Sytze Steenstra Blog

Posts Tagged ‘Ann Goldstein

Verbijsterend Stedelijk: ontoegankelijkheid (1)

leave a comment »

In de kerstvakantie ben ik met Josh en Alma naar het Stedelijk Museum geweest. Dat is alweer een maand geleden. Het is überhaupt een tijd geleden dat ik iets aan dit blog heb toegevoegd. Dat ik niets schrijf, is niet omdat ik niets meemaak, of niets denk, het komt door de afstand die ik voel tussen wat ik meemaak en denk, en de gereedliggende taal, de concepten en de beelden die me worden voorgehouden. Afstand? Ja, afstand, tegenstrijdigheid, een vermoeiende en frustrerende kloof tussen de werkelijkheid die ik ervaar en de voorgeschreven, opgedrongen schijnwerkelijkheid. Zoals, in dit geval, in het vernieuwde Stedelijk Museum.

Goed, we gingen dus met z’n drieën het museum bekijken. Josh was uiteraard op haar kleine scootmobiel, dat compacte en wendbare karretje dat onder andere zo geschikt is voor museumbezoek. Inmiddels weten we dat het bezoeken van een publieke instelling altijd een stuk ingewikkelder is dan toen Josh gewoon kon lopen. Hoe kom je binnen? Hoe kom je van de ene verdieping naar de andere, van de ene zaal naar de andere? Het is meestal veel lastiger dan ik me ooit had gerealiseerd, vroeger. Hoe een deur opengaat, hoe zwaar een dranger op een deur is, hoe deuren in hallen en gangen achter elkaar geplaatst zijn, hoe groot een lift is, hoe breed een doorgang tussen twee tafels is: dat telt allemaal mee. Maar goed, het Stedelijk Museum is net verbouwd, het heeft veel gekost en lang geduurd, veiligheid en toegankelijkheid stonden voorop bij de verbouwing, musea zoals dit richten zich op een groot publiek – dus de toegang voor invaliden zal wel goed geregeld zijn, toch?

Twee grote glazen draaideuren vormen de nieuwe ingang. Josh waagt zich wijselijk niet in een draaideur, en de gewone deur naast de draaideuren (ook van glas, net als de hele gevel) is op slot. Er staat niet aangegeven hoe rolstoelgebruikers binnen kunnen komen. Geen tekst, geen symbolen, geen pijlen op al dat glas. Transparant maar ontoegankelijk. Maar goed, ik kan Josh buiten laten staan, door de draaideur naar binnen gaan, en een bewaker aanspreken die heel vriendelijk via haar mobilofoon contact opneemt met de centrale beveiliging, de draaideur stilzet en het slot van de gewone deur laat openen, en Josh rijdt naar binnen. Het is omslachtig maar het kan, al is het niet erg gastvrij. Opvallend is het gedrang binnen, de entreehal lijkt te klein voor de bezoekers. We staan in de rij voor kaartjes, gaan door de controlepoortjes, geven onze jassen af bij de garderobe, halen voor Alma een audiotour bij nóg een balie, en kunnen eindelijk de zalen in. Maar daarvoor moet je eerst nog een lage trap op. (Hier te zien: http://www.ruigrok-nederland.nl/8tvd8g-project-bij-stedelijk-museum.html.) Dan is er natuurlijk een hellingbaan! Nee. Moeten we dan beter kijken, misschien aan de zijkant? Nee. Dus weer een bewaker aanspreken, die haalt er vriendelijk een andere bewaker bij, die neemt ons mee naar een hellingbaan die er toch is, die echter niet naar de museumzalen leidt maar naar het afgesloten kantoorgedeelte van het museum. De bewaker doet de deur van het slot, we gaan een paar meter door een gang, ze doet een andere deur van het slot en we staan – zucht van verlichting – in een museumzaal. Goed, niet in de beginzaal waar het museum het publiek ontvangt en zijn goede bedoelingen toont, maar ergens in een willekeurige zijzaal – zaal 0.26, als ik de plattegrond erbij neem. Voorlopige conclusie: bij deze verbouwing, bij het hele langdurige en dure prestigeproject, met alle programma’s van eisen, commissies, technisch adviseurs en sterarchitecten is het blijkbaar niet gelukt het museum gewoon toegankelijk voor invaliden te maken. Het hele traject is ridicuul, en voor Josh in feite te vermoeiend. Ik heb het niet gecontroleerd, maar volgens mij is er een hellingbaan naast de trappen van de oude ingang, nu aan de achterkant. Misschien kan de museumdirectie een bordje naast de glazen draaideuren laten ophangen: invaliden achterom.

Is dit verbijsterend? Mmwah… Het is schandalig en stupide. Voordat ik verbijsterd ben, en tijdelijk met stomheid geslagen, moet er nog iets anders gebeuren. Maar daar is aan gedacht.

