton, televisieproducent/bestseller-auteur/televisiepresentator/zelfhulp-filosoof, uitstekend karakteriseert, tenminste als hij achterstevoren wordt afgespeeld. De media-industrie, de maatschappelijke werkelijkheid en de geschiedenis trekken zich discreet terug achter de schermen, alleen de persoonlijke levenssfeer blijft achter, en – ik citeer de achterflap van een van zijn boeken – “De Botton komt naar voren als een grappig, innemend, erudiet en ontwapenend eerlijk persoon.” Zoals vader De Botton over technologische gadgets kon beschikken voor zijn act, zo kan zoon De Botton beschikken over een flink aantal formats voor de zijne. Formats: de genrewetten van de media. Het ‘bruggetje’ waarmee de presentator van het televisiejournaal zich tot de weervrouw/weerman wendt: een onderdeel van het format. De zekerheid dat De Kampioen, dat blaadje van de ANWB, in iedere stad wel gezellige winkeltjes weet te vinden, een géén saaie buitenwijken: format. De top vijftig, de top 2000, de boekentoptien, de beste drie films van deze week, de ranglijst van beste gemeentes, de ranking van internationale universiteiten, je kunt formats opsommen tot het je neus en oren uitkomt. Het format is altijd kant en klaar, het is in één oogopslag herkenbaar, het kent geen spanningsboog, geen emotionele of intellectuele ontwikkeling, of het zou het voorspelbare verloop van een wedstrijd moeten zijn.

“Putdownability” is de term die ik ooit een Amerikaanse grafisch ontwerper hoorde gebruiken om publiekstijdschriften te omschrijven: je legt ze weg zonder spijt of moeite omdat je weet toch niets verrassends of interessants te missen; het is tegelijk de kwaliteit die menigeen zoekt in lectuur. Alain de Botton heeft wat mij betreft volmaakte putdownability: hij onderscheidt zich niet werkelijk van De Kampioen, van krantenbijlages over cultuur en luxe, van tijdschriften over mode en design en celebrities en lekker eten. Maar omdat hij zo langzamerhand wel ’s werelds bestsellende filosoof moet zijn, omdat hij zo graag filosoof wil zijn en niet gewoon schrijver van bestsellers, en last-but-not-least omdat het Rijksmuseum in Amsterdam nu een Alain de Botton-tour heeft, en een ART IS THERAPY lichtbak aan de gerestaureerde museumgevel, is het de moeite waard eens te kijken hoe De Botton zijn formats, zijn stoïcisme, zijn doe-het-zelf psychoanalyse en zijn persoonlijke touch aan elkaar koppelt. De Botton’s “Philosophy of Life” is misschien wel gewoon de opvolger van wat ooit in het Duits “Lebensphilosophie” heette, een gemoderniseerde variant van het existentialisme die is toegesneden op consumptie en individuele wellness. Wellness zoals in “de wellness-industrie”, die samenvoeging van sauna/massage/verwenpakket/hotel-restaurant.

Om kennis te maken met De Botton’s formats is het aardig even te kijken hoe zijn bedrijfjes zich op het internet presenteren. De Botton heeft een  eigen TV-productiebedrijfje, Seneca Productions: “We are committed to making documentaries, and arts, science and history programmes that never forget the duty to keep viewers moved, entertained and amused”. Verder leidt hij The School of Life, een cursusinstituut in London dat via een franchise-constructie ook vestigingen heeft in Parijs, Melbourne en Amsterdam (er staan nog meer wereldsteden op het programma). Er zijn cursussen in De Botton-filosofie, er is zelfhulp-therapie, er zijn niet-godsdienstige preken op zondagmorgen, er is een serie “School of Life” boeken en er zijn hebbedingetjes te koop met opgedrukte De Botton-spreuken of met namen van beroemde filosofen. The School of Life: “Headquartered in London, we operate around the globe, delivering our services down a number of channels to suit your different needs”. Verder heeft De Botton, als spin-off van zijn boek “De architectuur van het geluk”, een boek dat zich laat samenvatten als “je hoeft niet bang te zijn voor modernistische architectuur” het bedrijf Living Architecture. Living Architecture verhuurt royale vakantiehuizen die zijn ontworpen door prominente moderne architecten: “We see ourselves first and foremost as an educational body, dedicated to enhancing the appreciation of architecture. But we also hope that you will have an exceptional holiday with us.”

De Botton beheerst de kunst van de cross-channel marketing als geen andere filosoof. Er is een Alain de Botton romcom, de komedie “My Last Five Girlfriends” (Paramount Pictures), gebaseerd op De Botton’s roman “Essays In Love”. De Botton’s protagonist in de film wordt gespeeld door Brendan Patricks, maar afgaand op de trailer zou je ook kunnen zeggen dat De Botton’s protagonist de rol speelt van Hugh Grant in een serie iets oudere succesvolle romantische komedies (“Four Weddings and a Funeral”:  4 + 1 = 5). Er zijn niet één, niet twee, maar drie tentoonstellingen, op niet één, niet twee, maar drie continenten, gebaseerd op De Botton’s boek “Art As Therapy”; het Rijksmuseum is de meest prestigieuze, maar tegelijkertijd zijn er ‘Art is Therapy’ tentoonstellingen in The National Gallery of Victoria in Melbourne, en in The Art Gallery of Ontario in Toronto. De Botton’s nieuwste boek is “The News: A User’s Manual”, en bij het boek is er een website, The Philosophers’ Mail, volgeschreven door De Botton en andere filosofen van zijn School of Life: “The goal of the Philosopher’s Mail is to prove a genuinely popular and populist news outlet which at the same time is alive to traditional philosophical virtues. […] The site views the rolling succession of the day’s news as an occasion for the development of insight, generosity and emotional intelligence.”

[Een scène uit My Last Five Girlfriends: De Botton’s advies voor succesvol mokken]

Filosofie

De Botton’s werk als filosoof is een combinatie van vier elementen die elk op zich niet ongewoon zijn: zijn kracht is dat hij ze samen weet te smeden. Stoïcisme, zelfhulp-psychologie (d.w.z. een mengsel van gepopulariseerde psychoanalyse en psychologie), formatting, en een schrijfstijl die even toegankelijk als retorisch is: dat is het recept. De Botton is een groot bewonderaar van het stoïcisme; hij noemt graag Seneca (denk aan “Seneca Productions”) en Montaigne als voorbeelden van de wijsheidsleer die hem voor ogen staat. Daarmee geeft hij niet alleen aan zijn eigen werk een vleugje eerbiedwaardige tijdloosheid mee, het heeft ook een cruciale methodologische consequentie. Het antieke stoïcisme besteedde geen aandacht aan kentheorie, aan natuurwetenschap of aan een politieke leer: alle aandacht ging uit naar een ethiek van innerlijke gemoedsrust en van morele verhevenheid boven de slagen van het noodlot. Apatheia in de zin van gemoedsrust, onaangedaan door angst en begeerte, was het ethisch ideaal van de Stoa. Het is een houding die veel later trouwens ook de Britse gentleman karakteriseerde, volgens mijn filosofisch woordenboek. De vraag is natuurlijk in hoeverre apatheia als deugd als keerzijde gewone apathie jegens het lot van andere mensen en andere groepen inhoudt. Het ideaal van de gentleman was ooit strikt voorbehouden aan de klasse die financieel onafhankelijk was; een echte gentleman stond voor de waarheid van zijn woord, maar van die erecode werd in de zeventiende eeuw iedereen uitgesloten die moest werken om te leven. Hoewel De Botton geschiedenis gestudeerd heeft, lijkt hij zich geen moment af te vragen of het stoïcisme ook achterhaald zou kunnen zijn. Voor hem blijft de zuiver individualistische deugdenleer van de stoïcijnen het antwoord op alle “levensvragen”; de moderne staat en alle moderne instituties lijken niet in zijn wereld voor te komen. In de boeken van De Botton is Margaret Thatcher’s roemrucht kreet “There’s no such thing as society” waarheid geworden.

