Sytze Steenstra Blog

Archive for the ‘geschiedenis’ Category

Walter Benjamin leeft en werkt nu in Eindhoven (Experimentele romantiek 3)

leave a comment »

Kenneth Goldsmith maakte een remake van het Passagen-Werk van Walter Benjamin (1892-1940); hij verplantte Benjamins boek over Parijs in de negentiende eeuw naar New York in de twintigste eeuw. En er kwam een bijbehorende tentoonstelling in New York.

Het Van Abbemuseum in Eindhoven maakte de collectietentoonstelling ‘The Making of Modern Art’, nog te zien tot 3 januari 2021, eveneens op basis van een Benjamin-remake.  Het Van Abbemuseum baseert zich op Benjamins filosofische opstel ‘Het kunstwerk in het tijdperk van zijn technische reproduceerbaarheid’ uit 1936. De auteur van de remake is dit keer Goran Djordjević, zijn boek heet “Walter Benjamin: Recent Writings 1986-2013”, verschenen bij uitgeverij ‘New Documents’ in 2014. De tentoonstelling bevat nogal wat tekstborden, waarop steeds weer naar de teksten van deze namaak-Benjamin wordt verwezen.

niet-nu Benjamin in Van Abbe

In zijn opstel uit 1936 betoogde de echte Benjamin dat reproductietechnieken als fotografie en film de traditie van de beeldende kunsten ingrijpend veranderen. Als alles gekopieerd kan worden, en als dat op grote schaal gebeurt, zou de betekenis van authentieke kunstwerken kunnen verschrompelen, en zou het massale gebruik van gereproduceerde beelden een evidente maatschappelijke en politieke betekenis kunnen krijgen. Kunnen. Ik onderstreep het woord; Benjamin ontwikkelde een hypothese.

een Mondriaan naast een kopie van dezelfde Mondriaan

 

Djordjević versimpelt het werk van Benjamin heel drastisch. Als er geen echt relevant verschil is tussen origineel en kopie, is het een wel erg curieuze gewoonte om sommige objecten in deftige museumtempels te bewaren. Wat is de geschiedenis van die curieuze gewoonte? Waarom worden sommige objecten ‘kunstwerken’ genoemd en gekoesterd? Wie doet daar aan mee, hoe werkt dat?

pseudo Benjamin

Benjamin (de echte, het verschil met zijn ‘kopie’ Djordjević is erg groot) schreef in zijn kunstwerk-opstel over “het verval van de aura”, en hij was minstens zo geïnteresseerd in die aura als in dat verval. Benjamin schreef een hele reeks teksten over kleur, over regenbogen, over fantasie, over de mimetische ervaring, en zijn hele werk is misschien wel in de eerste plaats een inleiding in de historische ontwikkeling van de auratische ervaring, en in de filosofische grondslagen van een ervaringsbegrip dat de kleur van herinneringen en dromen, de fantasie, de inherent persoonlijke ervaring nadrukkelijk een eigen plaats geeft in de “grote” wereldgeschiedenis. Benjamin groef zich een eigen weg door de rijstebrijberg van de geschiedenis van de metafysica en van de poëzie, en van dat traject blijft bij Djordjević maar weinig over. Misschien is het wel een teken aan de wand dat de collectietentoonstelling werd ingericht door medewerkers van de Efteling – dat vertelde een vriend me tenminste -, omdat de Efteling natuurlijk veel ervaring heeft in het bouwen van suggestieve namaak. Dat levert natuurlijk een leuk filmpje op:

Het bovenstaande klinkt misschien erg negatief, omdat de zombie-versie van Benjamin die Djordjević presenteert me niet echt bevalt. Aan de andere kant is het een interessante tentoonstelling, zeker de moeite waard om te bezoeken; het van Abbemuseum is volgens mij so wie so het Nederlandse kunstmuseum dat in zijn tentoonstellingen de beste vragen stelt.

En voor wie meer wil weten over Djordjević is hier een informatieve recensie vol achtergrondinformatie te lezen, door Rachel Wetzler, LA Review of Books, April 21st, 2014: https://lareviewofbooks.org/article/walter-benjamin-writings-death.

Advertenties

Written by sytzesteenstra

10 augustus 2018 at 12:56

Experimentele romantiek: nog eens over Kenneth Goldsmith en Walter Benjamin

leave a comment »

Nog even over dat filmpje van vorige keer. Kenneth Goldsmith in dat rode pak, met groene sokken aan, die in het verlengde van de diskjockey en de videojockey (hij is de man achter UbuWeb, de formidabele website met avantgarde materiaal) zichzelf als tekstjockey presenteert. En dat dan weer aangekondigd door een CNN presentator, “You can’t beat a good book … but this week calls you to a sterner duty…”

‘Tekstjockey’ is een woord dat ik heb verzonnen. Goldsmith noemt zichzelf ‘conceptual poet’. Dat ligt in het verlengde van de stroom zeefdrukken uit de fabriek van Andy Warhol, de Elvissen en Marilyns en Mao’s en soepblikken en elektrische stoelen en auto-ongelukken en beroemdheden, en natuurlijk in het verlengde van de conceptuele kunst. Goldsmith schreef er zelf over, in een boekje dat hoort bij Documenta 13, “Letter to Bettina Funcke”: “In 1969, the Conceptual artist Douglas Hueber wrote, “The world is full of objects, more or less interesting; I do not wish to add any more.” I’ve come to embrace Huebler’s ideas, though it might be retooled as, “The world is full of texts, more or less interesting; I do not wish to add any more.” Iets minder welwillend: de aandacht verschuift van het maken van kunst naar het maken van publiciteit.

