Sytze Steenstra Blog

Archive for the ‘politiek’ Category

Gerecenseerd door een abstractie

with 2 comments

‘Book review’  las ik: ‘book by Sytze Steenstra’. Dat leek me interessant: een recensie van mijn boek op YouTube. De werkelijkheid hielp me uit de droom: YouTube is niet het medium voor boekbesprekingen, en het filmpje verdient die naam ook niet. Kijk er niet naar, het is echt te saai voor woorden, ruim twee minuten lang een tekstje dat ooit door de uitgever is geschreven als vooraankondiging, een tekstje dat eindeloos traag door het beeld schuift, ondersteund door muzak waar kraak noch smaak aan zit.

Wie maakt zoiets? En waarom? Het zal wel de samenwerking zijn tussen een computerprogramma en een database, een paar miljoen regels code, in gang gezet door iets als een winstverwachting, rendement op geïnvesteerd vermogen, shareholder value of zo. Of is het een hacker? De ‘afzender’ van het YouTube filmpje is “Linens ’n Things 4534555”.  Linens ’n Things, dat weet Wikipedia, is een internetwinkel die in de VS en Canada doet in huishoudtextiel, lakens en zo. Een groot bedrijf, het Wikipedia-lemma is vol moderne bedrijfsavonturen, private equity, faillissement, herstart, eigenaren met namen als Apollo Global Management, Hilco Global en Galaxy Brand Holdings. Miljarden, miljoenen. Ergens tussen de bedrijven met hun wereldomvattende, melkwegstelsel-omspannende namen door duikt ook een eigennaam op: Leon Black, eigenaar van Apollo Global Management. Als ik op die naam klik kom ik op het lemma dat aan hem is gewijd; Black is degene die  in 2012 119,9 miljoen dollar heeft betaald voor “De Schreeuw” van Edvard Munch (een van de vier versies die van het schilderij bestaan), en 36 miljoen euro voor een tekening van Rafaël, “hoofd van een jonge apostel”. Het is de wereld van enorme bonussen en superrendementen. Maar dat legt geen rechtstreeks verband tussen Linen ’n Things en kunst, of tussen YouTube en mijn boek over het werk van David Byrne, een poging van mijn kant om precies en gedetailleerd en concreet te zijn. Ik ben gerecenseerd door een abstractie.

Om iets terug te doen volgt, als pendant van dit stukje, mijn eigen recensie van een abstractie. Het blijft duwen en trekken.

 

 

 

 

Advertenties

Written by sytzesteenstra

10 februari 2015 at 19:15

Alain de Botton’s ‘Art is Therapy’ in het Rijksmuseum: het persoonlijke format als ideologisch jargon

leave a comment »

Voor Marianne en Gerbrand

“Hou op! Schei uit! Ik zie dat voor me, ik ben een beelddenker!”

Op zich is Alain de Botton’s tentoonstelling ‘Art is Therapy’ in het Rijksmuseum in Amsterdam al vaak genoeg gerecenseerd, dunkt me. In De Volkskrant noemde Wieteke van Zeil De Botton’s werk treurig, populistisch en beledigend voor het publiek. In Vrij Nederland schreef Carel Peeters over “spiritueel gesop” van een “seculier hijgende dominee”. Aan de andere kant schreef Ernst-Jan Pfauth in De Correspondent over “verreweg het inspirerendste bezoek dat ik ooit aan het Rijksmuseum bracht“.  Ook in het buitenland is er aandacht voor het Rijksmuseum: in The Guardian noemt Adrian Searle De Botton’s werk “smarmy”, oftewel klef: “banality and bathos are the stock-in-trade here”. In plaats van de zoveelste recensie te schrijven, wil ik hier de filosofie, de methode en de retorische strategie van De Botton belichten.

De Botton studeerde geschiedenis en filosofie, maar wil niets te maken hebben met academische historici en filosofen: alles draait volgens hem om persoonlijke authenticiteit en deugd. Er is veel voor te zeggen hem te beschouwen als een vertegenwoordiger van een hedendaagse versie van de existentialistisch-authentieke ideologie waarvan Adorno vijftig jaar geleden een polemisch portret heeft getekend in zijn nog altijd lezenswaardige boek “Jargon der Eigentlichkeit” – in het Engels vertaald als “The Jargon of Authenticity”. Adorno is onovertroffen als hij laat zien hoe een beroep op “wezenlijkheid” en op authenticiteit hand in hand kan gaan met een door en door autoritaire opstelling, en die combinatie typeert ook De Botton. De Botton’s afkeer van de gangbare historische en kunsthistorische methodes doet verder de vraag rijzen waarom het Rijksmuseum, dat toch in hoofdzaak draait om de Hollandse Gouden Eeuw, ervoor heeft gekozen met De Botton te werken. Maar eerst: hoe gaat De Botton te werk?

Het is geen geheim dat de vader van Alain de Botton, Gilbert de Botton, een zeer succesvolle beleggingsexpert was. Hij was de oprichter en voornaamste eigenaar van Global Asset Management (afgekort: GAM), een bedrijf dat de zeer rijken hielp te profiteren van de globalisering, daarbij weer geholpen door de financiële deregulering van Reagan en Thatcher. Na zijn dood drukte The Guardian een necrologie af die een mooi beeld geeft van de werkwijze van Gilbert de Botton: “A new client would be invited for lunch in GAM’s elegant St James’s office, served with delicious, but very light, food and, as the butler took the coffee cups, Gilbert would nonchalantly say: “Let’s see how the markets are doing today”, while opening a concealed drawer in the table. A Bond film scene would ensue: shutters would close, blinds come down, the 18th century mirror would come to light with a back-projected screen showing, in vivid colours, the day’s activities or, better still, GAM’s impressive track record. The client was hooked.”

Het is een scène die ook het werk van Alain de Botton, televisieproducent/bestseller-auteur/televisiepresentator/zelfhulp-filosoof, uitstekend karakteriseert, tenminste als hij achterstevoren wordt afgespeeld. De media-industrie, de maatschappelijke werkelijkheid en de geschiedenis trekken zich discreet terug achter de schermen, alleen de persoonlijke levenssfeer blijft achter, en – ik citeer de achterflap van een van zijn boeken – “De Botton komt naar voren als een grappig, innemend, erudiet en ontwapenend eerlijk persoon.” Zoals vader De Botton over technologische gadgets kon beschikken voor zijn act, zo kan zoon De Botton beschikken over een flink aantal formats voor de zijne. Formats: de genrewetten van de media. Het ‘bruggetje’ waarmee de presentator van het televisiejournaal zich tot de weervrouw/weerman wendt: een onderdeel van het format. De zekerheid dat De Kampioen, dat blaadje van de ANWB, in iedere stad wel gezellige winkeltjes weet te vinden, een géén saaie buitenwijken: format. De top vijftig, de top 2000, de boekentoptien, de beste drie films van deze week, de ranglijst van beste gemeentes, de ranking van internationale universiteiten, je kunt formats opsommen tot het je neus en oren uitkomt. Het format is altijd kant en klaar, het is in één oogopslag herkenbaar, het kent geen spanningsboog, geen emotionele of intellectuele ontwikkeling, of het zou het voorspelbare verloop van een wedstrijd moeten zijn.

“Putdownability” is de term die ik ooit een Amerikaanse grafisch ontwerper hoorde gebruiken om publiekstijdschriften te omschrijven: je legt ze weg zonder spijt of moeite omdat je weet toch niets verrassends of interessants te missen; het is tegelijk de kwaliteit die menigeen zoekt in lectuur. Alain de Botton heeft wat mij betreft volmaakte putdownability: hij onderscheidt zich niet werkelijk van De Kampioen, van krantenbijlages over cultuur en luxe, van tijdschriften over mode en design en celebrities en lekker eten. Maar omdat hij zo langzamerhand wel ’s werelds bestsellende filosoof moet zijn, omdat hij zo graag filosoof wil zijn en niet gewoon schrijver van bestsellers, en last-but-not-least omdat het Rijksmuseum in Amsterdam nu een Alain de Botton-tour heeft, en een ART IS THERAPY lichtbak aan de gerestaureerde museumgevel, is het de moeite waard eens te kijken hoe De Botton zijn formats, zijn stoïcisme, zijn doe-het-zelf psychoanalyse en zijn persoonlijke touch aan elkaar koppelt. De Botton’s “Philosophy of Life” is misschien wel gewoon de opvolger van wat ooit in het Duits “Lebensphilosophie” heette, een gemoderniseerde variant van het existentialisme die is toegesneden op consumptie en individuele wellness. Wellness zoals in “de wellness-industrie”, die samenvoeging van sauna/massage/verwenpakket/hotel-restaurant.