Stedelijk Museum, folder Familiespoor

Stedelijk Museum, folder Familiespoor

Eenmaal in het museum was Josh al snel moe, en koos ze er daarom voor met Alma mee naar het ‘familielab’ te gaan, zeg maar de kinderafdeling, vastberaden om zo plezier aan het museum te beleven.  Josh sloeg met Alma aan het tekenen, en ik ben gaan rondkijken, vooral in de Mike Kelley tentoonstelling. (Daarover later meer). Pas toen ik thuis de folders nog eens bekeek, het plattegrondje dat bij de kassa lag en de folder Familiespoor uit het Familielab, en tot me liet doordringen wat daar allemaal werd beweerd, golfde de verbijstering langzaam door me heen.

In de plattegrond die bij de kassa ligt (WELKOM INFORMATIE ORIËNTATIE PLATTEGROND staat er in blokletters op) staat simpelweg: “Toegankelijkheid mindervaliden. Het Stedelijk is goed toegankelijk voor mindervaliden.” Ja, is dit “goed toegankelijk”? Maar verbijsterd ben ik pas als ik goed tot me door laat dringen wat de folder FAMILIESPOOR (gratis in het Familielab) allemaal beweert. De vraag die de folder stelt is: “Hoe beweeg je door het gebouw?” “Dit Familiespoor is voor jullie. Welkom! Met deze schets van de plattegrond in de hand kun je met je familie of vrienden door het museum dwalen. Architect Mels Crouwel, de ontwerper van het nieuwe gebouw, tekende deze schets. Onderweg vind je uitspraken van hem én van kunstenaars, (oud-) directeuren en bezoekers, jong en oud, die net als jullie dwaalden door het gebouw.” “Kies je eigen weg en bepaal zelf waar dit spoor begint en eindigt.”

De folder spreekt de taal van de homo ludens, maar voor kinderen, op kniehoogte. Of misschien is het de taal van het hogere management in de kunstwereld, gekwadrateerd met de taal van het hogere management in de architectuurwereld, waar iedere paradox gemakkelijk is op te lossen, waar iedere logische tegenstrijdigheid met kinderlijke eenvoud wordt overwonnen: je gooit er gewoon wat beeldspraak overheen. Op die manier is het mogelijk naast een 19de-eeuws neo-renaissance bakstenen gebouw een imponerend high-tech gebouw te zetten, een scherp contrast te maken, en tegelijkertijd te beweren dat de nieuwbouw onmerkbaar in de oudbouw overgaat. (De folder: “Het verschil van het oude met het nieuwe gebouw voelt als: Klabaaam!” Natalie, bezoeker. Dezelfde folder: “Alles ziet er van binnen hetzelfde uit. Je hebt niet in de gaten dat je van oud naar nieuw gaat, tenzij je door het raampje kijkt.” Mels Crouwel, architect.) Op die manier kun je ook beweren dat binnen en buiten eigenlijk in elkaar overlopen, alsof die enorme imponeergevel, die badkuip, dat icoon, die glasgevel (vertrouwde aanblik van banken en andere grote kantoren), die kassa’s en bewakingspoortjes er eigenlijk niet zijn, en alsof een kind niet snapt waar ze voor dienen.

Als je er op gaat letten, lijkt het ontkennen van logische tegenstrijdigheden wel het motief van het museum. In de nieuw bijgebouwde museumzalen is geen daglicht en zijn er geen ramen. (De folder: “Er zit maar één raam in de badkuip. Gevonden? Wat zien jullie?”) Toch is het Mels Crouwel, architect van het nieuwe gedeelte, en niet een van de oud-directeuren, die op de folder bij het oude museumgedeelte zegt: “In deze zaal is het licht prachtig, je ziet de wolken voor de zon schuiven.” De lange roltrap die de nieuwe zalen ondergronds dwars door de entreehal verbindt met de nieuwe zalen erboven, is helemaal omsloten door een gele koker, zodat ‘de museumbelevenis’ niet wordt onderbroken. Dat kan, maar de folder zegt dan weer: “De architect noemt deze trap een nieuwe versie van de oude trap. Hij hoopt dat hier ook veel bijzondere dingen gaan gebeuren.” Maar natuurlijk gebruikte een enkele kunstenaar vroeger de oude trap juist omdát daar het gangbare kijken naar kunstwerken was onderbroken.