Aan de andere kant, Goldsmith maakt wel degelijk nieuwe teksten, nieuwe tekstcollages. Omvangrijke ook. De Amerikaanse vertaling van Walter Benjamins Passagen-Werk, ‘The Arcades Project’, telt 1073 bladzijden, en Goldsmith’s variant, niet over Parijs 1800-1900 maar over New York, 1900-2000, telt er 913. Beide boeken bevatten talloze citaten, ze zijn even hoog, dat van Goldsmith is iets breder.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Het boek van Goldsmith heeft een gouden – goudkleurige – band en zit in een gouden cassette, een vormgeving die een beetje een gimmick is. Maar het echte verschil zit natuurlijk in de tekst. Het allerlaatste citaat dat Goldsmith heeft opgenomen, op het schutblad achterin, is van Walter Benjamin zelf: “Method of the project: literary montage, I needn’t say anything. Merely show. I shall purloin no valuables, appropriate no ingenious formulations. But the rags, the refuse – these I will not inventory but allow, in the only way possible, to come into their own: by making use of them.” Zo lijkt Benjamin zelf wel een tekstjockey.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Wat Goldsmith vast heel goed weet, maar buiten beschouwing laat, is dat Benjamins Passagen-boek, ook al is het een project dat Benjamin op geen stukken na heeft kunnen voltooien, toch wel degelijk heel veel teksten van Benjamin zelf bevat. Wat de ‘conceptual poet’ niet hoeft te doen, maar wat Benjamin zich wel had voorgenomenen ook terdege deed, was wat in het Duits ‘Begriffsarbeit’ heet: aan de slag met die concepten, ze onderzoeken en bijschaven. Áls het boek ooit afgekomen was, zou Benjamin er een eigen filosofische kennistheorie voor hebben geschreven. Hoe die in elkaar zou hebben gestoken, daarvan geven de boeken en essays die hij wel afkreeg, en die met het Passagen-Werk samenhangen, een behoorlijk goede indruk. Het zijn er minstens vier of vijf: het opstel over ‘Het kunstwerk in het tijdperk van zijn technische reproduceerbaarheid’, het opstel ‘De verteller’, de ‘Thesen over het begrip van de geschiedenis’, het Baudelaire-boek, en hoofdstuk (of ‘Konvolut’) N in het Passagen-Werk zelf, Benjamins map met aantekeningen voor zijn filosofie van de geschiedenis.

 

Vergeleken met Benjamins eigen werk valt dat van Goldsmith dus tegen. Aan de andere kant is het een leuk boek, dat ook nog eens er aan heeft bijgedragen dat in 2017 in het Jewish Museum in New York een grote tentoonstelling ‘The Arcades: Contemporary Art and Walter Benjamin’ te zien is geweest. Zou ik daar graag hebben rondgekeken? Reken maar.

Bij die tentoonstelling was ook een gidsje voor kinderen. De kids gallery guide. Daaruit:

Walter Benjamin (1892–1940) was a writer and
thinker who examined history in order to
understand the culture of his own time. This
exhibition is inspired by Benjamin’s book called
The Arcades Project in which he explores ideas
related to city life in Paris during the 19th century.
The artworks in this exhibition relate to themes in
Benjamin’s book.
Use the clues inside to find the following works of
art and talk about them with your grown-up.

“Talk about them with your grown-up.” Prachtig.  Met een kleine variatie: begrijp de cultuur van je eigen tijd en word zodoende je eigen grown-up; is er een mooier motto?

https://thejewishmuseum.org/exhibitions/the-arcades-contemporary-art-and-walter-benjamin

 

 

Written by sytzesteenstra

6 augustus 2018 at 17:35

Experimentele romantiek: een begin

leave a comment »

Ik werk al een poos aan een nieuw boek, met als onderwerp een manier van denken/onderzoeken/kijken/voelen die veel meer ruimte geeft aan reflexiviteit en samenhang dan gangbaar is. Tijdens de research en tijdens het schrijven kom ik heel vaak dingen tegen die me interesseren, die er bij horen, die aansluiten bij mijn thema, maar die ik niet in mijn boek kan plakken, of waarvan het raakvlak bij nader inzien toch te klein is. Mijn plan: die dingen de komende tijd wel hier op mijn blog plakken, vertellen, of laten zien.

Wat ik precies bedoel met ‘experimentele romantiek’ wordt dan in de loop der tijd ook vanzelf duidelijk, hoop ik. Ik heb zeven namen geselecteerd, zeven thema’s waarover ik ga schrijven, stuk voor stuk mensen en onderwerpen waarover ik al jaren lees en nadenk, en die ik op dit blog voor een deel ook al eerder heb genoemd. Walter Benjamin, Theodor W. Adorno, Pierre Bourdieu, David Bowie (de vreemde eend in de bijt), A. S. Byatt, Elizabeth LeCompte en The Wooster Group, de de Documenta in Kassel. Filosofen, sociologen en kunstenaars, vaak dat allemaal tegelijk.

https://edition.cnn.com/videos/business/2014/06/03/spc-reading-for-leading-kenneth-goldsmith.cnn

Waarom Walter Benjamin? Missschien, onder andere, omdat je dit curieuze CNN-filmpje over zijn werk kunt bekijken, waarin ‘conceptueel dichter’ Kenneth Goldsmith uitlegt waarom hij een nieuwe versie van Benjamins nooit voltooide Passagen-Werk aan het maken is. In de serie ‘Reading for Leading’ waarin na Goldsmith nota bene Michel Barnier aan de beurt is, die nu namens de EU met Groot-Brittannië over de Brexit onderhandelt. Niet de beste inleiding bij Benjamins werk, zeker niet, maar wel een van de meest curieuze — al is er ook daar veel concurrentie.