Om kennis te maken met De Botton’s formats is het aardig even te kijken hoe zijn bedrijfjes zich op het internet presenteren. De Botton heeft een  eigen TV-productiebedrijfje, Seneca Productions: “We are committed to making documentaries, and arts, science and history programmes that never forget the duty to keep viewers moved, entertained and amused”. Verder leidt hij The School of Life, een cursusinstituut in London dat via een franchise-constructie ook vestigingen heeft in Parijs, Melbourne en Amsterdam (er staan nog meer wereldsteden op het programma). Er zijn cursussen in De Botton-filosofie, er is zelfhulp-therapie, er zijn niet-godsdienstige preken op zondagmorgen, er is een serie “School of Life” boeken en er zijn hebbedingetjes te koop met opgedrukte De Botton-spreuken of met namen van beroemde filosofen. The School of Life: “Headquartered in London, we operate around the globe, delivering our services down a number of channels to suit your different needs”. Verder heeft De Botton, als spin-off van zijn boek “De architectuur van het geluk”, een boek dat zich laat samenvatten als “je hoeft niet bang te zijn voor modernistische architectuur” het bedrijf Living Architecture. Living Architecture verhuurt royale vakantiehuizen die zijn ontworpen door prominente moderne architecten: “We see ourselves first and foremost as an educational body, dedicated to enhancing the appreciation of architecture. But we also hope that you will have an exceptional holiday with us.”

De Botton beheerst de kunst van de cross-channel marketing als geen andere filosoof. Er is een Alain de Botton romcom, de komedie “My Last Five Girlfriends” (Paramount Pictures), gebaseerd op De Botton’s roman “Essays In Love”. De Botton’s protagonist in de film wordt gespeeld door Brendan Patricks, maar afgaand op de trailer zou je ook kunnen zeggen dat De Botton’s protagonist de rol speelt van Hugh Grant in een serie iets oudere succesvolle romantische komedies (“Four Weddings and a Funeral”:  4 + 1 = 5). Er zijn niet één, niet twee, maar drie tentoonstellingen, op niet één, niet twee, maar drie continenten, gebaseerd op De Botton’s boek “Art As Therapy”; het Rijksmuseum is de meest prestigieuze, maar tegelijkertijd zijn er ‘Art is Therapy’ tentoonstellingen in The National Gallery of Victoria in Melbourne, en in The Art Gallery of Ontario in Toronto. De Botton’s nieuwste boek is “The News: A User’s Manual”, en bij het boek is er een website, The Philosophers’ Mail, volgeschreven door De Botton en andere filosofen van zijn School of Life: “The goal of the Philosopher’s Mail is to prove a genuinely popular and populist news outlet which at the same time is alive to traditional philosophical virtues. […] The site views the rolling succession of the day’s news as an occasion for the development of insight, generosity and emotional intelligence.”

[Een scène uit My Last Five Girlfriends: De Botton’s advies voor succesvol mokken]

Filosofie

De Botton’s werk als filosoof is een combinatie van vier elementen die elk op zich niet ongewoon zijn: zijn kracht is dat hij ze samen weet te smeden. Stoïcisme, zelfhulp-psychologie (d.w.z. een mengsel van gepopulariseerde psychoanalyse en psychologie), formatting, en een schrijfstijl die even toegankelijk als retorisch is: dat is het recept. De Botton is een groot bewonderaar van het stoïcisme; hij noemt graag Seneca (denk aan “Seneca Productions”) en Montaigne als voorbeelden van de wijsheidsleer die hem voor ogen staat. Daarmee geeft hij niet alleen aan zijn eigen werk een vleugje eerbiedwaardige tijdloosheid mee, het heeft ook een cruciale methodologische consequentie. Het antieke stoïcisme besteedde geen aandacht aan kentheorie, aan natuurwetenschap of aan een politieke leer: alle aandacht ging uit naar een ethiek van innerlijke gemoedsrust en van morele verhevenheid boven de slagen van het noodlot. Apatheia in de zin van gemoedsrust, onaangedaan door angst en begeerte, was het ethisch ideaal van de Stoa. Het is een houding die veel later trouwens ook de Britse gentleman karakteriseerde, volgens mijn filosofisch woordenboek. De vraag is natuurlijk in hoeverre apatheia als deugd als keerzijde gewone apathie jegens het lot van andere mensen en andere groepen inhoudt. Het ideaal van de gentleman was ooit strikt voorbehouden aan de klasse die financieel onafhankelijk was; een echte gentleman stond voor de waarheid van zijn woord, maar van die erecode werd in de zeventiende eeuw iedereen uitgesloten die moest werken om te leven. Hoewel De Botton geschiedenis gestudeerd heeft, lijkt hij zich geen moment af te vragen of het stoïcisme ook achterhaald zou kunnen zijn. Voor hem blijft de zuiver individualistische deugdenleer van de stoïcijnen het antwoord op alle “levensvragen”; de moderne staat en alle moderne instituties lijken niet in zijn wereld voor te komen. In de boeken van De Botton is Margaret Thatcher’s roemrucht kreet “There’s no such thing as society” waarheid geworden.

Aan het stoïcisme voegt De Botton populaire psychologie toe. Hij is een verklaard bewonderaar van Donald Winnicott, een Brits kinderarts en psychoanalyticus die de relatie tussen moeders en hun kinderen centraal stelde in de ontwikkeling van het individu. Volgens Winnicott ontwikkelt een kind zich, als het goed is, vanuit een veilige en intieme twee-eenheid met de moeder via een ‘transitional object’ (een ‘troostdekentje’ of een teddybeer) tot een zelfstandige volwassene. Daarbij maakt Winnicott een nogal wollig onderscheid (al is het best mogelijk dat dit heel anders uitpakt in individuele analyses – psychoanalytische therapieën zijn immers zeer langdurig en intensief) tussen volwassenen met een ‘waar’, authentiek, integer en creatief zelf, en volwassenen met een ‘vals’ zelf, dat conventioneel is en inauthentiek. Voeg hier de gedachte bij dat kunst en cultuur troostdekentjes en knuffelberen voor volwassenen zijn, hulpmiddelen om een authentieker zelf te ontwikkelen, en je hebt een goed deel van de formule-De Botton te pakken. Dit is bijvoorbeeld wat De Botton te zeggen heeft bij een harnas uit de eerste helft van de zestiende eeuw, in het Rijksmuseum:

“We zouden hem graag eens stiekem aandoen. Je zou je zo veilig als een baby voelen, maar dan wel in een ijzeren omhulsel in plaats van in een comfortabele draagdoek. Tegenwoordig lopen we niet meer het gevaar om geraakt te worden door een lans, of een tweehandzwaard. De risico’s die we lopen zijn eerder psychisch van aard, maar onze behoefte aan veiligheid is net zo groot.”

harnas

Het harnas in kwestie

En dit is De Botton over een Boeddhabeeld uit China, van Guanyin, uit de twaalfde eeuw, ook in het Rijks: “Sinds de veertiende eeuw wordt deze Boeddhistische godheid niet langer als man afgebeeld, maar als vrouw. Net als Jezus en de maagd Maria hoort Guanyin onze wanhoop aan, toont ons genegenheid, en geeft ons de kracht om onze levenstaken onder ogen te zien. Dat deze figuren in zowel het Boeddhisme als in het Christendom centraal staan, wijst erop dat elke volwassene moeilijke momenten van twijfel kent, samen met het gevoel het niet meer alleen te kunnen. Het betekent dus niet dat je als mens gefaald hebt als je wordt overvallen door een allesoverheersende behoefte aan troost. De moderne samenleving heeft er de allergrootste moeite mee om een eigentijds alternatief te vinden voor deze figuur, die de voor iedereen toegankelijke koesterende moeder voorstelt.”

Omdat alle goede dingen in drieën komen, is hier nog Rembrandts Nachtwacht als knuffeldier, in De Botton-terminologie: “Dit schilderij gaat over hoe fijn het is iets te doen met mensen die je mag. […] Een groep gelijkgestemden, een hecht team, mensen die het beste in anderen naar boven brengen.” De stoïcijnen uit de oudheid zouden allicht verbaasd opgekeken hebben bij zoveel troost en geknuffel, ze steken af bij hun idealen van ataraxia en apatheia. Maar deze combinatie is De Botton’s gouden greep: het is het format aller formats, de geest van de reclame zelf, volgens de formule: reclame = product + emotie. Om de formule goed te kunnen toepassen is eerst een apathische gelijkmoedigheid vereist jegens het product zelf. Wat maakt het uit welke eigenschappen en specificaties het heeft, hoe het gemaakt is, met welke technologie, onder welke omstandigheden, in wat voor arbeidsverhoudingen, in welk land? Het gaat om het gevoel, om de emotionele winst voor het authentieke zelf, de consument.