Aan het stoïcisme voegt De Botton populaire psychologie toe. Hij is een verklaard bewonderaar van Donald Winnicott, een Brits kinderarts en psychoanalyticus die de relatie tussen moeders en hun kinderen centraal stelde in de ontwikkeling van het individu. Volgens Winnicott ontwikkelt een kind zich, als het goed is, vanuit een veilige en intieme twee-eenheid met de moeder via een ‘transitional object’ (een ‘troostdekentje’ of een teddybeer) tot een zelfstandige volwassene. Daarbij maakt Winnicott een nogal wollig onderscheid (al is het best mogelijk dat dit heel anders uitpakt in individuele analyses – psychoanalytische therapieën zijn immers zeer langdurig en intensief) tussen volwassenen met een ‘waar’, authentiek, integer en creatief zelf, en volwassenen met een ‘vals’ zelf, dat conventioneel is en inauthentiek. Voeg hier de gedachte bij dat kunst en cultuur troostdekentjes en knuffelberen voor volwassenen zijn, hulpmiddelen om een authentieker zelf te ontwikkelen, en je hebt een goed deel van de formule-De Botton te pakken. Dit is bijvoorbeeld wat De Botton te zeggen heeft bij een harnas uit de eerste helft van de zestiende eeuw, in het Rijksmuseum:

“We zouden hem graag eens stiekem aandoen. Je zou je zo veilig als een baby voelen, maar dan wel in een ijzeren omhulsel in plaats van in een comfortabele draagdoek. Tegenwoordig lopen we niet meer het gevaar om geraakt te worden door een lans, of een tweehandzwaard. De risico’s die we lopen zijn eerder psychisch van aard, maar onze behoefte aan veiligheid is net zo groot.”

harnas

Het harnas in kwestie

En dit is De Botton over een Boeddhabeeld uit China, van Guanyin, uit de twaalfde eeuw, ook in het Rijks: “Sinds de veertiende eeuw wordt deze Boeddhistische godheid niet langer als man afgebeeld, maar als vrouw. Net als Jezus en de maagd Maria hoort Guanyin onze wanhoop aan, toont ons genegenheid, en geeft ons de kracht om onze levenstaken onder ogen te zien. Dat deze figuren in zowel het Boeddhisme als in het Christendom centraal staan, wijst erop dat elke volwassene moeilijke momenten van twijfel kent, samen met het gevoel het niet meer alleen te kunnen. Het betekent dus niet dat je als mens gefaald hebt als je wordt overvallen door een allesoverheersende behoefte aan troost. De moderne samenleving heeft er de allergrootste moeite mee om een eigentijds alternatief te vinden voor deze figuur, die de voor iedereen toegankelijke koesterende moeder voorstelt.”

Omdat alle goede dingen in drieën komen, is hier nog Rembrandts Nachtwacht als knuffeldier, in De Botton-terminologie: “Dit schilderij gaat over hoe fijn het is iets te doen met mensen die je mag. […] Een groep gelijkgestemden, een hecht team, mensen die het beste in anderen naar boven brengen.” De stoïcijnen uit de oudheid zouden allicht verbaasd opgekeken hebben bij zoveel troost en geknuffel, ze steken af bij hun idealen van ataraxia en apatheia. Maar deze combinatie is De Botton’s gouden greep: het is het format aller formats, de geest van de reclame zelf, volgens de formule: reclame = product + emotie. Om de formule goed te kunnen toepassen is eerst een apathische gelijkmoedigheid vereist jegens het product zelf. Wat maakt het uit welke eigenschappen en specificaties het heeft, hoe het gemaakt is, met welke technologie, onder welke omstandigheden, in wat voor arbeidsverhoudingen, in welk land? Het gaat om het gevoel, om de emotionele winst voor het authentieke zelf, de consument.

Dat tijdens het lezen in eerste instantie nauwelijks opvalt dat De Botton zich zorgvuldig aan zijn formats houdt, is de verdienste van de soepele, anekdotische en bovenal persoonlijke schrijfstijl van De Botton. Hij rijgt de ene anekdote aan de andere, en de vraagstellingen die De Botton hanteert zijn steevast zo emotioneel en zo detaillistisch uitgewerkt, dat de lezer geneigd is te denken dat hij het ironisch bedoelt. Neem de volgende citaten uit “De architectuur van het geluk”, uit een beginhoofdstuk waarin De Botton de lezer wil doordringen van het belang van zijn onderwerp: “Hoe wijs was de raad van de oude filosofen om in onze voorstelling van geluk alles buiten beschouwing te laten wat ooit de kans loopt door lava te worden overspoeld, of door een orkaan omver te worden geblazen, met chocolade besmeurd te raken of door een wijnvlek te worden ontsierd. […] Zelfs als de vloer waarop we staan is aangevoerd uit een steengroeve in een ver land en de elegant bewerkte raamkozijnen zijn geschilderd in een zachte grijstint, kunnen we nog worden geplaagd door zorgen of afgunst. […] Ook in een gebouw van Geoffrey Bawa of Luis Kahn kunnen we na een onbenullig, uit de hand gelopen meningsverschil met een echtscheiding dreigen.” Botton noemt een orkaan in één adem met een chocoladevlek, suggereert dat architectuur een middel tegen echtscheiding is, of zou moeten zijn; wil hij serieus genomen worden? Het lijkt allemaal ironisch,  maar zijn betoog leidt naar een pleidooi voor regelgebonden architectuur, voor orde, harmonie, elegantie en samenhang. De Botton pleit in feite voor een hernieuwd classicisme, maar hij prijst het aan in hypersensitief meubelboulevard-proza. Neem dit citaat: “Flagstonevloeren kunnen een vergelijkbaar beeld van harmonie tussen tegengestelde krachten opleveren doordat de grote, stompe stenen zich door een metselaar in een ordelijk patroon hebben laten plaatsen. Je voelt hoe de meest uitgesproken karaktertrekken van deze tegels zijn getemperd, hoe de primitiviteit die nog zichtbaar is in de ruwe rotswanden waaruit ze zijn weggehaald tot beschaving is gebracht. In het belang van de gemeenschappelijke discipline moesten ze hun uitdagende houding opgeven, hun mossige baarden bijknippen en hun wratten en eeltknobbels laten verwijderen…” De Botton gaat zo nog even door. Hij is niet ironisch. Hij meent het. Dat blijkt vooral uit het “wij” dat De Botton graag hanteert, een wij dat geen dialoog zoekt en dat ook geen ruimte laat voor tegenspraak, integendeel. (De lezer voelt zich al snel een flagstone die “in het belang van de gemeenschappelijke discipline”  enzovoorts.)

Want pas op, als De Botton zijn ‘wij’ uit de kast haalt. “We have grown frightened of the word morality. We bridle at the thought of hearing a sermon. We flee from the idea that art should be uplifting or have an ethical mission. We don’t go on pilgrimages. We can’t build temples. We have no mechanisms for expressing gratitude. […] We resist mental exercises. Strangers rarely sing together. We are presented with an unpleasant choice between either committing to peculiar concepts about immaterial deities or letting go entirely of a host of consoling, subtle or just charming rituals for which we struggle to find equivalents in secular society.” (Uit een TED-talk van De Botton over godsdienst voor atheïsten, na te lezen op een website van CNN.)

Het is een autoritair ‘wij’, dat wij van De Botton. Met dat wij van hem betoogt hij dat we niet langer “l’art pour l’art” willen, dat wil zeggen: geen moderne kunst meer, waarin de kunstenaar ‘normloos’ is omdat hij zich geen normen meer van bovenaf laat opleggen. Die normen wil De Botton wel aan de kunst opleggen. Zijn boek “Art as Therapy” loopt uit op het hoofdstuk “Een pleidooi vóór censuur”, gevolgd door het slothoofdstuk “En nu gaan we de wereld veranderen”. Natuurlijk moeten we niet aan Stalin denken, verzekert De Botton de lezer; dat soort brute censuur is uit de tijd. (Poetin? Murdoch? de NSA? Het Chinese Politburo? Teheran? De Botton beseft niet hoe kostbaar en omstreden persvrijheid en artistieke vrijheid zijn.) De Botton’s censuur zal vast meer lijken op een zacht dekentje.

art is therapy-chanel

Niet zo, maar zo. Links: het Musée d’Orsay in Parijs. Rechts: het Rijksmuseum in Amsterdam. De foto links staat in “Kunst als therapie”. De Botton en Armstrong vinden de parfumreclame lelijk, ze schrijven: “In dit geval zou censuur volkomen gerechtvaardigd zijn. De openbare ruimte zou namelijk onze betere natuur moeten weerspiegelen en ondersteunen.”

Ideologisch jargon

Zodra je gaat letten op de manier waarop De Botton met ‘wij’ schermt, begint duidelijk te worden dat dit het persoonlijk voornaamwoord is waarmee hij onvermoeibaar warme kameraadschap en deugdzaamheid predikt en dat hij daarnaast gebruikt als argument waarom het niet nodig is maatschappelijke mechanismen te analyseren. Dit is bijvoorbeeld hoe hij John Armstrong aanprijst, de co-auteur van “Art as Therapy”: “The writer and philosopher John Armstrong is a very bold thinker, arguing that capitalism has gone wrong not because there aren’t enough regulations on businesses but because there isn’t enough education of consumers. In his eyes, the task is not to ban McDonald’s, but to educate our desires so that we might “freely” consider alternatives. This is thinking at once boldly left- and right-wing.”

Opnieuw kost het me moeite De Botton serieus te nemen, maar ongetwijfeld meent hij het. Hoe griezelig bevoogdend en hoe inhoudelijk armzalig het wereldbeeld van De Botton is, blijkt uit de website “The Philosophers’ Mail”. De site wordt niet door De Botton alleen volgeschreven, ook door andere, anonieme docenten aan The School of Life, die over een minder soepele pen beschikken maar des te duidelijker het denkraam laten uitkomen. Als De Botton cum suis bijvoorbeeld het consumentisme bij de kop nemen, komen zij niet aan met economisch cijfermateriaal of een sociologische analyse. In plaats daarvan tonen ze met onbekommerd anachronisme zeventiende-eeuws schilderijen als dit:

Cookmaid with Still Life of Vegetables and Fruit c.1620-5 by Sir Nathaniel Bacon 1585-1627

Sir Nathaniel Bacon: Keukenmeid met stilleven van groenten en fruit, c.1620-5 (Tate Gallery)

De Botton’s toelichting: “The idea of consumerism as evil is a scourge with which to beat the modern world. Yet at its best consumerism is founded on love of the fruits of the earth, delight in human ingenuity and due appreciation of the vast achievements of organised effort and trade. This painting takes us to a time when abundance was new and not to be taken for granted. We are so afraid of greed that we forget how honourable the love of material things can be. In 1620, homage could be paid to the nobility of work and commerce, something that boredom and guilt make less accessible to us today. Perhaps we can learn from this picture. A good response to consumerism might not be to live without melons and grapes, but to appreciate what really needs to go into providing them.”