 

 

Written by sytzesteenstra

2 augustus 2018 at 22:16

Tat Roosdorp (1922-2015)

with 4 comments

img_1224

Tat, op een foto uit 1995

In de zomer van 2015 stierf Tatjana Roosdorp. Ze zou het zelf niet nodig hebben gevonden, maar ik wil haar hier herdenken. Ze was als een tweede moeder voor Josh, voor mij een vriendin en een markante dame. Ik leerde haar pas kennen toen ze met pensioen was, en omdat ze niet graag verhalen over haar eigen verleden opdiste, terwijl dat verleden rondom en in haar toch heel sterk aanwezig was, had ze iets raadselachtigs. In haar omgeving waren de jaren ’30 en de jaren ’50 even reëel als het heden, omdat ze veel van haar ouders had bewaard. Zeker in haar buitenhuisje, dat we simpelweg ‘het huisje in het bos’ noemden, en waar we twintig jaar lang bijna iedere vakantie waren, leek de tijd stil te hebben gestaan. Soms leek Tat minder onderscheid te maken tussen mensen en dieren dan gebruikelijk, en dan niet zozeer omdat ze aan dieren allemaal menselijke sentimenten toedichtte, maar omdat ze veel menselijke motieven en gewoel niet zo interessant of relevant vond. Ze had in het zwakzinnigenonderwijs gewerkt, en ik heb wel eens gedacht dat ze in ieder mens, niemand uitgezonderd (en mij zeker niet) wel een vlekje of naadje zwakzinnigheid wist te zien. Het was dus maar het beste opgewekt te blijven, en niet te vergeten te lachen.

OLYMPUS DIGITAL CAMERABij de eerste kennismaking, bij dat huisje in het bos, scheen het me toe dat Tat wel uit een favoriet kinderboek van mij kon zijn weggelopen. In “De oude oom Pindar in zijn oude huis met zijn oude auto” sluiten kinderen vriendschap met een tweetal oude mensen, een broer en een zus die in een stel oude vervallen vakantievilla’s leven zoals men dat zeventig jaar geleden deed. Zó excentriek was Tat niet, maar wel volstrekt onafhankelijk en wars van veel conventies. Voor Josh was ‘Tante Tat’ behalve een dierbare oudere vriendin ook een legende: Josh heet zelf voluit ‘Josje Tatjana, naar Tat en haar vriend Jos, die in de oorlog in het verzet zat, maar werd gepakt en in een Duits kamp omkwam. Ook Tat werd opgepakt en een aantal maanden in eenzame opsluiting vastgezet. Van Josh hoorde ik iets van de geschiedenissen waar Tat zelf over zweeg; ook over de veel jongere man met wie ze een relatie had toen ze in de vijftig was.

marie-in-het-huisje-in-het-bos-had-even-goed-tat-kunnen-zijn

Een schilderijtje dat Marie in het huisje in het bos laat zien, maar evengoed aan Tat herinnert

Ik heb haar wel eens gevraagd waar ze haar opvattingen en overtuigingen vandaan had. Ze was tegen dikdoenerij, tegen hiërarchie, tegen militarisme, tegen chauvinisme. “Gewoon, van de padvinderij: alle goeds voor alle mensen.”, was het antwoord. Ze was een overtuigd padvindster, maar daarnaast hadden haar ouders natuurlijk ook veel invloed. Haar ouders waren filmmakers, en ze was opgegroeid in een sfeer die in sommige opzichten heel vergelijkbaar was met die van mijn eigen ouders – haar moeder had als onderwijzeres gewerkt, ze was zelf net als mijn vader naar de kweekschool geweest – maar kosmopolitischer, en artistieker. Tat was geen kunstenares, maar ze was opgegroeid in een milieu waarin kunstenaarschap doodgewoon was.

“Marofilm” heette het bedrijf van Tats ouders, Alex en Marie Roosdorp, en het kan niet anders of Tat, hun enig kind, heeft haar zelfstandigheid en onafhankelijkheid ook van hen geleerd.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Alex Roosdorp, de vader van Tat, was fotograaf. Hij was gaan filmen omdat hij dan weg kon uit de doka, de buitenlucht in. Hoewel zijn naam vaak als enige vermeld wordt, werkte Marie, Tats moeder, ook mee, en Tat liet er nooit twijfel over bestaan dat haar inbreng even belangrijk was. De moeder van Marie, een van de grootmoeders van Tatjana, was bevriend met Aletta Jacobs, en iets van haar vrijzinnigheid en politiek bewustzijn is zeker in de familie gebleven.