Dat tijdens het lezen in eerste instantie nauwelijks opvalt dat De Botton zich zorgvuldig aan zijn formats houdt, is de verdienste van de soepele, anekdotische en bovenal persoonlijke schrijfstijl van De Botton. Hij rijgt de ene anekdote aan de andere, en de vraagstellingen die De Botton hanteert zijn steevast zo emotioneel en zo detaillistisch uitgewerkt, dat de lezer geneigd is te denken dat hij het ironisch bedoelt. Neem de volgende citaten uit “De architectuur van het geluk”, uit een beginhoofdstuk waarin De Botton de lezer wil doordringen van het belang van zijn onderwerp: “Hoe wijs was de raad van de oude filosofen om in onze voorstelling van geluk alles buiten beschouwing te laten wat ooit de kans loopt door lava te worden overspoeld, of door een orkaan omver te worden geblazen, met chocolade besmeurd te raken of door een wijnvlek te worden ontsierd. […] Zelfs als de vloer waarop we staan is aangevoerd uit een steengroeve in een ver land en de elegant bewerkte raamkozijnen zijn geschilderd in een zachte grijstint, kunnen we nog worden geplaagd door zorgen of afgunst. […] Ook in een gebouw van Geoffrey Bawa of Luis Kahn kunnen we na een onbenullig, uit de hand gelopen meningsverschil met een echtscheiding dreigen.” Botton noemt een orkaan in één adem met een chocoladevlek, suggereert dat architectuur een middel tegen echtscheiding is, of zou moeten zijn; wil hij serieus genomen worden? Het lijkt allemaal ironisch,  maar zijn betoog leidt naar een pleidooi voor regelgebonden architectuur, voor orde, harmonie, elegantie en samenhang. De Botton pleit in feite voor een hernieuwd classicisme, maar hij prijst het aan in hypersensitief meubelboulevard-proza. Neem dit citaat: “Flagstonevloeren kunnen een vergelijkbaar beeld van harmonie tussen tegengestelde krachten opleveren doordat de grote, stompe stenen zich door een metselaar in een ordelijk patroon hebben laten plaatsen. Je voelt hoe de meest uitgesproken karaktertrekken van deze tegels zijn getemperd, hoe de primitiviteit die nog zichtbaar is in de ruwe rotswanden waaruit ze zijn weggehaald tot beschaving is gebracht. In het belang van de gemeenschappelijke discipline moesten ze hun uitdagende houding opgeven, hun mossige baarden bijknippen en hun wratten en eeltknobbels laten verwijderen…” De Botton gaat zo nog even door. Hij is niet ironisch. Hij meent het. Dat blijkt vooral uit het “wij” dat De Botton graag hanteert, een wij dat geen dialoog zoekt en dat ook geen ruimte laat voor tegenspraak, integendeel. (De lezer voelt zich al snel een flagstone die “in het belang van de gemeenschappelijke discipline”  enzovoorts.)

Want pas op, als De Botton zijn ‘wij’ uit de kast haalt. “We have grown frightened of the word morality. We bridle at the thought of hearing a sermon. We flee from the idea that art should be uplifting or have an ethical mission. We don’t go on pilgrimages. We can’t build temples. We have no mechanisms for expressing gratitude. […] We resist mental exercises. Strangers rarely sing together. We are presented with an unpleasant choice between either committing to peculiar concepts about immaterial deities or letting go entirely of a host of consoling, subtle or just charming rituals for which we struggle to find equivalents in secular society.” (Uit een TED-talk van De Botton over godsdienst voor atheïsten, na te lezen op een website van CNN.)

Het is een autoritair ‘wij’, dat wij van De Botton. Met dat wij van hem betoogt hij dat we niet langer “l’art pour l’art” willen, dat wil zeggen: geen moderne kunst meer, waarin de kunstenaar ‘normloos’ is omdat hij zich geen normen meer van bovenaf laat opleggen. Die normen wil De Botton wel aan de kunst opleggen. Zijn boek “Art as Therapy” loopt uit op het hoofdstuk “Een pleidooi vóór censuur”, gevolgd door het slothoofdstuk “En nu gaan we de wereld veranderen”. Natuurlijk moeten we niet aan Stalin denken, verzekert De Botton de lezer; dat soort brute censuur is uit de tijd. (Poetin? Murdoch? de NSA? Het Chinese Politburo? Teheran? De Botton beseft niet hoe kostbaar en omstreden persvrijheid en artistieke vrijheid zijn.) De Botton’s censuur zal vast meer lijken op een zacht dekentje.

art is therapy-chanel

Niet zo, maar zo. Links: het Musée d’Orsay in Parijs. Rechts: het Rijksmuseum in Amsterdam. De foto links staat in “Kunst als therapie”. De Botton en Armstrong vinden de parfumreclame lelijk, ze schrijven: “In dit geval zou censuur volkomen gerechtvaardigd zijn. De openbare ruimte zou namelijk onze betere natuur moeten weerspiegelen en ondersteunen.”

Ideologisch jargon

Zodra je gaat letten op de manier waarop De Botton met ‘wij’ schermt, begint duidelijk te worden dat dit het persoonlijk voornaamwoord is waarmee hij onvermoeibaar warme kameraadschap en deugdzaamheid predikt en dat hij daarnaast gebruikt als argument waarom het niet nodig is maatschappelijke mechanismen te analyseren. Dit is bijvoorbeeld hoe hij John Armstrong aanprijst, de co-auteur van “Art as Therapy”: “The writer and philosopher John Armstrong is a very bold thinker, arguing that capitalism has gone wrong not because there aren’t enough regulations on businesses but because there isn’t enough education of consumers. In his eyes, the task is not to ban McDonald’s, but to educate our desires so that we might “freely” consider alternatives. This is thinking at once boldly left- and right-wing.”

Opnieuw kost het me moeite De Botton serieus te nemen, maar ongetwijfeld meent hij het. Hoe griezelig bevoogdend en hoe inhoudelijk armzalig het wereldbeeld van De Botton is, blijkt uit de website “The Philosophers’ Mail”. De site wordt niet door De Botton alleen volgeschreven, ook door andere, anonieme docenten aan The School of Life, die over een minder soepele pen beschikken maar des te duidelijker het denkraam laten uitkomen. Als De Botton cum suis bijvoorbeeld het consumentisme bij de kop nemen, komen zij niet aan met economisch cijfermateriaal of een sociologische analyse. In plaats daarvan tonen ze met onbekommerd anachronisme zeventiende-eeuws schilderijen als dit:

Cookmaid with Still Life of Vegetables and Fruit c.1620-5 by Sir Nathaniel Bacon 1585-1627

Sir Nathaniel Bacon: Keukenmeid met stilleven van groenten en fruit, c.1620-5 (Tate Gallery)

De Botton’s toelichting: “The idea of consumerism as evil is a scourge with which to beat the modern world. Yet at its best consumerism is founded on love of the fruits of the earth, delight in human ingenuity and due appreciation of the vast achievements of organised effort and trade. This painting takes us to a time when abundance was new and not to be taken for granted. We are so afraid of greed that we forget how honourable the love of material things can be. In 1620, homage could be paid to the nobility of work and commerce, something that boredom and guilt make less accessible to us today. Perhaps we can learn from this picture. A good response to consumerism might not be to live without melons and grapes, but to appreciate what really needs to go into providing them.”

Consumentisme is natuurlijk ondenkbaar zonder reclame en zonder wereldomspannende industrie. Noch het concept, noch de voorwaarden ervoor bestonden in de tijd van Nathaniel Bacon. Door de werkelijkheid onzichtbaar te maken en onbesproken te laten, tovert De Botton consumentisme om in een deugdzame houding van liefde, plezier en dankbaarheid. Zijn procedé is simpel: presenteer een hedendaags probleem met een lange voorgeschiedenis als tijdloos. Doe dit door het probleem te noemen maar niet te analyseren en ermee geassocieerde emoties en ondeugden op de voorgrond te plaatsen. Presenteer deugden als oplossing voor de ondeugden, en: klaar! Het doorgezaagde weesmeisje springt onverminkt en blakend weer te voorschijn. Ook kapitalisme, toch een complex historisch ding, past in De Bottons goochelkist. Dat gaat zo, bij “The Philosophers’ Mail”:

Welcome to the dawn of capitalism

“Generous, thoughtful, sensitive people are often drawn to the view that we shouldn’t expect economies to ‘grow’. After all, the earth and its resources are limited, so why keep asking for GDP to expand? We don’t need more commercial activity or more businesses. We are destroying the planet fast enough as it is. According to the environmental story, Capitalism pillages the planet for the sake of producing vast quantities of material possessions, many of which we do not really need and only crave because we are duped by relentless advertising. The implication is that we need to wind back consumerism in order to improve society and lead better lives. It’s understandable if this opinion is widespread. But perhaps the good future depends not on minimising Capitalism but on radically extending it. […] The largest and most successful corporations have been those that satisfied appetites that we would categorise as belonging at the bottom of Abraham Maslow’s famous pyramid of needs: oil and gas, mining, construction, retail, agriculture, pharmaceuticals, electronics, telecommunications, insurance and banking. The briefest glance at the pyramid reveals a fascinating possibility: that the future growth of business will lie in an assault on a vast array of needs further up the pyramid, in the areas of love and belonging, esteem and self-actualisation.”

the philosophers' mail

Bij De Botton is kapitalisme geen historisch en economisch verschijnsel, maar een zuiver psychologisch gegeven, de vervulling van een tijdloze behoefte. En het kapitalisme kan in de toekomst zomaar heel erg deugdzaam worden. Zet de werkelijkheid van je onderwerp “stoïcijns” tussen haakjes, kleur het residu “psychologisch” naar behoefte in met authenticiteit en deugden, en ieder probleem is in een handomdraai opgelost. Zonder dat het ons zo vertrouwde wereldbeeld, dat reclame en marketing toch al aan alle kanten uitdragen, ook maar een strobreed hoeft te worden veranderd. Het is niet moeilijk te begrijpen waarom De Botton’s Jargon of Authenticity zo goed verkoopt.