Consumentisme is natuurlijk ondenkbaar zonder reclame en zonder wereldomspannende industrie. Noch het concept, noch de voorwaarden ervoor bestonden in de tijd van Nathaniel Bacon. Door de werkelijkheid onzichtbaar te maken en onbesproken te laten, tovert De Botton consumentisme om in een deugdzame houding van liefde, plezier en dankbaarheid. Zijn procedé is simpel: presenteer een hedendaags probleem met een lange voorgeschiedenis als tijdloos. Doe dit door het probleem te noemen maar niet te analyseren en ermee geassocieerde emoties en ondeugden op de voorgrond te plaatsen. Presenteer deugden als oplossing voor de ondeugden, en: klaar! Het doorgezaagde weesmeisje springt onverminkt en blakend weer te voorschijn. Ook kapitalisme, toch een complex historisch ding, past in De Bottons goochelkist. Dat gaat zo, bij “The Philosophers’ Mail”:

Welcome to the dawn of capitalism

“Generous, thoughtful, sensitive people are often drawn to the view that we shouldn’t expect economies to ‘grow’. After all, the earth and its resources are limited, so why keep asking for GDP to expand? We don’t need more commercial activity or more businesses. We are destroying the planet fast enough as it is. According to the environmental story, Capitalism pillages the planet for the sake of producing vast quantities of material possessions, many of which we do not really need and only crave because we are duped by relentless advertising. The implication is that we need to wind back consumerism in order to improve society and lead better lives. It’s understandable if this opinion is widespread. But perhaps the good future depends not on minimising Capitalism but on radically extending it. […] The largest and most successful corporations have been those that satisfied appetites that we would categorise as belonging at the bottom of Abraham Maslow’s famous pyramid of needs: oil and gas, mining, construction, retail, agriculture, pharmaceuticals, electronics, telecommunications, insurance and banking. The briefest glance at the pyramid reveals a fascinating possibility: that the future growth of business will lie in an assault on a vast array of needs further up the pyramid, in the areas of love and belonging, esteem and self-actualisation.”

the philosophers' mail

Bij De Botton is kapitalisme geen historisch en economisch verschijnsel, maar een zuiver psychologisch gegeven, de vervulling van een tijdloze behoefte. En het kapitalisme kan in de toekomst zomaar heel erg deugdzaam worden. Zet de werkelijkheid van je onderwerp “stoïcijns” tussen haakjes, kleur het residu “psychologisch” naar behoefte in met authenticiteit en deugden, en ieder probleem is in een handomdraai opgelost. Zonder dat het ons zo vertrouwde wereldbeeld, dat reclame en marketing toch al aan alle kanten uitdragen, ook maar een strobreed hoeft te worden veranderd. Het is niet moeilijk te begrijpen waarom De Botton’s Jargon of Authenticity zo goed verkoopt.

Rijksmuseum

Dat ik toch verbaasd ben over de beslissing van het Rijksmuseum om met De Botton samen te werken, is in de eerste plaats omdat De Botton volstrekt a-historisch denkt en schrijft. Tijdens alle strubbelingen met het eerst geplande en toen toch maar afgeblazen Nationaal Historisch Museum heeft directeur Wim Pijbes herhaaldelijk verkondigd dat het Rijksmuseum in feite al die functie heeft. Dat idee lijkt me niet zo gek, en als het Rijks in de toekomst zou kunnen samenwerken met die andere musea aan het Museumplein, het Stedelijk en het Van Goghmuseum, moeten er zowel historisch als artistiek fantastische tentoonstellingen te maken zijn. Daarvoor is het natuurlijk een goed idee deskundigen van buitenaf uit te nodigen om tentoonstellingen samen te stellen. Er moeten met die enorme collecties verhalen verteld worden, en daarvoor zijn talloze mogelijkheden te verzinnen. Ik noem er drie. Auke van der Woud, veelgeprezen en gelauwerd historicus die prachtige boeken schreef over de geschiedenis van onze steden, dijken, straten en wegen, over de geschiedenis van Nederland? Philippe Descola, antropoloog en filosoof, die eerder in Parijs in het Musée du Quai Branly  en met medewerking van het Louvre een fantastische tentoonstelling maakte over de plaats van kunst en over de verhouding van mens en natuur in verschillende culturen van de wereld? Het Rijksmuseum toont per slot behalve Holland ook de wereld. Jean Fisher en Cuauhtemoc Medina (samensteller van de Manifesta 9 in Genk,2012) over globalisering, van de Verenigde Oostindische Compagnie tot nu? Het zou prachtig kunnen worden. Dat in plaats daarvan De Botton wordt uitgenodigd, die heeft aangegeven kunstkritiek en kunstgeschiedenis te verachten, lijkt me alleen maar te verklaren door zijn status als internationale celebrity: als marketingmiddel. Het organogram van het Rijksmuseum staat op de website: alleen de afdeling marketing heeft een eigen adviesraad, alsof dat het centrum van de organisatie is. Er moet blijkbaar dringend een wetenschappelijke en artistieke adviesraad naast komen, met  leden die in staat zijn duidelijk te maken dat de vlotte levensfilosofietjes van Alain de Botton een nare keerzijde hebben.

Doordat Holland de Gouden Eeuw kende, is Nederland een knooppunt in de geschiedenis van de modernisering van de wereld. Het Rijksmuseum kan dat knooppunt tonen, analyseren, laten zien wat het met het heden te maken heeft. Al is “the past a foreign country”, de sporen van het vreemde zijn in het heden nog goed te zien zijn als ze door een tentoonstelling met een verhaal zichtbaar worden gemaakt, een verhaal dat verder kijkt dan Alain de Botton.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Onderwijs in terra incognita: over thuisonderwijs en hoogbegaafdheid

with 23 comments

Laat ik met de deur in huis vallen: mijn vrouw geeft mijn hoogbegaafde dochter thuisonderwijs. (Ik doe er zelf ook wel iets aan, maar veel minder). Dat is geweldig, een stuk beter dan de beste school die we konden vinden. Zoals onderwijskundigen het uitleggen: thuisonderwijs werkt één op één, is flexibel, sluit aan bij de vragen van de leerling, en is daardoor veel effectiever dan klassikaal onderwijs. Dat het voor mijn dochter een stuk beter is, zegt ook de schooljuf die mijn dochter een jaar lang les gaf, dat zegt de logopediste waar ze wekelijks heen gaat omdat ze dyslectisch is, dat schreef de orthopedagoge in haar verslag nadat ze haar twee dagen lang had getest. Natuurlijk vergt het veel inzet van ons. Het lesgeven kost veel tijd, en het zoeken naar goed lesmateriaal kost ook tijd, en geld. Het is, kortom, een prestatie waarvoor je als ouders best eens een compliment zou willen krijgen, en faciliteiten. Maar dan moet je niet in Nederland wezen.

Hoe zijn we daarin verzeild geraakt? Waarom geven we thuisonderwijs? En waarom ligt het zo gevoelig? Waarom wil staatssecretaris Dekker van onderwijs thuisonderwijs geen wettelijke plaats geven, waarom wil hij niet luisteren naar argumenten van onderwijsexperts die ervoor pleiten thuisonderwijs in Nederland een fatsoenlijke plaats in het bestel te geven? Waar komt toch het beeld vandaan dat het Nederlands onderwijs gericht is op het individu, en voor ieder kind de beste sociaal-emotionele ontwikkeling garandeert? Het zijn vragen waarvan ik meer dan eens wakker heb gelegen. Na lang zoeken en veel lezen heb ik geleerd dat er over hoogbegaafdheid best veel kennis te vinden is, en dat hetzelfde geldt voor thuisonderwijs: er zijn onderzoeken die op beide gebieden veel inzicht geven. Maar het Nederlandse onderwijsveld wil er niet aan. Onderwijsveld: daarmee bedoel ik het samenhangende geheel van docenten en scholen, besturen, koepels en adviesraden, tests en methodes, en natuurlijk de vele soorten experts: de onderwijspsychologen, onderwijssociologen, pedagogen, orthopedagogen, onderwijseconomen enzovoorts. Alle tekortkomingen van het Nederlands onderwijs zijn in het onderwijsveld zelf bekend. Maar de krachten die het veld beheersen, de drang naar grootschaligheid en de toenemende druk om alles te meten, sturen het veld als geheel onvermijdelijk in de richting van uniformering. De experts die in het veld zelf werkzaam zijn, zijn daardoor in het algemeen niet gericht op maatwerk dat uitgaat van het kind, maar zijn erop gericht het kind zich te leren aan te passen aan niet-passend onderwijs. Ik zal, uitgaande van mijn eigen ervaringen, steeds citaten van onderwijsexperts gebruiken om te laten zien hoe onze persoonlijke zoektocht naar passend onderwijs samenhangt met een systeem dat, om zijn legitimiteit overeind te houden, niet wil weten van zijn eigen tekortkomingen.