Marofilm maakte vooral voorlichtingsfilms voor de landbouw, films over aardappelen en bloembollen, over vee en bijen, maar ook uiteenlopende documentaires, zowel op eigen initiatief als in opdracht. Een film over het Limburgse boerenbestaan werd grotendeels opgenomen in de schoolvakanties, zodat Tat meekon in de reportagewagen, waarmee het gezinnetje ook op vakantie ging. Vergeleken met de grote studio’s en Hollywood is Marofilm uit Deventer natuurlijk prozaïsch en provinciaal, maar onmiskenbaar op alle foto’s en in de verhalen is toch een vleug van glamour, moderniteit, buitenlandse reizen en artisticiteit. In de fotoalbums is te zien hoe de Maro reportagewagen in Frankrijk, hun favoriete vakantiebestemming,  op dorpspleinen steeds de aandacht trok: kinderen en volwassenen stonden te dringen om door de raampjes te kunnen gluren. Als fotograaf en cameraman liet Alex Roosdorp zich zichtbaar beïnvloeden door het constructivisme: hoewel hij vooral zijn onderwerpen duidelijk in beeld wil brengen, heeft hij zichtbaar plezier in een sterk grafische beeldopbouw en in krachtige diagonale lijnen.

Tussen de boeken van Tat vonden we een roman van Walter Brandligt, “Witte Gait”, met een opdracht van de schrijver: “Voor de Roosdorps. Tot een herinnering aan La Tour Fondue, 14 Augustus 1938.” Er bestonden vriendschapsbanden tussen de gezinnen Roosdorp en Brandligt; Brandligt woonde eind jaren dertig aan de Côte d’Azur, in Cagnes-sur-Mer, waar verscheidene Nederlandse schrijvers en schilders woonden. Later, terug in Nederland, nam Walter Brandligt deel aan het Amsterdamse kunstenaarsverzet; hij werd in 1943 gefusilleerd.

de zomer van '45

In 2015 was er veel aandacht voor Marofilm. ‘Herwinnen door werken’, een film in kleur die Alex en Marie in de zomer van 1945 hadden gemaakt om de verwoesting en armoede die de oorlog in Nederland achter liet vast te leggen, was door Eyefilm gerestaureerd en werd zowel vertoond in het Nationaal Militair Museum (in een tentoonstelling ‘De zomer van ’45’) als in een aantal filmhuizen. We hadden al afgesproken samen met Tat in het Deventer filmhuis te gaan kijken, maar ze stierf voor het zo ver was. Pas toen we daar werden aangesproken door de conservator van Eyefilm realiseerden we ons dat Josh ook de rechten van Marofilm had geërfd.

Om beter te begrijpen wat Marofilm was, heb ik een reeks films bekeken en alles gelezen over Marofilm wat ik kon vinden, en op die basis voor de Nederlandse Wikipedia een artikel over Marofilm geschreven. Behalve om Marofilm ging het me om Tat. Ik vond haar naam tussen de titels van een film uit 1959-1960, ‘Deventer gasfabriek 100 jaar’, een film die het Deventer stadsgas als alibi gebruikt om een compleet portret van Deventer te maken, van de trotse geschiedenis als Hanzestad tot de fabrieken en nieuwbouwwijken van de naoorlogse jaren. Aandachtig en geduldig kijken, met aandacht voor details én voor de samenhang van alles, dat is de voornaamste eigenschap van het werk van Marofilm, denk ik na een reeks films te hebben gezien.

'Deventer gasfabriek honderd jaar'

Van oorsprong zijn de films niet bedoeld voor de bioscoop, maar voor vertoning in verenigingszalen en in cafézalen, met gesproken toelichting. Met een film de boer op. In de oorlogsjaren deed Tat dat vaak samen met haar grote liefde, Jos Moll.

tatjana-en-jos

Jos en Tatjana, met projectiescherm en in de rugzakken film en projector, in de oorlogsjaren. Tat schreef bij deze foto: “de Marofilmkinderen, 1941/42, 14 dagen in Veenkoloniën, – 23 C”.

T.I.M.M., dat waren Tats initialen. Tatjana Ingeborg Mia Mianka was ze genoemd, naar vier Russische filmsterren uit 1920, vertelde ze ooit. Eind jaren dertig leerde ze samen met haar Jos Esperanto, de taal van de wereldverbeteraars die de mensen en volkeren nader tot elkaar zou moeten brengen. Jos studeerde rechten en landbouwkunde, en als de oorlog het niet verhinderd had, hadden ze vast hun plan uitgevoerd om de wereld een klein beetje te verbeteren. Het verlies van Jos moet zwaar en bitter zijn geweest, maar ze hield dat voor zichzelf.

Goed kijken, alle goeds voor alle mensen, onafhankelijk en non-conformistisch: ze was een bewonderenswaardig mens.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Written by sytzesteenstra

6 november 2016 at 14:58

Verdwijnen in het oude liedje

leave a comment »

Tijdens lange autoritten, als ik het rijden zat begin te raken, vind ik het heerlijk om even te zingen. Na een paar canons (“De uil zat in de olmen”, niets moeilijks, ik moet ook nog op het verkeer letten) ben ik opgefrist en kan ik nog wel een paar uur achter het stuur zitten. Al zingend verdwijn ik een stukje in het liedje : zo lang mijn stem maar aansluit bij de andere stemmen is alles in orde, als de canon maar klopt, iets anders heb ik niet aan mijn hoofd. Verkwikkend is dat.Het zelfde, het opgaan in een oud liedje, gebeurt ook in de vier voorbeelden die ik hier heb verzameld.

Het eerste voorbeeld, vorig jaar in theater De Singel in Antwerpen zelf gehoord en gezien, is De Wooster Group: “Early Shaker Spirituals: A Record Album Interpretation”. (Aan het einde van deze maand staat de zelfde voorstelling in het Centre Pompidou in Parijs.) The Wooster Group interpreteert niets en legt niets uit (en maakt de Shakers zeker niet belachelijk), de voorstelling behelst een heel exacte weergave van een oude grammofoonplaat met opnamen van spirituele gezangen van de Shakers, gezongen door nog levende Shakers.