Rijksmuseum

Dat ik toch verbaasd ben over de beslissing van het Rijksmuseum om met De Botton samen te werken, is in de eerste plaats omdat De Botton volstrekt a-historisch denkt en schrijft. Tijdens alle strubbelingen met het eerst geplande en toen toch maar afgeblazen Nationaal Historisch Museum heeft directeur Wim Pijbes herhaaldelijk verkondigd dat het Rijksmuseum in feite al die functie heeft. Dat idee lijkt me niet zo gek, en als het Rijks in de toekomst zou kunnen samenwerken met die andere musea aan het Museumplein, het Stedelijk en het Van Goghmuseum, moeten er zowel historisch als artistiek fantastische tentoonstellingen te maken zijn. Daarvoor is het natuurlijk een goed idee deskundigen van buitenaf uit te nodigen om tentoonstellingen samen te stellen. Er moeten met die enorme collecties verhalen verteld worden, en daarvoor zijn talloze mogelijkheden te verzinnen. Ik noem er drie. Auke van der Woud, veelgeprezen en gelauwerd historicus die prachtige boeken schreef over de geschiedenis van onze steden, dijken, straten en wegen, over de geschiedenis van Nederland? Philippe Descola, antropoloog en filosoof, die eerder in Parijs in het Musée du Quai Branly  en met medewerking van het Louvre een fantastische tentoonstelling maakte over de plaats van kunst en over de verhouding van mens en natuur in verschillende culturen van de wereld? Het Rijksmuseum toont per slot behalve Holland ook de wereld. Jean Fisher en Cuauhtemoc Medina (samensteller van de Manifesta 9 in Genk,2012) over globalisering, van de Verenigde Oostindische Compagnie tot nu? Het zou prachtig kunnen worden. Dat in plaats daarvan De Botton wordt uitgenodigd, die heeft aangegeven kunstkritiek en kunstgeschiedenis te verachten, lijkt me alleen maar te verklaren door zijn status als internationale celebrity: als marketingmiddel. Het organogram van het Rijksmuseum staat op de website: alleen de afdeling marketing heeft een eigen adviesraad, alsof dat het centrum van de organisatie is. Er moet blijkbaar dringend een wetenschappelijke en artistieke adviesraad naast komen, met  leden die in staat zijn duidelijk te maken dat de vlotte levensfilosofietjes van Alain de Botton een nare keerzijde hebben.

Doordat Holland de Gouden Eeuw kende, is Nederland een knooppunt in de geschiedenis van de modernisering van de wereld. Het Rijksmuseum kan dat knooppunt tonen, analyseren, laten zien wat het met het heden te maken heeft. Al is “the past a foreign country”, de sporen van het vreemde zijn in het heden nog goed te zien zijn als ze door een tentoonstelling met een verhaal zichtbaar worden gemaakt, een verhaal dat verder kijkt dan Alain de Botton.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Onderwijs in terra incognita: over thuisonderwijs en hoogbegaafdheid

with 23 comments

Laat ik met de deur in huis vallen: mijn vrouw geeft mijn hoogbegaafde dochter thuisonderwijs. (Ik doe er zelf ook wel iets aan, maar veel minder). Dat is geweldig, een stuk beter dan de beste school die we konden vinden. Zoals onderwijskundigen het uitleggen: thuisonderwijs werkt één op één, is flexibel, sluit aan bij de vragen van de leerling, en is daardoor veel effectiever dan klassikaal onderwijs. Dat het voor mijn dochter een stuk beter is, zegt ook de schooljuf die mijn dochter een jaar lang les gaf, dat zegt de logopediste waar ze wekelijks heen gaat omdat ze dyslectisch is, dat schreef de orthopedagoge in haar verslag nadat ze haar twee dagen lang had getest. Natuurlijk vergt het veel inzet van ons. Het lesgeven kost veel tijd, en het zoeken naar goed lesmateriaal kost ook tijd, en geld. Het is, kortom, een prestatie waarvoor je als ouders best eens een compliment zou willen krijgen, en faciliteiten. Maar dan moet je niet in Nederland wezen.

Hoe zijn we daarin verzeild geraakt? Waarom geven we thuisonderwijs? En waarom ligt het zo gevoelig? Waarom wil staatssecretaris Dekker van onderwijs thuisonderwijs geen wettelijke plaats geven, waarom wil hij niet luisteren naar argumenten van onderwijsexperts die ervoor pleiten thuisonderwijs in Nederland een fatsoenlijke plaats in het bestel te geven? Waar komt toch het beeld vandaan dat het Nederlands onderwijs gericht is op het individu, en voor ieder kind de beste sociaal-emotionele ontwikkeling garandeert? Het zijn vragen waarvan ik meer dan eens wakker heb gelegen. Na lang zoeken en veel lezen heb ik geleerd dat er over hoogbegaafdheid best veel kennis te vinden is, en dat hetzelfde geldt voor thuisonderwijs: er zijn onderzoeken die op beide gebieden veel inzicht geven. Maar het Nederlandse onderwijsveld wil er niet aan. Onderwijsveld: daarmee bedoel ik het samenhangende geheel van docenten en scholen, besturen, koepels en adviesraden, tests en methodes, en natuurlijk de vele soorten experts: de onderwijspsychologen, onderwijssociologen, pedagogen, orthopedagogen, onderwijseconomen enzovoorts. Alle tekortkomingen van het Nederlands onderwijs zijn in het onderwijsveld zelf bekend. Maar de krachten die het veld beheersen, de drang naar grootschaligheid en de toenemende druk om alles te meten, sturen het veld als geheel onvermijdelijk in de richting van uniformering. De experts die in het veld zelf werkzaam zijn, zijn daardoor in het algemeen niet gericht op maatwerk dat uitgaat van het kind, maar zijn erop gericht het kind zich te leren aan te passen aan niet-passend onderwijs. Ik zal, uitgaande van mijn eigen ervaringen, steeds citaten van onderwijsexperts gebruiken om te laten zien hoe onze persoonlijke zoektocht naar passend onderwijs samenhangt met een systeem dat, om zijn legitimiteit overeind te houden, niet wil weten van zijn eigen tekortkomingen.

Op een bepaalde manier is het antwoord op de vraag waarom geven we thuisonderwijs heel simpel. We hebben twee kinderen die alle twee hoogbegaafd zijn. Aan de oudste hebben we gezien dat het onderwijs daar niet op is ingericht, er onhandig mee omgaat, zelfs ronduit schandalig als er eenmaal problemen ontstaan. Op de basisschool – wij kozen een Montessorischool, met ruimte voor individuele ontwikkeling – ben je als ouder nog een gesprekspartner van de leerkracht. De juf van de kleutergroep vindt het leuk dat je kind zo ongewoon snel leert rekenen, en de juf van de onderbouw vertelt je dat ze, met haar dertig jaar onderwijservaring, nog nooit zo’n jongetje heeft lesgegeven. Ze stelt voor dat hij een jaar eerder naar de bovenbouw gaat (voor mensen van mijn leeftijd: naar de vierde klas van de lagere school), omdat hij na twee jaar alles al kan wat er gewoonlijk in drie jaar te leren valt. Ook in de bovenbouw was hij na twee jaar door de lesstof van drie jaar heen. Hij had best twee jaar eerder naar de middelbare school gekund, maar wat betekent dat? Is dat een goed idee? Op dat moment begon ons te dagen dat eigenlijk niemand antwoord heeft op zulke vragen. We stonden aan de rand van onbekend terrein: terra incognita.