Op een bepaalde manier is het antwoord op de vraag waarom geven we thuisonderwijs heel simpel. We hebben twee kinderen die alle twee hoogbegaafd zijn. Aan de oudste hebben we gezien dat het onderwijs daar niet op is ingericht, er onhandig mee omgaat, zelfs ronduit schandalig als er eenmaal problemen ontstaan. Op de basisschool – wij kozen een Montessorischool, met ruimte voor individuele ontwikkeling – ben je als ouder nog een gesprekspartner van de leerkracht. De juf van de kleutergroep vindt het leuk dat je kind zo ongewoon snel leert rekenen, en de juf van de onderbouw vertelt je dat ze, met haar dertig jaar onderwijservaring, nog nooit zo’n jongetje heeft lesgegeven. Ze stelt voor dat hij een jaar eerder naar de bovenbouw gaat (voor mensen van mijn leeftijd: naar de vierde klas van de lagere school), omdat hij na twee jaar alles al kan wat er gewoonlijk in drie jaar te leren valt. Ook in de bovenbouw was hij na twee jaar door de lesstof van drie jaar heen. Hij had best twee jaar eerder naar de middelbare school gekund, maar wat betekent dat? Is dat een goed idee? Op dat moment begon ons te dagen dat eigenlijk niemand antwoord heeft op zulke vragen. We stonden aan de rand van onbekend terrein: terra incognita.

Twee klassen overslaan, twee jaar eerder naar de brugklas, dat leek ons een beetje veel. We gingen maar op onze eigen intuïtie af, want niemand, werkelijk niemand, had gefundeerde goede raad. Jaren later heb ik nog een artikel uit de krant geknipt, toen een ontwikkelingspsycholoog, Lianne Hoogeveen, onderzoek had gedaan naar kinderen die een klas overslaan. Kenmerkende citaten: “inderdaad een lastig dilemma.” “Er is geen veilige weg.” Je moet kiezen uit twee kwaden? “Dat hoeft niet, je moet per kind kijken wat het beste is. Maar ik geef toe, dat is lastig en complex. […] Het is niet meer dan menselijk dat je je het meest op je gemak voelt tussen je gelijken. Maar het past niet in het plaatje: in onze maatschappij wordt ongemakkelijk gedaan over hoogbegaafdheid. De reactie is al snel: ja hoor, túúrlijk, hoogbegaafd… Je kunt beter zeggen dat je kind goed kan voetballen dan dat het hoogbegaafd is.”

Het leek ons het beste onze zoon nog een jaar op de basisschool te houden. Het viel niet mee de IB ‘er – dat is de ‘intern begeleider’, het hele onderwijsveld staat werkelijk bol van jargon en afkortingen, en ‘intern begeleider’ is dan weer de term voor de juf die kinderen met leerproblemen individueel bijschoolt – over te halen extra lesmateriaal voor hoogbegaafden voor de school te kopen, maar uiteindelijk lukte het. Het werd een prima schooljaar, maar alleen omdat mijn vrouw twee dagdelen per week projectonderwijs op school ging geven: programmeren voor beginners, een website maken, zulke dingen. Ik maakte zelf geschiedenis proefwerkjes. Het was in feite voor een groot deel thuisonderwijs, maar dan op school aangeleverd. Toen kwam de overstap naar de middelbare school.

De schoolkeuze was eenvoudig, want er viel niets te kiezen. In Maastricht, waar wij wonen, was ooit een middelbare Montessorischool, maar die was al verdwenen, na een schimmig fusieproces met een ‘standaard’ scholengemeenschap voor havo/vwo. Er was ook een Vrije School, maar die had (toen nog) geen vwo. De drie vwo-scholengemeenschappen die er waren vielen alle drie onder hetzelfde schoolbestuur, en boden alle drie hetzelfde recht toe – recht aan standaardonderwijs. Dit is iets om even goed tot je door te laten dringen: de Nederlandse overtuiging, vast verankerd in het onderwijsstelsel, dat voor alle kinderen die havo of vwo aankunnen één enkele pedagogische benadering goed genoeg is. One size fits all. Lesuren van 50 minuten: nog nooit van ‘flow‘ gehoord. Frontaal, klassikaal onderwijs: nog nooit van projectonderwijs gehoord, of van samenwerking, of van individuele ontwikkeling, van het belang een adolescent eigenaar te maken van de eigen scholing. Het gaat me er niet om dat zo’n school geen recht van bestaan heeft, er zijn kinderen die er goed mee uit de voeten kunnen; maar het is een schande dat het Nederlandse onderwijsveld niet van boven tot onder doordrongen is van de behoefte aan keuze, aan verschillende werkvormen in het onderwijs. Ik weet wel dat er in de grote steden her en der andere scholen bestaan; maar in Maastricht, toch een universiteitsstad, naar Nederlandse maatstaven een middelgrote stad met een centrumfunctie, was er werkelijk geen enkele keuze. Het bestuur van die drie scholen wil ze nu zelfs samenvoegen tot een enkele megaschool, en noemt dat kwaliteit. Ik noem het dirigisme. Alsof je verplicht wordt vijf dagen per week bij McDonalds een voorgeschreven menu te eten, zes jaar lang. En het is een plicht: de leerplicht is in feite schoolplicht.

Toen mijn zoon naar de middelbare school ging, was ik nog niet zo somber. De basisschool was goed gegaan, dankzij één goede juf en veel inzet van ons. Waarom zou de middelbare school niet goed gaan? Achteraf was het een waarschuwingssignaal toen in de brugklas een werkstuk als onvoldoende werd beoordeeld omdat “het taalgebruik te volwassen was”. Dat kon die jongen nooit zelf hebben geschreven, dacht de docent. Draagt de basisschool kinderen eigenlijk zorgvuldig over aan de middelbare school? Of tenminste kinderen die een klas hebben overgeslagen? Nee, dat gebeurt niet. (Bij McDonalds komt de kok ook niet aan tafel informeren naar je hoogstpersoonlijke voorkeur.) De docent die oordeelde dat mijn zoon een te volwassen taalgebruik had, bleek de rector van de school te zijn; ook een manier om kennis te maken met de filiaalmanager. Om een lang verhaal kort te maken: mijn zoon heeft zich ruim twee jaar lang keurig aangepast aan het schoolsysteem. Als vader heb je daar niet heel veel zicht op. Ben je op de basisschool nog een zeer gewaardeerde ‘hulpouder’, een doorsnee scholengemeenschap kent een kind vooral als gemiddeld rapportcijfer, en biedt voor een individuele benadering geen enkele ruimte. Het overleg met ouders bestaat eigenlijk alleen uit de toelichting van dat gemiddelde cijfer. Hoe zouden die jaren geweest zijn? Ik denk dat het kranteninterview met Lianne Hoogeveen (ze is inmiddels hoofd van het centrum voor begaafdheidsonderzoek in Nijmegen) een aardige indruk kan geven. Ik citeer weer: “Uit haar onderzoek blijkt dat hoogbegaafde kinderen die op de basisschool een klas overslaan, in de eerste twee klassen van de middelbare school minder zelfvertrouwen hebben en minder geaccepteerd worden door hun klasgenoten.” En als docenten goed omgaan met hoogbegaafde kinderen, volgt de klas vanzelf? “Vaak werkt het wel zo. Als een docent laat merken dat hij het maar niks vindt, zo’n hoogbegaafde leerling die veel jonger is dan zijn andere leerlingen, dan pikt een klas dat haarfijn op. […] Stel je voor dat er zo gepraat werd over allochtone leerlingen, dan was de wereld te klein. Maar over hoogbegaafde leerlingen die een klas overslaan, mag je alles zeggen. De teneur bij ouders is vaak: oh nee, ik zou mijn kind nooit een klas laten overslaan. Ik wil die angst wegnemen door te zeggen dat het voor een kind beter kan zijn, want het reguliere programma is niet voldoende voor en hoogbegaafd kind.”

Ik herhaal een paar uitspraken: “Er is geen veilige weg.” “Het past niet in het plaatje.” “Stel je voor dat er zo gepraat werd over allochtone leerlingen, dan was de wereld te klein. Maar over hoogbegaafde leerlingen die een klas overslaan, mag je alles zeggen.” Het zijn uitspraken die heel goed de onverkwikkelijke sfeer weergeven van de gesprekken waarin we verzeild raakten toen mijn zoon in de derde klas overspannen raakte, depressief werd en niet meer naar school wilde. De teneur vanuit de school was: hoe kwamen wij als ouders er in vredesnaam bij dat die jongen begaafd was? Hoe kwamen wij, zijn ouders, er überhaupt bij dat wij ons eigen kind beter zouden kennen dan de jaarlijks wisselende docenten en mentoren? Hij kon het gewoon niet aan, en wilde niet deugen ook. Onzin dat zo’n jongen intelligent is, want dan zou je dat toch aan zijn cijfers kunnen zien? Ouders zijn voor zo’n middelbare school gewoon geen serieus te nemen gesprekspartner, ook niet als ze, zoals wij, allebei hoogopgeleid zijn en allebei zelf veel onderwijservaring hebben. (Ik heb nota bene zelf een paar jaar les gegeven op precies zo’n school, ik weet waar ik het over heb.) Omdat een school blijkbaar alleen met cijfers kan omgaan, hebben we onze zoon maar een intelligentietest laten maken; jawel, daar kwam uit dat hij hoogbegaafd was; “zeer hoogbegaafd” zelfs, volgens de indeling die in Nijmegen wordt gehanteerd. Er volgden jaren met pappen en nathouden, jaren met een jongen die geleerd heeft dat zijn school als het er op aankomt  geen enkel respect voor hem kan opbrengen, die daarop reageert door onverschillig te worden, vrijwel niks te doen, en die overgaat door de alleen de laatste twee of drie weken van elk schooljaar even hard te werken en zo zijn cijfers op te halen. En dan natuurlijk met het flankerende gedoe met psychologen, een schoolpsycholoog, een orthopedagoog, noem maar op: mensen met goede bedoelingen en goede inzichten, maar zonder de minste of geringste invloed op de dagelijkse gang van zaken op school, op de werkelijkheid in het klaslokaal. Pappen en nathouden, want: er is leerplicht, en er is niks te kiezen, alle scholen in de stad die in aanmerking komen bieden hetzelfde onderwijs.