“The Shakers composed thousands of songs, and also created many dances; both were an important part of the Shaker worship services. In Shaker society, a spiritual “gift” could also be a musical revelation, and they considered it important to record musical inspirations as they occurred.” (Wikipedia)

The Wooster Group doet niet aan naturalistisch theater. De elpee zelf wordt nadrukkelijk getoond, de liner notes voorgelezen. Maar de precisie waarmee de songs worden nagezongen is opmerkelijk. De plaat zelf wordt ook afgespeeld, hoewel de actrices zingen. En als de acteur die de grammofoon bedient de naald wat te ver naar voren in de groef laat zakken (dit is ongetwijfeld zorgvuldig gerepeteerd), zingen de zangeressen even een paar maten van het bijna afgelopen lied, pauzeren dan zolang de uit- en aanloopgroef duurt, en zingen daarna het volgende lied. Zulke precisie is zelf een vorm van inspiratie, wat weer de vraag oproept wat eigenlijk de verhouding is tussen dans en zang en openbaring.

(Er is meer te zien op de website van The Wooster Group, bijvoorbeeld via http://thewoostergroup.org/blog/2014/05/29/early-shaker-spirituals-b-roll-2/.)

Het tweede voorbeeld komt van Richard Thompson: duizend jaar populaire liedjes. Voor het eerst hoor ik in één concert bij elkaar: een madrigaal en een liedje van The Kinks. In het interview dat de documentaire van zijn concert begeleidt, merkt Thompsons tussen neus en lippen door op dat de liedjes die hij bij elkaar heeft gezocht eigenlijk door een band van pakweg tweehonderd mensen had moeten worden gezongen, maar dat het merendeel al door scheurbuik en dergelijke is weggerukt. Ik las dat Thompson zich lang geleden, rond 1970, tot het Sufisme heeft bekeerd; ik denk dat de onderliggende vraag van zijn concert de zelfde mystieke vraag is als die van ‘Early Shaker Spirituals’: hoe individueel is een individu precies? (Ik las ook dat meestergitarist Thompson ooit voorzichtig benaderd is door The Eagles. Talloze keren ‘Hotel California’ spelen,  zou dat misschien het tegendeel zijn van een muzikale openbaring?)

 

Het derde voorbeeld is is een geweldig essay over de geschiedenis een oude Amerikaanse song: “Ain’t No More Cane on the Brazos”, of kortweg “Ain’t No More Cane”. Het lied werd in 1933 voor het eerst vastgelegd, maar het is ongetwijfeld ouder. Het essay heet voluit  “Ground Down to Molasses. The Making of an American Folk Song” en werd twee jaar geleden (July 2, 2014) gepubliceerd in de Boston Review. Het is geschreven door Dave Byrne (niet David Byrne); zie http://bostonreview.net/arts-culture/dave-byrne-ground-down-to-molasses-american-folk. (Ik geef de details zou uitgebreid omdat de link niet altijd werkt. Voer eventueel “Dave Byrne” in in het zoekvak op de homepage van de Boston Review; het essay is fenomenaal.) Het essay verknoopt allerlei covers van “Ain’t No More Cane” (met tien links naar verschillende versies om te beluisteren) met de geschiedenis van de suiker, de Amerikaanse slavernij en gevangenissen, de geschiedenis van folkloristische geluidsopnamen en die van de popmuziek. Briljant. Ik kopieer hier twee links uit Dave Byrne’s essay, maar hij geeft er veel meer, en het geheel is meer dan de som der delen.

Om het af te ronden, om de cirkel rond te maken: in een losse (ik weet het niet precies) samenwerking met The Wooster Group is acteur Eric Berryman bezig met weer een andere ‘record album interpretation’, work songs en spirituals van de grammofoonplaat “Negro Folklore from Texas State Prisons” uit 1965. Zie http://thewoostergroup.org/blog/2016/06/30/the-b-side-rehearsal-part-2/.

Als iemand, als is het maar voor een klein deel, verdwijnt in een oud liedje, is het verleden dan nog niet verdwenen, niet helemaal?

 

 

 

 

Ster en zombie

leave a comment »

In de Maastrichtse binnenstad staan sinds een jaar twee grote stalen sterren waar ik nooit zonder huivering naar kan kijken. Als ik er naar kijk, moet ik lezen wat er op staat, en als ik lees wat er staat, vraag ik me af wat daar bedoeld wordt en wie daar aan het woord is, en langzaamaan verander ik in een zombie. Alle redelijkheid en wilskracht worden uit me weggezogen, Battlestar Eurotricht in. Tot nog toe heb ik me iedere keer weer weten los te rukken, maar hoe lang blijft dat goed gaan?

Zombiester Europa bij het Onze Lieve Vrouweplein in Maastricht

Ja, nee, natuurlijk, ja, het is gewoon een reclameding, een stukje publiciteit, broodnodige en kakelverse en ijskoud-de-lekkerste city branding, dat snap ik. Een stad is een merk, een merk moet gevuld worden met emotie, zonder emotie geen communicatie. Diepvriesverse emotie? Alle dertien even goed-emotie? Groene bio-emotie? Euro-emotie!