Twee klassen overslaan, twee jaar eerder naar de brugklas, dat leek ons een beetje veel. We gingen maar op onze eigen intuïtie af, want niemand, werkelijk niemand, had gefundeerde goede raad. Jaren later heb ik nog een artikel uit de krant geknipt, toen een ontwikkelingspsycholoog, Lianne Hoogeveen, onderzoek had gedaan naar kinderen die een klas overslaan. Kenmerkende citaten: “inderdaad een lastig dilemma.” “Er is geen veilige weg.” Je moet kiezen uit twee kwaden? “Dat hoeft niet, je moet per kind kijken wat het beste is. Maar ik geef toe, dat is lastig en complex. […] Het is niet meer dan menselijk dat je je het meest op je gemak voelt tussen je gelijken. Maar het past niet in het plaatje: in onze maatschappij wordt ongemakkelijk gedaan over hoogbegaafdheid. De reactie is al snel: ja hoor, túúrlijk, hoogbegaafd… Je kunt beter zeggen dat je kind goed kan voetballen dan dat het hoogbegaafd is.”

Het leek ons het beste onze zoon nog een jaar op de basisschool te houden. Het viel niet mee de IB ‘er – dat is de ‘intern begeleider’, het hele onderwijsveld staat werkelijk bol van jargon en afkortingen, en ‘intern begeleider’ is dan weer de term voor de juf die kinderen met leerproblemen individueel bijschoolt – over te halen extra lesmateriaal voor hoogbegaafden voor de school te kopen, maar uiteindelijk lukte het. Het werd een prima schooljaar, maar alleen omdat mijn vrouw twee dagdelen per week projectonderwijs op school ging geven: programmeren voor beginners, een website maken, zulke dingen. Ik maakte zelf geschiedenis proefwerkjes. Het was in feite voor een groot deel thuisonderwijs, maar dan op school aangeleverd. Toen kwam de overstap naar de middelbare school.

De schoolkeuze was eenvoudig, want er viel niets te kiezen. In Maastricht, waar wij wonen, was ooit een middelbare Montessorischool, maar die was al verdwenen, na een schimmig fusieproces met een ‘standaard’ scholengemeenschap voor havo/vwo. Er was ook een Vrije School, maar die had (toen nog) geen vwo. De drie vwo-scholengemeenschappen die er waren vielen alle drie onder hetzelfde schoolbestuur, en boden alle drie hetzelfde recht toe – recht aan standaardonderwijs. Dit is iets om even goed tot je door te laten dringen: de Nederlandse overtuiging, vast verankerd in het onderwijsstelsel, dat voor alle kinderen die havo of vwo aankunnen één enkele pedagogische benadering goed genoeg is. One size fits all. Lesuren van 50 minuten: nog nooit van ‘flow‘ gehoord. Frontaal, klassikaal onderwijs: nog nooit van projectonderwijs gehoord, of van samenwerking, of van individuele ontwikkeling, van het belang een adolescent eigenaar te maken van de eigen scholing. Het gaat me er niet om dat zo’n school geen recht van bestaan heeft, er zijn kinderen die er goed mee uit de voeten kunnen; maar het is een schande dat het Nederlandse onderwijsveld niet van boven tot onder doordrongen is van de behoefte aan keuze, aan verschillende werkvormen in het onderwijs. Ik weet wel dat er in de grote steden her en der andere scholen bestaan; maar in Maastricht, toch een universiteitsstad, naar Nederlandse maatstaven een middelgrote stad met een centrumfunctie, was er werkelijk geen enkele keuze. Het bestuur van die drie scholen wil ze nu zelfs samenvoegen tot een enkele megaschool, en noemt dat kwaliteit. Ik noem het dirigisme. Alsof je verplicht wordt vijf dagen per week bij McDonalds een voorgeschreven menu te eten, zes jaar lang. En het is een plicht: de leerplicht is in feite schoolplicht.

Toen mijn zoon naar de middelbare school ging, was ik nog niet zo somber. De basisschool was goed gegaan, dankzij één goede juf en veel inzet van ons. Waarom zou de middelbare school niet goed gaan? Achteraf was het een waarschuwingssignaal toen in de brugklas een werkstuk als onvoldoende werd beoordeeld omdat “het taalgebruik te volwassen was”. Dat kon die jongen nooit zelf hebben geschreven, dacht de docent. Draagt de basisschool kinderen eigenlijk zorgvuldig over aan de middelbare school? Of tenminste kinderen die een klas hebben overgeslagen? Nee, dat gebeurt niet. (Bij McDonalds komt de kok ook niet aan tafel informeren naar je hoogstpersoonlijke voorkeur.) De docent die oordeelde dat mijn zoon een te volwassen taalgebruik had, bleek de rector van de school te zijn; ook een manier om kennis te maken met de filiaalmanager. Om een lang verhaal kort te maken: mijn zoon heeft zich ruim twee jaar lang keurig aangepast aan het schoolsysteem. Als vader heb je daar niet heel veel zicht op. Ben je op de basisschool nog een zeer gewaardeerde ‘hulpouder’, een doorsnee scholengemeenschap kent een kind vooral als gemiddeld rapportcijfer, en biedt voor een individuele benadering geen enkele ruimte. Het overleg met ouders bestaat eigenlijk alleen uit de toelichting van dat gemiddelde cijfer. Hoe zouden die jaren geweest zijn? Ik denk dat het kranteninterview met Lianne Hoogeveen (ze is inmiddels hoofd van het centrum voor begaafdheidsonderzoek in Nijmegen) een aardige indruk kan geven. Ik citeer weer: “Uit haar onderzoek blijkt dat hoogbegaafde kinderen die op de basisschool een klas overslaan, in de eerste twee klassen van de middelbare school minder zelfvertrouwen hebben en minder geaccepteerd worden door hun klasgenoten.” En als docenten goed omgaan met hoogbegaafde kinderen, volgt de klas vanzelf? “Vaak werkt het wel zo. Als een docent laat merken dat hij het maar niks vindt, zo’n hoogbegaafde leerling die veel jonger is dan zijn andere leerlingen, dan pikt een klas dat haarfijn op. […] Stel je voor dat er zo gepraat werd over allochtone leerlingen, dan was de wereld te klein. Maar over hoogbegaafde leerlingen die een klas overslaan, mag je alles zeggen. De teneur bij ouders is vaak: oh nee, ik zou mijn kind nooit een klas laten overslaan. Ik wil die angst wegnemen door te zeggen dat het voor een kind beter kan zijn, want het reguliere programma is niet voldoende voor en hoogbegaafd kind.”

Ik herhaal een paar uitspraken: “Er is geen veilige weg.” “Het past niet in het plaatje.” “Stel je voor dat er zo gepraat werd over allochtone leerlingen, dan was de wereld te klein. Maar over hoogbegaafde leerlingen die een klas overslaan, mag je alles zeggen.” Het zijn uitspraken die heel goed de onverkwikkelijke sfeer weergeven van de gesprekken waarin we verzeild raakten toen mijn zoon in de derde klas overspannen raakte, depressief werd en niet meer naar school wilde. De teneur vanuit de school was: hoe kwamen wij als ouders er in vredesnaam bij dat die jongen begaafd was? Hoe kwamen wij, zijn ouders, er überhaupt bij dat wij ons eigen kind beter zouden kennen dan de jaarlijks wisselende docenten en mentoren? Hij kon het gewoon niet aan, en wilde niet deugen ook. Onzin dat zo’n jongen intelligent is, want dan zou je dat toch aan zijn cijfers kunnen zien? Ouders zijn voor zo’n middelbare school gewoon geen serieus te nemen gesprekspartner, ook niet als ze, zoals wij, allebei hoogopgeleid zijn en allebei zelf veel onderwijservaring hebben. (Ik heb nota bene zelf een paar jaar les gegeven op precies zo’n school, ik weet waar ik het over heb.) Omdat een school blijkbaar alleen met cijfers kan omgaan, hebben we onze zoon maar een intelligentietest laten maken; jawel, daar kwam uit dat hij hoogbegaafd was; “zeer hoogbegaafd” zelfs, volgens de indeling die in Nijmegen wordt gehanteerd. Er volgden jaren met pappen en nathouden, jaren met een jongen die geleerd heeft dat zijn school als het er op aankomt  geen enkel respect voor hem kan opbrengen, die daarop reageert door onverschillig te worden, vrijwel niks te doen, en die overgaat door de alleen de laatste twee of drie weken van elk schooljaar even hard te werken en zo zijn cijfers op te halen. En dan natuurlijk met het flankerende gedoe met psychologen, een schoolpsycholoog, een orthopedagoog, noem maar op: mensen met goede bedoelingen en goede inzichten, maar zonder de minste of geringste invloed op de dagelijkse gang van zaken op school, op de werkelijkheid in het klaslokaal. Pappen en nathouden, want: er is leerplicht, en er is niks te kiezen, alle scholen in de stad die in aanmerking komen bieden hetzelfde onderwijs.