Dit verhaal is niet uniek, helaas. Wie er oog voor heeft, kan veel vergelijkbare verhalen van ouders van hoogbegaafde kinderen vinden. Verhalen over depressie, isolement, overspannenheid, verslaving, over de verschillende uitwegen die kinderen kunnen kiezen om de kont tegen de krib te gooien: expres slechte cijfers halen, de docenten uitdagen, noem maar op. Natuurlijk weten onderwijsexperts er ook wel vanaf, maar het onderwijsveld is vrijwel immuun voor verandering: het huidige systeem is gevormd is door decennia van schaalvergroting, is vastgelegd in rendementseisen, in methodes en protocollen. Het onderwijs als geheel wordt daardoor steeds uniformer, de ruimte voor uitzonderlijke kinderen wordt steeds minder. Dat is niet alleen mijn persoonlijke overtuiging, het is ook de conclusie die een historicus heeft getrokken in een recent proefschrift over de geschiedenis van het Nederlandse onderwijs vanaf 1945. Die historicus, Bram Mellink, schrijft: “Onderwijs, minder hiërarchisch en religieus ingekleurd dan voorheen, is tegelijkertijd uniformer geworden door toegenomen overheidscontrole en een uniformer toetsingsbeleid.” (http://dare.uva.nl/document/484659) Wat dat betekent, kan ik uit eigen ervaring vertellen. Mijn dochter is al net zo vlug van begrip als mijn zoon, maar ze is dyslectisch. Dat betekent dat ze qua algemene kennis en begrip zomaar twee of meer jaren voorligt op haar leeftijdsgenootjes, maar qua spelling ligt ze juist een stuk achter. Ze leest graag, wat voor een dyslectisch kind bijzonder is, maar het ‘decoderen’ van losse woorden en zinnetjes die geen deel uitmaken van een verhelderende context is voor haar erg moeilijk. Om zo’n kind adequaat les te geven is veel individuele aandacht nodig, dat is duidelijk. Het is ook duidelijk dat die aandacht er binnen het Nederlandse onderwijssysteem niet is.

De Montessori basisschool waar mijn dochter naar toe ging, had inmiddels de Cito-toets ingevoerd. (Toen mijn zoon op diezelfde school zat, hield de school het Cito nog buiten de deur, omdat de school juist geen standaard onderwijs wilde geven. Maar blijkbaar werd de druk te groot.) Het was duidelijk dat mijn dochter, met haar dyslexie, op basis van de Cito-toets een vmbo-advies zou krijgen; het was ook duidelijk dat het vmbo voor haar geen passend onderwijs zou zijn. De school zag geen andere uitweg dan spellingonderwijs, spelling en nog eens spelling: dictees maken, en de foute woorden tien keer overschrijven. Een soort dyslexie-uitdrijving; mijn dochter bracht de helft van de schooltijd door met het maken van dictees, en dat betekent bij haar: met het maken van taalfouten, want ze is dyslectisch. Dat gaat niet zo maar over, dat is bekend; maar wie durft de Cito-toets nog te relativeren? Dus school ging voor haar betekenen: fout op fout stapelen. Niet meer met de klas mee naar muziekles of naar tekenen, maar in die tijd nog eens een dictee afmaken, en dus: nieuwe fouten maken, want als ze een woord tien keer overschrijft is de kans groot dat ze weer nieuwe fouten maakt. Naar school gaan ging betekenen: fout zijn, dom zijn. Dan maar thuisonderwijs geven, was onze slotsom. Dat is geweldig, een stuk beter dan de beste school die we konden vinden – zo begon ik dit verhaal. Thuis hoeven we geen overdreven aandacht aan spelling te geven, en kunnen we haar zelfvertrouwen weer herstellen. Ze heeft, dat geeft misschien het beste weer wat hoogbegaafdheid betekent, als meisje van elf met succes meegedaan aan een Engelstalige internetcursus op universitair niveau, “What a Plant Knows”. (https://www.coursera.org/course/plantknows) Ze heeft belangstelling voor planten, vandaar. Ze haalde, op haar tenen, gemiddeld een 9,3 voor alle toetsen! Thuis geven we ook aandacht aan spelling en aan schrijfvaardigheid, maar niet ten koste van al het andere.

Eind goed, al goed? Nee, zo gemakkelijk is het niet, want thuisonderwijs is in Nederland niet geaccepteerd. Net als hoogbegaafdheid is het iets waarvoor het onderwijsveld liever de kop in het zand steekt. Net als bij hoogbegaafdheid zijn er wel deskundigen die weten hoe de vork in de steel zit, maar het onderwijsveld wil er niet aan. Dat geeft praktische problemen: allerlei onderwijsmateriaal dat gewoon klaarligt is niet, of moeilijk, toegankelijk voor ouders die thuisonderwijs geven. Uitgeverijen zijn gewend alleen met scholen zaken te doen, en weigeren bestellingen voor minder dan vijf exemplaren. Lesmateriaal van de wereldschool, speciaal ontwikkeld voor kinderen die met hun ouders mee naar het buitenland gaan, mag je in Nederland niet  bestellen. De huidige staatssecretaris van onderwijs, Sander Dekker, is van plan thuisonderwijs in Nederland nog moeilijker te maken dan het al is, en weigert daarbij in te gaan op de argumenten die door gezaghebbende instanties en experts ten gunste van thuisonderwijs naar voren zijn gebracht. Dekker wil in 2014 de wet “Passend onderwijs” invoeren, en bij die gelegenheid meteen het van oudsher, sinds de geleidelijke invoer van de leerplichtwet, in de wet verankerde beroep op de godsdienstvrijheid afschaffen. Dat beroep op godsdienst dateert natuurlijk uit de tijd van de verzuiling, en die tijd is voorbij. Van verschillende kanten is geadviseerd om daarom nu de leerplicht in een leerrecht te veranderen.

Dat advies komt bijvoorbeeld van de kinderombudsman. In het rapport “Van leerplicht naar leerrecht” uit 2013 schrijft hij: Er dient in Nederland een omslag te worden gemaakt in het denken over onderwijs. Een omslag van leerplicht naar leerrecht, waarbij allereerst vanuit het perspectief van het kind wordt gedacht.” (Zie http://www.passendonderwijs.nl/wp-content/uploads/2014/01/Van-leerplicht-naar-leerrecht.pdf.) De kinderombudsman is geen kind wat voor ombudsman speelt; het instituut ‘kinderombudsman’ maakt deel uit van de Nationale Ombudsman, een Hoog College van Staat – een kantoor met 170 medewerkers, voor een goed deel juristen. “Van leerplicht naar leerrecht” is geschreven in rapportentaal, vol juridische termen en beleidsjargon, maar dat neemt niet weg dat er niet mis te verstane observaties en aanbevelingen instaan. “Bijna alle partijen uit het onderwijsveld waren van mening dat de behoefte van het kind teveel wordt bepaald vanuit het huidige onderwijsaanbod, maar dit aanbod is teveel ‘hokjes gericht’. In dit statische onderwijssysteem is het dan erg moeilijk om een dynamische oplossing voor het kind te vinden.” “Opvallend daarbij zijn de vele meldingen van of over hoogbegaafde kinderen.” “Ook kinderen die uitblinken in bepaalde vakken, maar niet bij alle vakken even goed meekomen, ervaren problemen. Bijvoorbeeld de kinderen met dyslexie.” (p. 8) Het rapport van de Kinderombudsman wijst er alvast op dat de invoering van de wet “Passend onderwijs” dit allemaal niet zal verbeteren: “De Kinderombudsman zet, evenals het onderwijsveld, echter vraagtekens bij de verwachting dat het onder Passend onderwijs allemaal beter zal gaan. De invoering van Passend onderwijs alleen, zal de in dit onderzoek genoemde knelpunten niet oplossen, waardoor het aanbod van passend onderwijs zal blijven tekortschieten. Zolang schoolbesturen, leerkrachten  en leerplichtambtenaren niet worden gestimuleerd in het creëren en toepassen van maatwerk, en de Inspectie haar toezicht niet aanpast, brengt ook het nieuwe stelsel hier geen verandering in.” (para. 3.6) Het lijkt op wat George Orwell newspeak noemde: passend onderwijs betekent geen passend onderwijs.