Want Maastricht = “Maastricht”, Maastricht is de stad waar in 1992 het verdrag is gesloten dat in het Europese jargon “Maastricht” heet. Sindsdien heet de Europese Gemeenschap de Europese Unie. En sindsdien bestaat in Maastricht de neiging om stad en unie magisch te verbinden en met elkaar te vereenzelvigen. Is Maastricht niet het hart van Europa? Hebben Vlamingen, Walen, Duitsers en Limburgers tot in de verre omtrek niet een speciaal saamhorig Euregio-gevoel? In ieder geval is er een leegte. Misschien kan die wel gevuld worden met emotie? Komt het niet mooi uit dat het Maastrichtse stadswapen en de Europese vlag allebei sterren hebben?

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Europese sterren op een Maastrichtse rotonde en de Maastrichtse ster op een bestelauto

Natuurlijk zijn de sterren onderdeel van een campagne, natuurlijk staat de campagne ook op internet, natuurlijk is er een trailer met de stem van Morgan Freeman.

De campagne is het werk van publieke of semi-publieke instellingen, Gemeente Maastricht, Maastricht University, Maastricht Health Campus, A2 Maastricht, Belvédère Maastricht, Regiobranding Zuid Limburg en VVV Maastricht, maar de taal is die van de markt. De managers van de campagne hebben zinnetjes bedacht als: “Maastricht Meet Europe: één verhaal, dat de kernwaarden (authentiek, open, dynamisch, gemoedelijk en vooruitstrevend) van onze stad herbergt.” Bekijk die videoclip desnoods een keer. Verbaas je over het onduidelijke emo-proza dat Morgan Freeman uitspreekt, en over het gegeven dat hij blijkbaar niet de tijd hoefde te nemen om “Maastricht” te leren uitspreken. “Lost in translation, in a word I can not pronounce”, dat is het laatste wat hij zegt. Denk dan even na over de vraag wat het betekent dat overal, steeds weer, onze aandacht wordt gegijzeld door dit soort manipulatie. Het lijkt emotie, het is technocratie. Authentiek en gemoedelijk?  Dat is een videoclip met een sonore voice-over van een celebrity. Open, dynamisch en vooruitstrevend? De tweede helft van dezelfde videoclip, nu in een snellere montage en met een prominente beat in plaats van een commentaarstem.

Het voornaamste kenmerk van de taal van de technocratie is wel dat je er naar hartelust alles mee kunt in- en uitsluiten. Morgan Freeman de stem van Maastricht? Waarom ook niet? Een portret van Maastricht zonder nondescripte buitenwijken, en zonder de kantoren waar wordt vergaderd over technocratische campagnes, waarom niet? Europese begrotingstekorten bespreken zonder moeilijk te doen over de enorme werkloosheid in landen als Spanje en Griekenland, waarom niet? Een Europese muntunie invoeren zonder duidelijk politiek kader, “Maastricht”, waarom niet?

Ja, nee, natuurlijk, ja, ik zou zelf de technocraten maar al te graag willen geloven, in zekere zin zou ik er maar al te graag zelf een zijn. Naar hartelust de werkelijkheid herdefiniëren en desgewenst wegdefiniëren, daar ben ik heel geschikt voor. Competent ook. Alleen ben ik te zeer gefascineerd door de formele aspecten van de technocratische manoeuvres, door de avantgardistische aspecten van al die enorm formele ingrepen in de weergave van de werkelijkheid, in het gekunstelde ervan. Dat maakt me speels. Het ontketent mijn fantasie, mijn behoefte om variaties te bedenken, dwarsverbanden te leggen, andere perspectieven toe te voegen, méér werkelijkheid te willen in plaats van minder. Zou er geen betere, in artistiek opzicht uitdagender videoclip te bedenken zijn met precies dezelfde soundtrack van Morgan Freeman plus synthi-pop, maar dan uitsluitend met beelden van vergaderingen bij de Gemeente Maastricht, Maastricht University, Maastricht Health Campus, A2 Maastricht, Belvédère Maastricht, Regiobranding Zuid Limburg en VVV Maastricht? “Lost in translation, in a word I can not pronounce”, maar dan met vaste vloerbedekking, bureaustoelen, flap-overs met targets, en staafdiagrammen die aantonen dat het imago van Zuid-Limburg “succesvol verbeterd” is. (Kan iets ook “onsuccesvol verbeteren”? Ik las het op de website van Regiobranding Zuid-Limburg.)

Kunnen die Europese sterren daar op de rotonde niet interactief worden, en voorzien van de onmisbare flexibiliteit die nodig is om het design toekomstbestendig te maken? Effe Daan Roosegaarde bellen? Dat er een ster zijn kopje laat hangen, of dat er een stengeltje knakt zodra er in een EU-land een financieringstekort boven de afgesproken grens komt, of misschien liever zodra de jeugdwerkloosheid in een land boven 5 % komt, of als er nog steeds geen minimumloon geldt? Of dat een ster bloost als er weer eens een voormalig EU-regeringsleider onfatsoenlijke relaties blijkt te hebben onderhouden met de plaatselijke media-magnaat, zoals Tony Blair met Rupert Murdoch, Helmut Kohl met Leo Kirch, en Silvio Berlusconi met zichzelf?

Ik wil graag geloven in de voordelen van de Europese Unie. De Europese geschiedenis, dat is de rechtsstaat, de welvaartsstaat, de renaissance, de roman, maar ook, en in de geschiedenis nog maar kort geleden, de totalitaire staat, het fascisme en het kolonialisme. Het Europese gerommel met Griekenland van de afgelopen maanden wekt de indruk dat de leidende Europese politici vertrouwen op marktwerking en flexibilisering als afdoende garanties voor verdergaande vrijheid en voorspoed. Dat marktwerking moet worden ingebed in politiek vastgestelde kaders, omdat flexibilisering anders voor het zwakste deel van de mensen op de arbeidsmarkt neerkomt op uitbuiting en misère, daar hoor je minder over. Werkloze mensen en mensen met flexi-contracten hebben ook geen adviseurs, geen accountants, geen internationale bankiers, geen marketingplan.