Het Stedelijk presenteert zich in deze folder sowieso alsof de roemruchte jaren vijftig en zestig dankzij de Badkuip nog steeds niet voorbij zijn, en Nieuw Babylon heropend is. De oude directeur Willem Sandberg wordt geciteerd: “We zoeken naar een omgeving waar men durft te praten, te zoenen, hardop te lachen, zichzelf te zijn”, en de nieuwe directeur Ann Goldstein vult aan: “Een museum is voor mij geen tempel, het zou een thuis en een ontmoetingsplek voor kunst, kunstenaars en onze bezoekers moeten zijn.” Karel Appel wordt geciteerd: “Door spel leggen we opnieuw contact met onze jeugd – Mijn kunst is kinderlijk.” De actie van Gilbert en George, die zich op de oude trap als levende standbeelden presenteerden, wordt genoemd en Willem de Ridder moedigt kinderen aan hen eventjes na te doen: “Je bent nu zelf een kunstwerk geworden.” Maar sinds de jaren zestig zijn er vier decennia voorbij gegaan. Kunstwerken zijn in die tijd ongelofelijk veel duurder geworden, musea worden massaal bezocht, de kunstwereld is geïnternationaliseerd en geglobaliseerd, nieuwe musea zijn belangrijk voor het toerisme, als beeldmerk voor steden, als focus voor de economie van de aandacht en voor de economie tout court. De nieuwe muren in het oude deel van het Stedelijk staan bol – letterlijk, de plinten wijken nu achteruit, iets wat ik nog nergens anders zag – van de technologie, voor de luchtvochtigheid, het licht, de bewaking en Joost mag weten wat nog meer, en dat staat niet los van de nieuwe massaliteit en de exorbitante prijzen in de kunsthandel, met hun weerslag op de verzekeringskosten, de publiciteit, het spektakel. Mogen kinderen van al die dingen, de werkelijkheid waarin zij opgroeien, niks weten?

De plattegrond (WELKOM INFORMATIE ORIËNTATIE PLATTEGROND) vermeldt bij iedere verdieping van het museum de ‘zaalvernoemingen’: de zalen zijn vernoemd, natuurlijk niet naar beroemde oud-directeuren of naar de kunstenaars aan wie het Stedelijk Museum zijn reputatie dankt, maar naar sponsors, grote bedrijven. Een mooi dynamisch neologisme is dat, zaalvernoemingen. De taal is nu zelf een kunstwerk geworden: toegankelijkheidsvernoeming. Thuisgevoelvernoeming: “In mijn ideale museum zouden bezoekers zich thuis moeten voelen, alsof ze er zelf wonen, voor een tijdje”- Ann Goldstein nog eens, in de Familiespoor folder. Baseballpetjevernoeming:

Buiten en binnen: als het prestige maar groot genoeg is, is iedere paradox een bij voorbaat overwonnen uitdaging, toch?

Binnen en buiten: logische tegenstellingen bestaan even niet meer.

Ik snap heel goed dat musea als het Stedelijk in een werkelijkheid vol tegenstellingen en strijdige belangen opereren, maar ik vind het verbijsterend als die tegenstellingen worden weggemasseerd, alsof ze zomaar verdampen in speels-paradoxale pretenties. Misschien ben ik zo verbijsterd omdat ik daar op zich wel plezier aan kan beleven, maar niet als die pretenties zo evident voorbij gaan aan de gewone werkelijkheid: een museum heeft een hellingbaan nodig, een toegankelijke, die een bezoeker zelf, zonder suppoost met sleutelbos, kan gebruiken. Doodgewoon en elementair. Op de Documenta 13, vorig jaar, was bij iedere tijdelijke toiletgroep een invalidentoilet, bij ieder tijdelijk tentoonstellingshuisje een hellingbaan: voor Josh en mij een opluchting en een plezier.

Een paar jaar geleden zocht het Stedelijk een persoonlijk assistent voor de nieuwe directeur, die een “native speaker of American English” moest zijn, dus voor de zekerheid geef ik het Amerikaans-Engelse woord voor hellingbaan er even bij: ramp. Pretentieramp? Paradoxenramp? Vernoemingsramp? Werkelijkheidsbeseframp? Van alles een beetje, denk ik. Maar een hellingbaan hoeft niet duur te zijn, en valt eenvoudig bij te plaatsen, net als een liftje trouwens. Michael Kimmelman, de architectuurcriticus van de New York Times, heeft de ballon met Stedelijke pretenties netjes leeg laten lopen in een kritische bespreking van de grote vernieuwing, helemaal geschreven in Amerikaans Engels (“gonzo design” / “the new Stedelijk gloms onto the rear of the old one” / “to get its mojo back”): http://www.nytimes.com/2012/12/24/arts/design/amsterdams-new-stedelijk-museum.html?_r=0. Met minder pretenties en extra toegankelijkheid blijft er een prachtig museum over, weliswaar een volmaakt onlogische verknoping van vliegveldarchitectuur met een negentiende-eeuws kasteeltje, maar daar zetten we ons wel overheen, als er dan maar realistischer met kunst en kunstwereld, museum en bezoekerswerkelijkheid wordt omgegaan.

PS: Na het schrijven van dit stuk heb ik mijn klacht ook aan het museum gemaild, dat direct reageerde: “Er is al vaker en door meerdere personen gewezen op de slechte toegang voor invaliden. Deze opmerkingen zijn bekend bij directie en architecten, en bij een eventuele aanpassing van het entreegebied zullen deze klachten worden meegenomen. Er is wel een liftje, maar dat bleek te gevaarlijk: zodra dat gebruikt werd viel er direct iemand in het gat. Ook is er een hellingbaan, maar die geeft alleen toegang tot het museum onder begeleiding.”

Advertenties

Written by sytzesteenstra

4 februari 2013 at 19:08