De staatssecretaris heeft geen zin in het invoeren van leerrecht, hij wil gewoon helemaal af van thuiszitters en thuisonderwijs. In een kamerbrief (van 5 juni 2013) waarin hij reageert op het rapport van de kinderombudsman schrijft hij doodleuk: “De school is de plek waar kinderen andere kinderen ontmoeten en sociale vaardigheden kunnen ontwikkelen. Voor kinderen die onverhoopt thuiszitten is het niet meer naar school gaan juist een groot gemis.” Dekker herhaalt de clichés die over thuisonderwijs de ronde doen; maar geen woord over de werkelijke praktijk, over het onderwijs dat steeds dwingender homogeen wordt, en waarin volgens de onderzoekers “geen veilige weg” voor hoogbegaafde leerlingen door het onderwijs is. Dat Dekkers mening over ‘thuiszitten’ (thuisonderwijs bestaat in Nederland officieel niet, vandaar dat ‘thuiszitten’) nergens op gebaseerd is, blijkt ook uit een verklaring van een aantal onderwijsdeskundigen over thuisonderwijs, met de duidelijke titel “Thuisonderwijs heeft ook in Nederland recht van bestaan”. Zij wijzen er om te beginnen op dat de (gezaghebbende) Onderwijsraad in 2012 nog met een advies kwam over een nieuwe uitleg van de grondwettelijke vrijheid van onderwijs. De Onderwijsraad schreef (op p. 47 van het advies): “In dit opzicht is het vreemd dat voor het thuisonderwijs (ongeveer driehonderd leerlingen op jaarbasis) niets is geregeld ten aanzien van de verplichtendheid, de kwaliteit en het toezicht. De overheid kan de kinderen en jongeren waar het hier om gaat, hoe klein deze groep ook is, niet ongelijk behandelen ten opzichte van leerlingen in bekostigde en particuliere scholen. Ook deze kinderen hebben recht op goed onderwijs. De raad adviseert daarom voor het thuisonderwijs wettelijke waarborgen te creëren dat ouders – die dus voor hun kinderen ontheffing van de leerplicht hebben gekregen – vervangend onderwijs aanbieden. Ook moet wettelijk gewaarborgd worden dat de overheid daar adequaat en proportioneel toezicht op uitoefent en deugdelijkheidseisen kan stellen, die vergelijkbaar zijn met die voor het particulier onderwijs.” De auteurs van “Thuisonderwijs heeft ook in Nederland recht van bestaan” maken vervolgens, op basis van onderzoek, korte metten met de clichés van de staatssecretaris van onderwijs. Ze brengen naar voren dat thuisonderwijs door de effectiviteit vaak een voorsprong geeft, en dat thuis onderwezen kinderen over het algemeen sociaal vaardig en maatschappelijk betrokken zijn. De ouders gaan niet over een nacht ijs. En: “Er zijn kinderen voor wie thuisonderwijs als vangnet functioneert voor als het op school niet meer lukt. Grosso modo gaat het om twee groepen kinderen. Er is allereerst een groep kinderen met uitzonderlijke cognitieve talenten. Ondanks de aandacht voor hoogbegaafdheid in het onderwijs ontvangt een deel van deze kinderen geen passend onderwijs. Er blijken in de praktijk grenzen te zijn aan de differentiatiecapaciteit van scholen.”

In zijn behoefte om thuisonderwijs te verbieden, spiegelt staatssecretaris Dekker zich graag aan Duitsland, waar ook schoolplicht is. De vergelijking met de andere ons omringende landen gaat hij uit de weg. In Vlaanderen en in Groot-Brittannië is thuisonderwijs gewoon een recht; daar gaat de overheid er dan ook nuchter en ontspannen mee om. Een blik op de overheidswebsites is genoeg om te begrijpen waarom de Onderwijsraad, de Ombudsman en het groepje hoogleraren en onderzoekers dat “Thuisonderwijs heeft ook in Nederland recht van bestaan” schreef, het leerrecht ook in Nederland zouden willen invoeren. In vergelijking doet de Nederlandse situatie klungelig en hypocriet aan; denk bijvoorbeeld aan wat de NRC op 7 juni 2013 schreef over geheime contracten tussen ouders en onderwijsinspectie. In alle andere West-Europese landen is thuisonderwijs een recht; er zijn meerdere landen waar dit recht in de grondwet is verankerd. Waarom is Duitsland een uitzondering? Het antwoord is, niet zo verrassend, te vinden in de uitzonderlijke Duitse geschiedenis. De wet die thuisonderwijs verbiedt werd in 1938 aangenomen, door de nazi’s dus, die alle kinderen wilden indoctrineren. Ik neem aan dat de wet na de Tweede Wereldoorlog niet werd afgeschaft omdat de geallieerden juist die indoctrinatie weer ongedaan wilden maken. Hoe dan ook, het is een wet met een geschiedenis die een liberale bewindsman tot nadenken zou moeten stemmen. Een internationale vergelijking zou verder moeten kijken dan dat ene land dat in het straatje van de bewindsman past.

De website van de Britse overheid over thuisonderwijs

De website van de Britse overheid over thuisonderwijs

Wat betreft het onvermogen van scholen om hoogbegaafde kinderen passend onderwijs te bieden, de grenzen aan de differentiatiecapaciteit dus: scholen zelf, is mijn indruk, doen hun best om die grenzen niet onder ogen te hoeven zien. Natuurlijk is het fenomeen hoogbegaafdheid wel bekend; een beetje, tenminste. Er zijn wat plusklassen, en menig docent laat een rij termen gemakkelijk van de tong rollen zodra het woord hoogbegaafdheid valt. Versnellen, compacten, verrijken, uitdagen: dat zijn de sleutelwoorden. Versnellen, compacten, verrijken: dat zijn termen die betrekking hebben op de leerstof. Voor het kind is alleen “uitdagen” over, en dat doet het onderwijs dan via versnellen, compacten en verrijken. Meer van hetzelfde, daar komt het vaak op neer. Maar hoogbegaafdheid is nog iets anders dan snel kunnen rekenen en puzzelen; het is ook snel associëren, snel verbanden leggen, snel gevoelens ontwikkelen. Intelligentie en emotie zijn niet keurig te scheiden. Ergens weet het hele onderwijsveld dat ook wel: er is enorm veel aandacht voor veiligheid, stabiliteit, regelmatigheid. Er is “veilig leren lezen” volgens tot in detail uitgesplitste “avi-niveaus”; er zijn rekenmethodes die de staartdeling in de ban doen vanwege de verwarring (en dus onveiligheid) die de staartdeling kan veroorzaken. Een doorsnee-emotie is vastgelegd tot in de vezels van iedere klas en ieder protocol. Datzelfde protocol kan dus ook enorm frustrerend zijn. Voor een kind dat heel goed kan rekenen, en er plezier in heeft, is het idioot als de staartdeling niet wordt uitgelegd, en is het schattend rekenen (dat voor de staartdeling in de plaats komt) ‘onveilig’; zo goed als het op de middelbare school ‘onveilig’ kan zijn als een kind dat wiskundig begaafd is, onvoldoendes krijgt omdat het bij proefwerken te weinig tussenstappen uitschrijft. Hoogbegaafdheid is iets anders dan de behoefte aan extra veel schools lesmateriaal; het gaat meestal samen met hooggevoeligheid, en met vroeger dan bij het gemiddelde kind ontwikkelde morele inzichten. Dat maakt hoogbegaafde kinderen vaak ook extra gevoelig voor pesterijen.

Maar wat is ‘hoog’? Het is in het onderwijsveld een bijzonder flexibel woordje met een eigen geschiedenis. In 1952, toen het onderstaande diagram werd getekend, was het nog niet in zwang. Nederland was toen nog een ander land. Hoger onderwijs was voor een kleine elite, marketing en management waren nog niet alomtegenwoordig, Engels was nog een buitenlandse taal.

De samenhang tussen intelligentie, school en beroep volgens een diagram uit 1952

De samenhang tussen intelligentie, school en beroep volgens een diagram uit 1952

Ik betwijfel of dit diagram de historische werkelijkheid van Nederland net na de Tweede Tereldoorlog weergeeft, het geeft vooral een typische denkwijze weer. Het laat zien dat terwijl de intelligentiecurve als zodanig (de Gaussiaanse normaalverdeling) niet is veranderd, de terminologie, het onderwijs en de beroepen drastisch zijn getransformeerd. De kleine groep die in 1952 ‘vlug’ of ‘begaafd’ heette, een begaafdheid die geacht werd precies aan te sluiten bij het hoger onderwijs, heet nu ‘hoogbegaafd’. Het onderwijs is totaal veranderd; ook daar is de terminologie ‘opgehoogd’, uitgebreid lager onderwijs werd middelbaar en hoger algemeen vormend onderwijs, enzovoort. De leerplicht werd uitgebreid en het onderwijs gedemocratiseerd, en dat is maar goed ook. In het begin van de huidige eeuw had de Nederlandse regering zelfs de doelstelling (de door economische motieven ingegeven ‘Lissabon-strategie’) om de helft, 50 %, van de Nederlandse bevolking hoog op te leiden. Dat is inmiddels niet meer zo. (Het was een beetje hoog gegrepen, misschien.)