Maar verlies ik de redelijkheid niet uit het oog als ik het dan heb over zombies en technocraten? Niemand anders dan Jürgen Habermas heeft het over zombies als hij het heeft over politici die zich uitsluitend als economische technocraten laten gelden. Jürgen Habermas, de one-man filosofische theoriefabriek die zo vaak als de belichaming van de redelijkheid wordt gezien, en die jarenlang gold als de paus van het geloof in de Europese Unie, schreef laatst in de Süddeutsche Zeitung: “Das schwache Auftreten der griechischen Regierung ändert nichts an dem Skandal, der darin besteht, dass sich die Politiker in Brüssel und Berlin weigern, ihren Kollegen aus Athen als Politiker zu begegnen. Sie sehen zwar wie Politiker aus, lassen sich aber nur in ihrer ökonomischen Rolle als Gläubiger sprechen. Diese Verwandlung in Zombies hat den Sinn, der verschleppten Insolvenz eines Staates den Anschein eines unpolitischen, vor Gerichten einklagbaren privatrechtlichen Vorgangs zu geben.”

“Never waste a good crisis” is het credo van de ware technocraat. Er zijn wereldwijd kantoren waar dit weekeinde dag en nacht gewerkt wordt aan winstgevende scenario’s voor het geval Griekenland uit de muntunie en/of de Europese unie zou vallen, maar heb niets gehoord over winstgevende scenario’s voor de onvolgroeide politieke structuur van de Europese muntunie, ten bate van de rechtsstaat, de welvaartsstaat, en de roman. Ik geloof dat ik bang ben voor zombies.

 

Voor wie meer wil lezen heb ik dit lijstje met aanbevelingen:

Over de onredelijkheid van de Duitse opstelling: Jürgen Habermas in Die Süddeutsche Zeitung: http://www.sueddeutsche.de/wirtschaft/europa-sand-im-getriebe-1.2532119

De onderliggende problemen van deze crisis: Wolfgang Streeck in Der Spiegel, in het Engels op de site van zijn uitgever: http://www.versobooks.com/blogs/2113-wolfgang-streeck-the-greek-crisis-trapped-in-the-eurozone

Economie in breed historisch verband: Amartya Sen in The New Statesman: http://www.newstatesman.com/politics/2015/06/amartya-sen-economic-consequences-austerity

Over bedragen en banken: Mark Blythe in Foreign Affairs: https://www.foreignaffairs.com/articles/greece/2015-07-07/pain-athens

Dichterbij de taal van muziek en film, altijd verbazend goed geïnformeerd, David Byrne op zijn eigen blog: http://davidbyrne.com/growth-austerity-debt

Recensie van een abstractie

with one comment

Soms heb ik een kunstwerk al beoordeeld in de eerste oogopslag. Of eigenlijk is het andersom: het overkomt me wel eens dat een kunstwerk me ogenblikkelijk een zinkend gevoel bezorgt, de zekerheid dat het geen plaats openlaat voor mijn emoties of voor mijn vragen. In dit geval: een installatie in Schunck, in Heerlen, “Wat zou je doen met een miljoen?” Een vraag die me al bij voorbaat aan loterijen doet denken, en daarmee aan een stroom van reclame en hele en halve onwaarheden die ik liever uit de weg ga. De wereld waarin de voorgestelde kansen niet kloppen, waarin ‘gratis’ niet gratis is en waarin liefdadigheid betekent dat allereerst de directie rijk wordt – kijk de recente geschiedenis van de Nederlandse loterijen er maar op na.

Wat zou ik doen met een miljoen? Een ander huis kopen, een reis maken, aan mijn kinderen geven, aan een goed doel geven, aan een actie tegen loterijen geven, een kunstwerk kopen, nog een miljoen vragen, als de visser uit het sprookje ‘de visser en zijn vrouw’? Van wie is dat miljoen eigenlijk? Is er wel een miljoen? Wat gaat die vraag uit de weg? Politiek, sociologie, geschiedenis?

Vervelende reclame: "gratis kans op een miljoen!"

Je komt binnen op de opening, kijkt een ogenblik rond, en ziet: een ruimte die is beplakt met kranten. Voor de interactie zijn er kant en klare stickers gedrukt, de bezoeker wordt aangemoedigd een sticker op een krantenbericht naar keuze te plakken. Is dit interactie of juist niet? Is dit niet de werkelijkheid van multiple choice vragen, van krasloten, van ingekaderde pseudo-communicatie? Zulke overwegingen duren hooguit tien seconden. Daarna besloot ik maar een beetje afzijdig te blijven, en mijn jas aan te houden, al is dat warm: een jas biedt afstandelijkheid, een vorm van bescherming. (Ook tegen mijn eigen ongeduld.)

Overzicht van de installatie "Wat zou je doen met een miljoen?" in Schunck

Overzicht van de installatie “Wat zou je doen met een miljoen?” in Schunck

Na de openingsspeeches heb ik nog rustig rondgekeken. De vijf hoge ramen rechts op de foto hierboven waren beplakt met spiegelfolie; wie de gang achter de ramen betreedt ziet alleen zijn eigen spiegelbeeld, en kan een koptelefoon opzetten waarop ruis te horen is, alleen ruis. Volgens een verklarende wandtekst is hier “ruimte gemaakt voor onverschilligheid”, in de ruimte die is beplakt met kranten “kun je de actualiteit wikken en wegen en kun je dat wat jij belangrijk acht markeren”.