Dit verhaal is niet uniek, helaas. Wie er oog voor heeft, kan veel vergelijkbare verhalen van ouders van hoogbegaafde kinderen vinden. Verhalen over depressie, isolement, overspannenheid, verslaving, over de verschillende uitwegen die kinderen kunnen kiezen om de kont tegen de krib te gooien: expres slechte cijfers halen, de docenten uitdagen, noem maar op. Natuurlijk weten onderwijsexperts er ook wel vanaf, maar het onderwijsveld is vrijwel immuun voor verandering: het huidige systeem is gevormd is door decennia van schaalvergroting, is vastgelegd in rendementseisen, in methodes en protocollen. Het onderwijs als geheel wordt daardoor steeds uniformer, de ruimte voor uitzonderlijke kinderen wordt steeds minder. Dat is niet alleen mijn persoonlijke overtuiging, het is ook de conclusie die een historicus heeft getrokken in een recent proefschrift over de geschiedenis van het Nederlandse onderwijs vanaf 1945. Die historicus, Bram Mellink, schrijft: “Onderwijs, minder hiërarchisch en religieus ingekleurd dan voorheen, is tegelijkertijd uniformer geworden door toegenomen overheidscontrole en een uniformer toetsingsbeleid.” (http://dare.uva.nl/document/484659) Wat dat betekent, kan ik uit eigen ervaring vertellen. Mijn dochter is al net zo vlug van begrip als mijn zoon, maar ze is dyslectisch. Dat betekent dat ze qua algemene kennis en begrip zomaar twee of meer jaren voorligt op haar leeftijdsgenootjes, maar qua spelling ligt ze juist een stuk achter. Ze leest graag, wat voor een dyslectisch kind bijzonder is, maar het ‘decoderen’ van losse woorden en zinnetjes die geen deel uitmaken van een verhelderende context is voor haar erg moeilijk. Om zo’n kind adequaat les te geven is veel individuele aandacht nodig, dat is duidelijk. Het is ook duidelijk dat die aandacht er binnen het Nederlandse onderwijssysteem niet is.

De Montessori basisschool waar mijn dochter naar toe ging, had inmiddels de Cito-toets ingevoerd. (Toen mijn zoon op diezelfde school zat, hield de school het Cito nog buiten de deur, omdat de school juist geen standaard onderwijs wilde geven. Maar blijkbaar werd de druk te groot.) Het was duidelijk dat mijn dochter, met haar dyslexie, op basis van de Cito-toets een vmbo-advies zou krijgen; het was ook duidelijk dat het vmbo voor haar geen passend onderwijs zou zijn. De school zag geen andere uitweg dan spellingonderwijs, spelling en nog eens spelling: dictees maken, en de foute woorden tien keer overschrijven. Een soort dyslexie-uitdrijving; mijn dochter bracht de helft van de schooltijd door met het maken van dictees, en dat betekent bij haar: met het maken van taalfouten, want ze is dyslectisch. Dat gaat niet zo maar over, dat is bekend; maar wie durft de Cito-toets nog te relativeren? Dus school ging voor haar betekenen: fout op fout stapelen. Niet meer met de klas mee naar muziekles of naar tekenen, maar in die tijd nog eens een dictee afmaken, en dus: nieuwe fouten maken, want als ze een woord tien keer overschrijft is de kans groot dat ze weer nieuwe fouten maakt. Naar school gaan ging betekenen: fout zijn, dom zijn. Dan maar thuisonderwijs geven, was onze slotsom. Dat is geweldig, een stuk beter dan de beste school die we konden vinden – zo begon ik dit verhaal. Thuis hoeven we geen overdreven aandacht aan spelling te geven, en kunnen we haar zelfvertrouwen weer herstellen. Ze heeft, dat geeft misschien het beste weer wat hoogbegaafdheid betekent, als meisje van elf met succes meegedaan aan een Engelstalige internetcursus op universitair niveau, “What a Plant Knows”. (https://www.coursera.org/course/plantknows) Ze heeft belangstelling voor planten, vandaar. Ze haalde, op haar tenen, gemiddeld een 9,3 voor alle toetsen! Thuis geven we ook aandacht aan spelling en aan schrijfvaardigheid, maar niet ten koste van al het andere.

Eind goed, al goed? Nee, zo gemakkelijk is het niet, want thuisonderwijs is in Nederland niet geaccepteerd. Net als hoogbegaafdheid is het iets waarvoor het onderwijsveld liever de kop in het zand steekt. Net als bij hoogbegaafdheid zijn er wel deskundigen die weten hoe de vork in de steel zit, maar het onderwijsveld wil er niet aan. Dat geeft praktische problemen: allerlei onderwijsmateriaal dat gewoon klaarligt is niet, of moeilijk, toegankelijk voor ouders die thuisonderwijs geven. Uitgeverijen zijn gewend alleen met scholen zaken te doen, en weigeren bestellingen voor minder dan vijf exemplaren. Lesmateriaal van de wereldschool, speciaal ontwikkeld voor kinderen die met hun ouders mee naar het buitenland gaan, mag je in Nederland niet  bestellen. De huidige staatssecretaris van onderwijs, Sander Dekker, is van plan thuisonderwijs in Nederland nog moeilijker te maken dan het al is, en weigert daarbij in te gaan op de argumenten die door gezaghebbende instanties en experts ten gunste van thuisonderwijs naar voren zijn gebracht. Dekker wil in 2014 de wet “Passend onderwijs” invoeren, en bij die gelegenheid meteen het van oudsher, sinds de geleidelijke invoer van de leerplichtwet, in de wet verankerde beroep op de godsdienstvrijheid afschaffen. Dat beroep op godsdienst dateert natuurlijk uit de tijd van de verzuiling, en die tijd is voorbij. Van verschillende kanten is geadviseerd om daarom nu de leerplicht in een leerrecht te veranderen.

Dat advies komt bijvoorbeeld van de kinderombudsman. In het rapport “Van leerplicht naar leerrecht” uit 2013 schrijft hij: Er dient in Nederland een omslag te worden gemaakt in het denken over onderwijs. Een omslag van leerplicht naar leerrecht, waarbij allereerst vanuit het perspectief van het kind wordt gedacht.” (Zie http://www.passendonderwijs.nl/wp-content/uploads/2014/01/Van-leerplicht-naar-leerrecht.pdf.) De kinderombudsman is geen kind wat voor ombudsman speelt; het instituut ‘kinderombudsman’ maakt deel uit van de Nationale Ombudsman, een Hoog College van Staat – een kantoor met 170 medewerkers, voor een goed deel juristen. “Van leerplicht naar leerrecht” is geschreven in rapportentaal, vol juridische termen en beleidsjargon, maar dat neemt niet weg dat er niet mis te verstane observaties en aanbevelingen instaan. “Bijna alle partijen uit het onderwijsveld waren van mening dat de behoefte van het kind teveel wordt bepaald vanuit het huidige onderwijsaanbod, maar dit aanbod is teveel ‘hokjes gericht’. In dit statische onderwijssysteem is het dan erg moeilijk om een dynamische oplossing voor het kind te vinden.” “Opvallend daarbij zijn de vele meldingen van of over hoogbegaafde kinderen.” “Ook kinderen die uitblinken in bepaalde vakken, maar niet bij alle vakken even goed meekomen, ervaren problemen. Bijvoorbeeld de kinderen met dyslexie.” (p. 8) Het rapport van de Kinderombudsman wijst er alvast op dat de invoering van de wet “Passend onderwijs” dit allemaal niet zal verbeteren: “De Kinderombudsman zet, evenals het onderwijsveld, echter vraagtekens bij de verwachting dat het onder Passend onderwijs allemaal beter zal gaan. De invoering van Passend onderwijs alleen, zal de in dit onderzoek genoemde knelpunten niet oplossen, waardoor het aanbod van passend onderwijs zal blijven tekortschieten. Zolang schoolbesturen, leerkrachten  en leerplichtambtenaren niet worden gestimuleerd in het creëren en toepassen van maatwerk, en de Inspectie haar toezicht niet aanpast, brengt ook het nieuwe stelsel hier geen verandering in.” (para. 3.6) Het lijkt op wat George Orwell newspeak noemde: passend onderwijs betekent geen passend onderwijs.