Het Nederlandse onderwijsstelsel heeft dus in zestig jaar een enorme en bewonderenswaardige uitbreiding doorgemaakt. Die uitbreiding staat gelijk aan een culturele revolutie, aan een uiterlijke informalisering, aan gelijkberechtiging van jongens en meisjes, aan democratisering van het onderwijs. In de jaren ’60 en ’70 leefde de gedachte dat de democratisering van het onderwijs hand in hand zou gaan met individualisering, maar het is inmiddels duidelijk dat het onderwijs vooral verschoolst is. Zelfs op de universiteit hebben de studenten het inmiddels over ‘school’ en ‘huiswerk’. De democratisering is, onder de druk van de economie, van rendementseisen, van meetbaarheid en van protocollen die uniforme meetbaarheid moeten opleveren, op veel plaatsen veranderd in een tirannie van het protocol. (Hoe dat ook al weer werkt, die omslag van democratie in tirannie van de meerderheid, geachte staatssecretaris Dekker en geachte onderwijsminister Bussemaker, dat kunt u nalezen bij Tocqueville.) Natuurlijk heeft het protocol in Nederland altijd een vrolijke verpakking. Betutteling is vaak het herkennen aan vrolijke kleurgebruik en een joviale toon.

In 2008 deed de Algemene Onderwijsbond nog een onderzoek naar de manier waarop scholen met hoogbegaafdheid omgaan. Een paar citaten: “Slechts zes procent van de leerkrachten meent dat hoogbegaafde leerlingen voldoende worden uitgedaagd op school. Nog eens vijftig procent meent dat ze soms, maar niet voldoende worden uitgedaagd. Leerkrachten willen wel meer aandacht besteden aan deze groep, maar het ontbreekt ze aan kennis, menskracht en geld. Dat blijkt uit een gezamenlijk onderzoek onder ruim 2600 leerkrachten van het Onderwijsblad van de Algemene Onderwijsbond en Talent, tijdschrift over hoogbegaafde kinderen. Slechts één op de zes leerkrachten meent dat er voldoende expertise en zorg op school is om hoogbegaafde leerlingen te begeleiden. Terwijl volop wordt gepraat over de noodzaak om talent te benutten in de kenniseconomie, blijkt daar dus in de basis weinig van terecht te komen. Leerkrachten geven verschillende oorzaken van de onvoldoende aandacht. Bijna vier van de tien zegt dat er onvoldoende docenten zijn, een derde ontbreekt het aan kennis, een kwart geeft prioriteit aan de leerlingen die niet mee kunnen komen.”

Gesprekkenparcours

Zomaar een plaatje uit het onderwijsveld. Een kenmerkend citaat uit deze brochure: “Het doel op dit thema is dat in 2015 alle
participerende scholen in het primair en voortgezet onderwijs in beeld hebben welke leerlingen tot de top 20% (kunnen) horen.”

Hoe gaat het onderwijsveld daarmee om? Het recente voornemen van minister Bussemaker om “excellente” studenten zelf te laten betalen voor passend onderwijs geeft al een goede indruk. Maar ook voor het basisonderwijs zijn er initiatieven. Dan gaat het opeens niet over een groep van 2,5% van de leerlingen die hoogbegaafd is, maar om 20%; een veel grotere selectie, met veel minder specifieke (en voor het klassemanagement wellicht lastige) eigenschappen. Scholen kunnen dan bijvoorbeeld intekenen op een gesprekkenparcours, met een expert in de rol van kritische vriend – alles in vrolijke kleuren en geformuleerd in de taal van het softere procesmanagement. Het is pappen en nathouden. Het is “worden zoals wij”, het is, voor iemand die van nabij weet wat hoogbegaafdheid inhoudt, te betuttelend voor woorden.

De dienstplicht is in Nederland afgeschaft, en sindsdien is het cliché “in het leger maken ze een man van je” ook uit de mode. De schoolplicht leeft nog volop, en houdt voorlopig nog volop clichés over “sociaal-emotionele ontwikkeling” in stand. Ik kan ze eigenlijk niet meer lezen of horen. Mijn kinderen komen in de curve van de intelligentieverdeling ergens waar de curve en de grondlijn elkaar raken, bij een IQ van boven 145. Daar zit geen 50%, geen 20% en geen 2,5%, maar misschien 0,2% of 0,02%. Het zijn niet de cijfers die er toe doen, begaafdheid is beter te begrijpen als een intensiteit (een onderwerp waarover J. een mooi stuk heeft geschreven: http://www.mixed-media.info/hoogbegaafd/.) Die intensiteit wordt in het onderwijsveld routinematig miskend en onmogelijk gemaakt. “Misschien kan uw kind beter naar een privéschool”, dat is wat ik leerplichtambtenaren over elk van mijn kinderen heb horen zeggen. Maar die zijn voor mij onbetaalbaar; de democratisering van het onderwijs is niet samengevallen met een democratisering van de privévermogens. Make no mistake: hoogbegaafde kinderen zijn fantastisch. Slim en snel, nukkig en prikkelbaar, vol emotionele intensiteit en humor. Eigenlijk zou ik ze niet eenvormiger willen hebben. Op dat punt verschil ik van mening met het onderwijsveld.

Written by sytzesteenstra

30 januari 2014 at 21:07

Art brut in Museum Dr. Guislain

leave a comment »

Eind juli, toen het zo warm was, waren Josh en ik een paar dagen in Gent. We bekeken de stad, het Lam Gods, de Vooruit, (elk op zijn manier prachtig), het SMAK (walmend van formele esthetiek, daarover misschien later), maar het Museum Dr. Guislain liet de diepste indruk achter. De impressie is inmiddels bestorven, het leven kwam er tussendoor: op de terugweg van Gent naar Maastricht werd Josh een klein beetje ziek. De maanden daarna, in telegramstijl: zware maagklachten, zware longontsteking, zware uitbraak van activiteit van sarcoïdose, zware medicatie. Een brute confrontatie met een ziekte zonder omlijnd ziektebeeld.

‘Brut’ betekent volgens het woordenboek ruw, grof, primitief, lomp, onbeschaafd, onbewerkt, Aan het einde van het lemma geeft het woordenboek een speciale vertaling voor ‘art brut’: “de art brut, de spontane kunst”. Zou Jean Dubuffet dat bedoeld hebben, “spontaan”, woord dat met alle winden meewaait? Dacht het niet, chotferredomme, om het op z’n dubuffets te zeggen. Bruut: rauw, onaangepast. Net als “outsider art”, de in Nederland gangbare vertaling, is art brut een codenaam voor kunst die is gemaakt door mensen die niet alleen losstaan van de kunstwereld, maar die ook niet in de samenleving passen, die in psychiatrische inrichtingen leven. Misschien passen ze door hun ziekte niet eens in hun eigen leven: wie kent de bezoekingen van andermans waanzin?

Museum Guislain ligt een flink eind buiten de Gentse binnenstad, je nadert het via een wat troosteloze weg langs een kaarsrecht kanaal. Rechtsaf op het kruispunt bij de Dr. Guislainbrug, door de Dr. Guislainstraat naar het meer dan honderdvijftig jaar oude Dr. Guislaincomplex, waar het Museum Dr. Guislain een onderdeel van is. Alles ademt hier psychiatrie en waanzin; delen van het complex zijn nog in gebruik als psychiatrisch ziekenhuis. Een wegwijzer biedt de keuze uit centrale diensten, psychiatrisch centrum, ziekenhuisafdelingen, directie, administratie en museum. Het museum zelf is ook complex en meerlagig: het is een museum van de geschiedenis van de psychiatrie, het gebouw is zelf een onderdeel van die geschiedenis, er zijn exposities van hedendaagse kunst die aansluit bij de psychiatriegeschiedenis, en er wordt art brut tentoongesteld.

een assemblage van Dirk Martens

Dirk Martens: zonder titel, 2006

Het ding dat mijn aandacht het sterkst naar zich toetrok was dit werkstuk van Dirk Martens. Assemblage? Altaar voor een persoonlijke mythologie? Boot, ruimteschip? Commentaar op de psychiatrie, op de tests en kuren, de apparaten? Het is origineel en vreemd genoeg om al die haastig wegschietende interpretaties tegelijk te vangen en vast te prikken.

Zijaanzicht van hetzelfde werk van Dirk Martens.

Zijaanzicht van hetzelfde werk van Dirk Martens. Materialen: een papieren stofzuigerzak, elektriciteitsdraad, doordrukverpakkingen van kauwgom met daarin kleine portretfoto’s (uit tijdschriften geknipt?), een houten krul (van een solide eiken meubel?), houten prikkers en latjes, …

Dezelfde assemblage, nu van boven: een pocketboek 'Les clés du Nirvana (De sleutels van het Nirvana), een liggend vrouwenbeeldje, cirkels (van speelgoed?)

Nog eens het zelfde werk: een pocketboek ‘Les clés du Nirvana’ (De sleutels van het Nirvana), een liggend beeldje met het lichaam van een crucifix? of een vrouw?) met daarop gemonteerd een Aziatisch aandoend hoofd (Boeddha?) , twee blauwe plastic tekencirkels en een gekleurde cirkel (speelgoed?).