De stickers

De stickers

Mijn probleem is dat ik een sticker plakken op kranten net zo onverschillig vind als met een koptelefoon vol ruis naar een spiegelwandje kijken. Wat maakt het uit? Niet geselecteerde oude kranten zijn ruis. Is dat interactie, een sticker plakken? Met wie, of met wat? De strakke lijn tussen onverschilligheid en interactie in de installatie lijkt mij een cliché, geen kunstwerk.

De hamvraag
De hamvraag

“Met ‘Push and Pull’ lanceert Schunck een nieuwe reeks tentoonstellingen die de interactie tussen publiek en hedendaagse kunst centraal stelt.”

De installatie is gemaakt door een klas (zeven studentes) van de docentenopleiding van de Maastrichtse kunstacademie, met drie begeleiders. Van hun visie op geld, of op politiek, of op de maatschappij, of op de media, of op kunst, of op het leven, weet ik niets: hun installatie zwijgt er in alle talen over. Volgens mij is er helemaal geen sprake van interactie tussen publiek en hedendaagse kunst; kunst wordt niet zomaar in klasverband gemaakt. In feite is dit interactie tussen kunstinstellingen onderling (museum, academie, Mondriaan Fonds), interactie tussen vertegenwoordigers en spreekbuizen van kunstinstellingen. Dat is iets anders, echt iets anders. Noem het desnoods een abstractie van interactie. Ik wacht intussen (ik maak deel uit van de klankbordgroep van het hele Push and Pull-programma, en heb nu alvast mijn steentje bijgedragen) gewoon op een volgende aflevering van ‘Push and Pull’, dan komt Sushan Kinoshita aan de beurt, een kunstenares, iemand die kunst maakt.

Historische achtergrond

‘Push and Pull’ is genoemd naar een happening (of installatie, of performance) die Allan Kaprow (1927 – 2006) in 1963 heeft gemaakt in een Amerikaans warenhuis: twee ruimtes waar bezoekers naar hartelust met meubels en rommel konden slepen en stapelen. (Kaprow’s programma voor ‘Push and Pull’ is te vinden op UbuWeb.) Kaprow was eerst een figuratieve kunstschilder, ging toen abstract werken, werd beïnvloed door ‘action painting van Jackson Pollock, en bedacht daarna, beïnvloed door John Cage, dat het kader van kunst te nauw was voor zijn werk (of voor voor kunst in het algemeen?), dat ‘action painting’ de hele werkelijkheid kon omvatten, dat alles, inclusief het leven zelf, kon worden meegenomen in ‘gebeurtenissen’: “happenings”.

Jaren geleden heb ik een bundel opstellen van Kaprow gelezen, “Essays on the Blurring of Art and Life”. Nu ik me al internettend nog even in zijn werk heb verdiept, valt me op dat zijn hele retoriek ten tijde van zijn happenings was gericht op werken buiten de kunst (Kaprow’s eerste regel voor het maken van een happening: vergeet alle bestaande kunstvormen), maar dat hij keurig is opgenomen in zowel de kunstgeschiedenis als de theatergeschiedenis. Bovendien was hij van 1953 tot 1993, zonder onderbreking, docent aan kunstinstellingen. De ‘Allan Kaprow estate’ wordt vertegenwoordigd door topgalerie Hauser & Wirth (vestigingen in Zürich, Londen, Somerset, twee in New York, en Los Angeles). Er zijn momenteel acht lopende tentoonstellingen waarbij Kaprow’s werk betrokken is: Zwitserland, Nederland (Schunck), Japan, Taiwan, USA (2 x, Minneapolis en Chicago), Australië, Italië, Duitsland; dat zijn meer dan acht landen, want sommige tentoonstellingen reizen. ‘Push and Pull’ alleen al is de laatste jaren ‘geherinterpreteerd’ in de Tate Modern in Londen, in Sydney, en in New York tijdens een ‘Performa’ festival. Dat zegt iets over de werking van het kunstenveld: de niet te stillen behoefte aan een voorbeeld, een autoriteit, een oude meester.

Bij het luisteren naar een lezing van Kaprow op YouTube viel me op hoe bazig hij spreekt, dwingend in zijn voorschriften. Er worden nogal wat lichamen opgestapeld, gedumpt, meegesleurd, besmeurd, kleren afgescheurd in de programma’s voor happenings van Kaprow; en verder zijn er veel auto’s in nodig. Autobotsingen, een brand in een fabriek, de rommel die achterblijft na een storm, dat zijn voorbeelden die Kaprow gebruikt; net als bij de beat poets, ook tijdgenoten, is destructie nooit ver weg.

Misschien had Kaprow als docent een andere, mildere invloed, ik vond dit citaat in een artikel in de New York Times uit 2008: “He taught at CalArts at the same time as the conceptual artist John Baldessari, which inspired the one-liner that while all of Mr. Baldessari’s students went on to become art stars, Kaprow’s went on to become social workers.” Misschien hadden zijn studenten ook meer kijk op de werkelijkheid buiten de kunst om.

NB: deze ‘Recensie van een abstractie’ heeft een pendant: ‘Gerecenseerd door een abstractie‘. Het blijft duwen en trekken.

Written by sytzesteenstra

10 februari 2015 at 19:17