De staatssecretaris heeft geen zin in het invoeren van leerrecht, hij wil gewoon helemaal af van thuiszitters en thuisonderwijs. In een kamerbrief (van 5 juni 2013) waarin hij reageert op het rapport van de kinderombudsman schrijft hij doodleuk: “De school is de plek waar kinderen andere kinderen ontmoeten en sociale vaardigheden kunnen ontwikkelen. Voor kinderen die onverhoopt thuiszitten is het niet meer naar school gaan juist een groot gemis.” Dekker herhaalt de clichés die over thuisonderwijs de ronde doen; maar geen woord over de werkelijke praktijk, over het onderwijs dat steeds dwingender homogeen wordt, en waarin volgens de onderzoekers “geen veilige weg” voor hoogbegaafde leerlingen door het onderwijs is. Dat Dekkers mening over ‘thuiszitten’ (thuisonderwijs bestaat in Nederland officieel niet, vandaar dat ‘thuiszitten’) nergens op gebaseerd is, blijkt ook uit een verklaring van een aantal onderwijsdeskundigen over thuisonderwijs, met de duidelijke titel “Thuisonderwijs heeft ook in Nederland recht van bestaan”. Zij wijzen er om te beginnen op dat de (gezaghebbende) Onderwijsraad in 2012 nog met een advies kwam over een nieuwe uitleg van de grondwettelijke vrijheid van onderwijs. De Onderwijsraad schreef (op p. 47 van het advies): “In dit opzicht is het vreemd dat voor het thuisonderwijs (ongeveer driehonderd leerlingen op jaarbasis) niets is geregeld ten aanzien van de verplichtendheid, de kwaliteit en het toezicht. De overheid kan de kinderen en jongeren waar het hier om gaat, hoe klein deze groep ook is, niet ongelijk behandelen ten opzichte van leerlingen in bekostigde en particuliere scholen. Ook deze kinderen hebben recht op goed onderwijs. De raad adviseert daarom voor het thuisonderwijs wettelijke waarborgen te creëren dat ouders – die dus voor hun kinderen ontheffing van de leerplicht hebben gekregen – vervangend onderwijs aanbieden. Ook moet wettelijk gewaarborgd worden dat de overheid daar adequaat en proportioneel toezicht op uitoefent en deugdelijkheidseisen kan stellen, die vergelijkbaar zijn met die voor het particulier onderwijs.” De auteurs van “Thuisonderwijs heeft ook in Nederland recht van bestaan” maken vervolgens, op basis van onderzoek, korte metten met de clichés van de staatssecretaris van onderwijs. Ze brengen naar voren dat thuisonderwijs door de effectiviteit vaak een voorsprong geeft, en dat thuis onderwezen kinderen over het algemeen sociaal vaardig en maatschappelijk betrokken zijn. De ouders gaan niet over een nacht ijs. En: “Er zijn kinderen voor wie thuisonderwijs als vangnet functioneert voor als het op school niet meer lukt. Grosso modo gaat het om twee groepen kinderen. Er is allereerst een groep kinderen met uitzonderlijke cognitieve talenten. Ondanks de aandacht voor hoogbegaafdheid in het onderwijs ontvangt een deel van deze kinderen geen passend onderwijs. Er blijken in de praktijk grenzen te zijn aan de differentiatiecapaciteit van scholen.”

In zijn behoefte om thuisonderwijs te verbieden, spiegelt staatssecretaris Dekker zich graag aan Duitsland, waar ook schoolplicht is. De vergelijking met de andere ons omringende landen gaat hij uit de weg. In Vlaanderen en in Groot-Brittannië is thuisonderwijs gewoon een recht; daar gaat de overheid er dan ook nuchter en ontspannen mee om. Een blik op de overheidswebsites is genoeg om te begrijpen waarom de Onderwijsraad, de Ombudsman en het groepje hoogleraren en onderzoekers dat “Thuisonderwijs heeft ook in Nederland recht van bestaan” schreef, het leerrecht ook in Nederland zouden willen invoeren. In vergelijking doet de Nederlandse situatie klungelig en hypocriet aan; denk bijvoorbeeld aan wat de NRC op 7 juni 2013 schreef over geheime contracten tussen ouders en onderwijsinspectie. In alle andere West-Europese landen is thuisonderwijs een recht; er zijn meerdere landen waar dit recht in de grondwet is verankerd. Waarom is Duitsland een uitzondering? Het antwoord is, niet zo verrassend, te vinden in de uitzonderlijke Duitse geschiedenis. De wet die thuisonderwijs verbiedt werd in 1938 aangenomen, door de nazi’s dus, die alle kinderen wilden indoctrineren. Ik neem aan dat de wet na de Tweede Wereldoorlog niet werd afgeschaft omdat de geallieerden juist die indoctrinatie weer ongedaan wilden maken. Hoe dan ook, het is een wet met een geschiedenis die een liberale bewindsman tot nadenken zou moeten stemmen. Een internationale vergelijking zou verder moeten kijken dan dat ene land dat in het straatje van de bewindsman past.

De website van de Britse overheid over thuisonderwijs

De website van de Britse overheid over thuisonderwijs

Wat betreft het onvermogen van scholen om hoogbegaafde kinderen passend onderwijs te bieden, de grenzen aan de differentiatiecapaciteit dus: scholen zelf, is mijn indruk, doen hun best om die grenzen niet onder ogen te hoeven zien. Natuurlijk is het fenomeen hoogbegaafdheid wel bekend; een beetje, tenminste. Er zijn wat plusklassen, en menig docent laat een rij termen gemakkelijk van de tong rollen zodra het woord hoogbegaafdheid valt. Versnellen, compacten, verrijken, uitdagen: dat zijn de sleutelwoorden. Versnellen, compacten, verrijken: dat zijn termen die betrekking hebben op de leerstof. Voor het kind is alleen “uitdagen” over, en dat doet het onderwijs dan via versnellen, compacten en verrijken. Meer van hetzelfde, daar komt het vaak op neer. Maar hoogbegaafdheid is nog iets anders dan snel kunnen rekenen en puzzelen; het is ook snel associëren, snel verbanden leggen, snel gevoelens ontwikkelen. Intelligentie en emotie zijn niet keurig te scheiden. Ergens weet het hele onderwijsveld dat ook wel: er is enorm veel aandacht voor veiligheid, stabiliteit, regelmatigheid. Er is “veilig leren lezen” volgens tot in detail uitgesplitste “avi-niveaus”; er zijn rekenmethodes die de staartdeling in de ban doen vanwege de verwarring (en dus onveiligheid) die de staartdeling kan veroorzaken. Een doorsnee-emotie is vastgelegd tot in de vezels van iedere klas en ieder protocol. Datzelfde protocol kan dus ook enorm frustrerend zijn. Voor een kind dat heel goed kan rekenen, en er plezier in heeft, is het idioot als de staartdeling niet wordt uitgelegd, en is het schattend rekenen (dat voor de staartdeling in de plaats komt) ‘onveilig’; zo goed als het op de middelbare school ‘onveilig’ kan zijn als een kind dat wiskundig begaafd is, onvoldoendes krijgt omdat het bij proefwerken te weinig tussenstappen uitschrijft. Hoogbegaafdheid is iets anders dan de behoefte aan extra veel schools lesmateriaal; het gaat meestal samen met hooggevoeligheid, en met vroeger dan bij het gemiddelde kind ontwikkelde morele inzichten. Dat maakt hoogbegaafde kinderen vaak ook extra gevoelig voor pesterijen.

Maar wat is ‘hoog’? Het is in het onderwijsveld een bijzonder flexibel woordje met een eigen geschiedenis. In 1952, toen het onderstaande diagram werd getekend, was het nog niet in zwang. Nederland was toen nog een ander land. Hoger onderwijs was voor een kleine elite, marketing en management waren nog niet alomtegenwoordig, Engels was nog een buitenlandse taal.

De samenhang tussen intelligentie, school en beroep volgens een diagram uit 1952

De samenhang tussen intelligentie, school en beroep volgens een diagram uit 1952

Ik betwijfel of dit diagram de historische werkelijkheid van Nederland net na de Tweede Tereldoorlog weergeeft, het geeft vooral een typische denkwijze weer. Het laat zien dat terwijl de intelligentiecurve als zodanig (de Gaussiaanse normaalverdeling) niet is veranderd, de terminologie, het onderwijs en de beroepen drastisch zijn getransformeerd. De kleine groep die in 1952 ‘vlug’ of ‘begaafd’ heette, een begaafdheid die geacht werd precies aan te sluiten bij het hoger onderwijs, heet nu ‘hoogbegaafd’. Het onderwijs is totaal veranderd; ook daar is de terminologie ‘opgehoogd’, uitgebreid lager onderwijs werd middelbaar en hoger algemeen vormend onderwijs, enzovoort. De leerplicht werd uitgebreid en het onderwijs gedemocratiseerd, en dat is maar goed ook. In het begin van de huidige eeuw had de Nederlandse regering zelfs de doelstelling (de door economische motieven ingegeven ‘Lissabon-strategie’) om de helft, 50 %, van de Nederlandse bevolking hoog op te leiden. Dat is inmiddels niet meer zo. (Het was een beetje hoog gegrepen, misschien.)