Rauw en bruut, dat betekent ook onaangepast, geen imitatie van een aangeleerde stijl, geen academische referenties aan de kunstgeschiedenis, en dus geen houvast voor de kijker. Ik heb wel “Les Clés du Nirvana” op internet opgezocht. Het boek is van een Engelse auteur van paranormale/occulte/spiritistische bestsellers, die zichzelf een Tibetaanse naam, T. Lobsang Rampa heeft aangemeten. Aan zijn werk zijn websites gewijd vol UFO’s en aura’s en zielsverhuizingen; spul uit de wonderlijke en lichtgelovige wereld van L. Ron Hubbard (Scientology) en Erich von Däneken (“Waren de goden kosmonauten?”). Het is best mogelijk dat Dirk Martens alleen het werk van die Lobsang Rampa heeft willen illustreren. Maar binnen de context van Museum Dr. Guislain kan Martens’ assemblage evengoed verwijzen naar beelden zoals dit:

Meettafel voor antropometrie

Meettafel voor antropometrie, uit de tijd waarin het opmeten van lichaam en (vooral) schedel een gangbare wetenschappelijke methode was om mensen te categoriseren. Deze tafel werd tot halverwege de twintigste eeuw gebruikt in de gevangenis van Leuven-Centraal. Museum Dr. Guislain, historische afdeling

Een oud bed in een van de museumzalen

Een oud bed in een van de museumzalen

Dwangkist, of 'dekselbed'.

Een negentiende-eeuwse dwangkist of ‘dekselbed’ in de historische afdeling.

Of zelfs naar dit soort psychiatrische scènes:

De folder van Museum Dr. Guislain - geschiedenis van de psychiatrie: insulinetherapie (circa 1950?) - door toedienen van insuline werd een tijdelijke coma opgewekt.

De folder van Museum Dr. Guislain – Geschiedenis van de psychiatrie: insulinetherapie (circa 1950?) – door toedienen van insuline werd een tijdelijke coma opgewekt.

Voeg deze vier bedscènes samen, combineer ze met iets als Bernini’s beroemde Extase van de Heilige Teresa, en je hebt ook een interpretatie van Dirk Martens’ bricolage.

‘Dr. Guislain’ is een ongewoon mengsel van wetenschapsmuseum, museum van beeldende kunst en museum voor art brut. Het is in alle opzichten het tegendeel van de ‘white cube’, de smetteloos witte, volkomen neutrale en context-loze museale ruimte. Alles is doordrongen van de geschiedenis van de psychiatrie. Zelfs het museumcafé ademt nog iets van de sfeer van een instituutskantine, met dat luik in de zijmuur waarachter het t.l.-licht vrij spel heeft over een goedkoop keukenblok. Geen design of interieurarchitectuur te zien. De bediening gaat rustig en ongewoon weloverwogen te werk, en voordat ik een koffie, een limonade en twee koeken afreken wordt de optelsom van die consumpties eerst op een papiertje gemaakt en door een collega gecheckt. Ik leerde later dat de mensen die hier aan het werk kunnen inderdaad zelf een tijd in een psychiatrische inrichting hebben doorgebracht. Het lijkt ook alleen maar passend dat zelfs de papieren servetjes een trauma met zich meedragen.

In het museumcafé

In het museumcafé

De servethouder in de kantine. Wordt verwacht: oorlog en trauma

Een servetdispenser in het cafetaria. “Wordt verwacht: oorlog en trauma.”

De geschiedenis van de psychiatrie heeft geen gebrek aan onderdelen die zelf nu een beklemmende, misdadige of ronduit krankzinnige indruk maken, Neem dit bijvoorbeeld, een behandelapparaat in de vorm van een Chinees tempeltje (waarom Chinees? waarom een tempeltje?), nota bene voorgesteld door Dr. Guislain zelf, in 1826:

Verrassingsbad. Reconstructie.

Verrassingsbad (reconstructie)

Ik citeer Guislain uit de toelichting in het museum: “Een kleine Chinese tempel waarvan het interieur een beweegbare ijzeren kooi bevat, uit een lichte constructie, die in het water zinkt door te zakken in een glijschuif, door haar eigen gewicht, door middel van hijsblokken en touwen. Men leidt de krankzinnige, met het doel hem deze behandeling te laten ondergaan, binnen in dit huisje: een helper sluit de deur langs de buitenkant, terwijl een andere een hendeltje bedient waardoor de zieke, opgesloten in de kooi, ondergedompeld wordt in het water. Nadat men de gewenste behandeling heeft uitgevoerd, laat men de machine weer omhoog komen.”

Minder spectaculair maar niet minder welsprekend is een inrichtingsreglement uit de negentiende eeuw. Het eerste voorschrift identificeert de directie van het gesticht zonder omhaal met God zelve, “Orde regeert de Wereld, en wie zich aan tucht onderwerpt, dien heeft God lief. Alle voorschriften der Directie zullen stipt worden opgevolgd.” Het reglement is tegelijk praktisch, utopisch en religieus van aard, lijkt het. Ik citeer nog een paar regels:

II.

Alle bewoners van het gesticht vormen één huisgezin.

III.

Door rust en kalmte gedijt het leven en geneest de zieke. […] Luid roepen, schreeuwen, deuren toeslaan enz. is verboden.

V,

Niemand zal onregt ondervinden, nog onregt doen.

X.

Die heerst over zijne geest is sterker, dan die eene stad inneemt. Ieder mens is vatbaar voor toenemende verbetering. Aansporing tot en oefening in zelfbestuur en zelfbeheersing is daartoe een zeer vermogend middel. Een ieder is verpligt daartoe werkzaam te zijn, voor zich zelven en voor anderen.

XIII.

Alles wat gij denkt, God weet het.

Alles wat gij spreekt, God hoort het.

Alles wat gij doet, God ziet het.

Het reglement van een negentiende-eeuwse inrichting

Voor de ingang van het museum

Voor de ingang van het museum / het ziekenhuis

Behalve de art brut werd er ook hedendaagse kunst getoond, geselecteerd op een niet nader gespecificeerde, en niet altijd even gemakkelijk te achterhalen samenhang met psychiatrie en geschiedenis van de psychiatrie. Wat mij opviel was dat ik werk van kunstenaars als Tracey Emin, Jake en Dinos Chapman, en Ronald Ophuis, werk dat ik gewoonlijk enorm wantrouw vanwege het sensationalisme dat er aan hun thematiek kleeft (seksuele misère bij Emin, gruwelijk oorlogsgeweld bij de Chapmans en Ophuis) in deze omgeving een heel andere indruk op mij maakt. Hier komt het op mij over als een herinnering dat we allemaal een plaats moeten zien geven aan gruwelbeelden, en dat niet iedereen daartoe in staat is zonder er een obsessionele of traumatische verhouding toe te ontwikkelen.

Veel art brut geeft als het ware een blik van binnenuit op een obsessie, of tenminste is het beeld obsessief gevuld, overal waar een plekje over is wordt nog een detail, nog een gezicht, nog een opschrift of ornament toegevoegd. Ik plak hier vier foto’s van voorbeelden (met excuses voor de matige kwaliteit, ik was vergeten een echte camera mee te nemen en heb de i-pad van Josh gebruikt.)

Sculptuur A. C. M.

Sculptuur A. C. M. (detail).  Uit het bijschrift: “De initialen A. C. M. staan voor een stel: Alfred is de auteur van de werken en Corinne de engelbewaarder die een brug slaat tussen Alfred en de buitenwereld.”

installatie (detail), Langner

installatie (detail), Hans Langner

Breisel van Lortet

Breisel van Marie-Rose Lortet. Een bijschrift in het museum vertelt dat Lortet werd ontdekt door Jean Dubuffet.

Scheepsmodel. Detail. De naam van de maker kon ik nergens vinden.

Scheepsmodel. Detail. De naam van de maker was niet te vinden.

Dertig jaar geleden, toen het mij moeite kostte Michel Foucaults “Geschiedenis van de waanzin” te lezen, met z’n eigenaardige vermenging van wetenschapsgeschiedenis en geëxalteerde retoriek, was dit museum de ideale bestemming voor een excursie geweest. In vitrines liggen boeken van psychiaters als de Fransman Pinel, over wie Foucault schreef en door wie Guislain wel geïnspireerd zal zijn. Tegenwoordig maakt het in de eerste plaats indruk omdat de ziekte van Josh me er dag in dag uit van doordringt dat de werkelijkheid zelf vaak brut is, lomp en grof, en dat het vrome “Niemand zal onregt ondervinden, nog onregt doen”, al onderstreep ik het van harte, de natuur zelf soms geen donder kan schelen. Het menselijk auto-immuunsysteem is zelf in een voortdurende Darwiniaanse evolutie verwikkeld, heb ik ooit gelezen, een struggle for life op het niveau van celsystemen, bacteriën en virussen. Onregt kan ook dom toeval zijn. Iedere dag een klein scheutje rouw, soms laat dat het zoete des te scherper uitkomen, soms is het bitter. Ruw, grof, en bitter. Maar een bezoek aan museum Dr. Guislain kan ik iedereen aanraden.

Written by sytzesteenstra

20 oktober 2013 at 19:53