Het Nederlandse onderwijsstelsel heeft dus in zestig jaar een enorme en bewonderenswaardige uitbreiding doorgemaakt. Die uitbreiding staat gelijk aan een culturele revolutie, aan een uiterlijke informalisering, aan gelijkberechtiging van jongens en meisjes, aan democratisering van het onderwijs. In de jaren ’60 en ’70 leefde de gedachte dat de democratisering van het onderwijs hand in hand zou gaan met individualisering, maar het is inmiddels duidelijk dat het onderwijs vooral verschoolst is. Zelfs op de universiteit hebben de studenten het inmiddels over ‘school’ en ‘huiswerk’. De democratisering is, onder de druk van de economie, van rendementseisen, van meetbaarheid en van protocollen die uniforme meetbaarheid moeten opleveren, op veel plaatsen veranderd in een tirannie van het protocol. (Hoe dat ook al weer werkt, die omslag van democratie in tirannie van de meerderheid, geachte staatssecretaris Dekker en geachte onderwijsminister Bussemaker, dat kunt u nalezen bij Tocqueville.) Natuurlijk heeft het protocol in Nederland altijd een vrolijke verpakking. Betutteling is vaak het herkennen aan vrolijke kleurgebruik en een joviale toon.

In 2008 deed de Algemene Onderwijsbond nog een onderzoek naar de manier waarop scholen met hoogbegaafdheid omgaan. Een paar citaten: “Slechts zes procent van de leerkrachten meent dat hoogbegaafde leerlingen voldoende worden uitgedaagd op school. Nog eens vijftig procent meent dat ze soms, maar niet voldoende worden uitgedaagd. Leerkrachten willen wel meer aandacht besteden aan deze groep, maar het ontbreekt ze aan kennis, menskracht en geld. Dat blijkt uit een gezamenlijk onderzoek onder ruim 2600 leerkrachten van het Onderwijsblad van de Algemene Onderwijsbond en Talent, tijdschrift over hoogbegaafde kinderen. Slechts één op de zes leerkrachten meent dat er voldoende expertise en zorg op school is om hoogbegaafde leerlingen te begeleiden. Terwijl volop wordt gepraat over de noodzaak om talent te benutten in de kenniseconomie, blijkt daar dus in de basis weinig van terecht te komen. Leerkrachten geven verschillende oorzaken van de onvoldoende aandacht. Bijna vier van de tien zegt dat er onvoldoende docenten zijn, een derde ontbreekt het aan kennis, een kwart geeft prioriteit aan de leerlingen die niet mee kunnen komen.”

Gesprekkenparcours

Zomaar een plaatje uit het onderwijsveld. Een kenmerkend citaat uit deze brochure: “Het doel op dit thema is dat in 2015 alle
participerende scholen in het primair en voortgezet onderwijs in beeld hebben welke leerlingen tot de top 20% (kunnen) horen.”

Hoe gaat het onderwijsveld daarmee om? Het recente voornemen van minister Bussemaker om “excellente” studenten zelf te laten betalen voor passend onderwijs geeft al een goede indruk. Maar ook voor het basisonderwijs zijn er initiatieven. Dan gaat het opeens niet over een groep van 2,5% van de leerlingen die hoogbegaafd is, maar om 20%; een veel grotere selectie, met veel minder specifieke (en voor het klassemanagement wellicht lastige) eigenschappen. Scholen kunnen dan bijvoorbeeld intekenen op een gesprekkenparcours, met een expert in de rol van kritische vriend – alles in vrolijke kleuren en geformuleerd in de taal van het softere procesmanagement. Het is pappen en nathouden. Het is “worden zoals wij”, het is, voor iemand die van nabij weet wat hoogbegaafdheid inhoudt, te betuttelend voor woorden.

De dienstplicht is in Nederland afgeschaft, en sindsdien is het cliché “in het leger maken ze een man van je” ook uit de mode. De schoolplicht leeft nog volop, en houdt voorlopig nog volop clichés over “sociaal-emotionele ontwikkeling” in stand. Ik kan ze eigenlijk niet meer lezen of horen. Mijn kinderen komen in de curve van de intelligentieverdeling ergens waar de curve en de grondlijn elkaar raken, bij een IQ van boven 145. Daar zit geen 50%, geen 20% en geen 2,5%, maar misschien 0,2% of 0,02%. Het zijn niet de cijfers die er toe doen, begaafdheid is beter te begrijpen als een intensiteit (een onderwerp waarover J. een mooi stuk heeft geschreven: http://www.mixed-media.info/hoogbegaafd/.) Die intensiteit wordt in het onderwijsveld routinematig miskend en onmogelijk gemaakt. “Misschien kan uw kind beter naar een privéschool”, dat is wat ik leerplichtambtenaren over elk van mijn kinderen heb horen zeggen. Maar die zijn voor mij onbetaalbaar; de democratisering van het onderwijs is niet samengevallen met een democratisering van de privévermogens. Make no mistake: hoogbegaafde kinderen zijn fantastisch. Slim en snel, nukkig en prikkelbaar, vol emotionele intensiteit en humor. Eigenlijk zou ik ze niet eenvormiger willen hebben. Op dat punt verschil ik van mening met het onderwijsveld.

Written by sytzesteenstra

30 januari 2014 at 21:07

Manifest over de sociale media: gewoon publiek maken

leave a comment »

screenshot manifest Kunkel

In het Amerikaanse tijdschrift ’n + 1′ staat een fijn manifest, Socialize social media!, geschreven door Benjamin Kunkel. Het is geschreven naar aanleiding van de beursgang van Twitter, met zijn tulpenhandel-achtige koersontwikkeling. De zoveelste aflevering van World Online, zeg maar. Kunkels idee is simpel: de waarde van media als Facebook en Twitter en al die andere merken ( WordPress!) wordt gevormd door wat het publiek er mee doet, en daarom zouden zulke media ook publiek eigendom moeten zijn. Zoals het drinkwater, de dijken, de gezondheidszorg, het openbaar vervoer, de elektrische stroom en de postcheque- en girodienst. Mijn opsomming maakt wel duidelijk dat Kunkels manifest tegen de stroom in gaat. Drinkwater en dijken zijn in Nederland nog (nog net?) eigendom van de overheid of van publieke instellingen; gezondheidszorg, openbaar vervoer, energie en geldverkeer zijn in meerdere of mindere mate en met wisselend succes geprivatiseerd. Gewoonlijk zonder er goed bij na te denken, concludeert de Rekenkamer dan een aantal jaren later. Zo gaat dat ook bij de sociale media; dat zijn particuliere ondernemingen die, ook als ze een monopoliepositie hebben verworven, particulier blijven en hun eigenaar-oprichters een fabelachtige rijkdom bezorgen. Kunkels manifest is daardoor vooral een oproep om wél na te denken over media, politiek en economie in hun samenhang. Verfrissend, en ‘un-American’, omdat het niet meegaat in de modieuze stroom waarin technologische innovatie wordt gelijkgesteld aan politieke vernieuwing, en waarin de allerrijkste directeuren (Jobs, Gates c.s.) dan ook meteen als serieuze denkers over maatschappelijke verandering gelden. (Hóe modieus dat precies was, is duidelijk nu Apple geleid wordt door de voormalig directeur van Burberry, merk van de beige ruitjessjaal.)

Kunkels manifest is hier [http://nplusonemag.com/socialize-social-media] in zijn geheel te lezen. Het is helder, geen lang theoretisch betoog, niet meer dan 2000 woorden. Kunkel gaat uit van vijf stellingen die ik even heb vertaald:

1. Sociale media moeten publiek eigendom worden omdat de diensten monopolies zijn of ertoe neigen dat te worden.

2. Sociale media moeten publiek eigendom worden omdat winstgevend worden (door advertenties of abonnementskosten) onmogelijk is zonder de kwaliteit aan te tasten.

3. Sociale media moeten publiek eigendom worden omdat gezellige publieke omgang een democratisch goed is, en winstgerichte bedrijfsvoering doet daaraan afbreuk.

4. Sociale media moeten publiek eigendom worden, niet uit jaloezie, maar ter ondersteuning van ondernemingszin en innovatie.

5. Sociale media moeten publiek eigendom worden omdat de berichten worden gemaakt door de samenleving als geheel, en de samenleving moet worden onderscheiden van de economie.

(Full disclosure: ik ben een jaar geabonneerd geweest op ’n + 1′. Het is goed geschreven en goed geïnformeerd. Maar ik ben geen Amerikaan, en ik kreeg genoeg van de specifiek Amerikaanse problemen en trends waar ’n + 1′, dat wordt gemaakt in Brooklyn, zich natuurlijk terecht op richt.)

(Full disclosure, deel 2: ja, nu je het vraagt, ik vind eigenlijk ook dat televisie gewoon publieke televisie moet zijn.)

drie keer (n + 1)_

3 x (n + 1)

Written by sytzesteenstra

29 november 2013 at 16:50