Sytze Steenstra Blog

Een filosofie van het beeld: ‘La Fabrique des images’

with one comment

In Parijs gezien: de formidabele tentoonstelling La Fabrique des images, met als ondertitel Visions du monde et formes de la representation, in het Musée du quai Branly, het nieuwe Parijse museum voor niet-westerse kunst. Fascinerend. Een reis naar Parijs waard! Ik heb nooit eerder een tentoonstelling in een volkenkundig museum gezien waarin een duidelijke filosofische/etnografische visie op niet-westerse kunst wordt gepresenteerd waarin ook de  ontwikkeling van de naturalistische westerse schilderkunst en de fotografie een plaats heeft, zodat ‘the west’ en ‘the rest’ niet los van elkaar staan, maar in een groter verband zijn ondergebracht. De vragen en de vergelijkingen die dat verband opriep, hebben in mijn hoofd nog lang rondgezoemd.

“The Making of Images”, zoals de titel van de tentoonstelling in het Engels is vertaald, is samengesteld door Philippe Descola, cultureel antropoloog en filosoof, de opvolger van Claude Lévi-Strauss aan het Collège de France en in alle opzichten iemand die in de voetsporen van de grote structuralist treedt.  Zijn uitgangspunt is simpel: een figuratieve afbeelding is nooit zomaar een afbeelding, hij komt tot stand op basis van een achterliggend wereldbeeld. Een beeld toont de contrasten en continuïteiten die in een cultuur worden gebruikt om de werkelijkheid te ordenen en te begrijpen. Volgens Descola zijn er in alle culturen die over de hele wereld, en in de hele geschiedenis, bestaan of hebben bestaan vier principieel verschillende manieren te onderscheiden. (Hij noemt ze  vier ontologieën.) In Descola’s visie is iedere cultuur in belangrijke mate geordend door twee indelingen, die betrekking hebben op de morele en op de fysieke werkelijkheid die de mens om zich heen ziet. In hoeverre vormt de omringende wereld in geestelijk en in materieel opzicht een eenheid met de menselijke ervaring? Als de morele werkelijkheid in een cultuur als continu wordt voorgesteld, hebben dieren, planten, rivieren, plekken, wolken enzovoort evengoed een eigen subjectieve binnenwereld als mensen dat hebben; beelden die uit zo’n cultuur voortkomen, zullen dit fundamentele gegeven zichtbaar willen maken.

Descola’s indeling onderscheidt vier culturele ontologieën:

1) morele continuïteit en fysieke discontinuïteit: animisme

2) morele discontinuïteit en fysieke continuïteit: naturalisme

3) morele continuïteit en fysieke continuïteit: totemisme

4) morele discontinuïteit en fysieke discontinuïteit: analogisme

De kracht van dit uitgangspunt is niet alleen dat het Descola de gelegenheid geeft om letterlijk werkstukken uit culturen van over de hele wereld, van Alaska tot Australië en van Nigeria tot Vlaanderen en Holland, bij elkaar te brengen en te vergelijken; als bezoeker van de tentoonstelling krijg je een duidelijk perspectief aangereikt om al die totaal verschillende beelden, die je vaak niet of hooguit heel schimmig kunt plaatsen in hun culturele achtergrond (wie heeft er grondige parate kennis van het leven van Aboriginals in Arnhemland, indianen in het Amazonegebied, Siberische volkeren, hedendaagse Islamitische mystiek in Senegal, Chinese landschapsschilderkunst plus de Vlaams-Nederlandse schilderkunst?) tenminste wel te verbinden aan een fundamenteel onderdeel van hun zeggingskracht, wat het kijken meteen veel boeiender maakt. En de beelden die Descola bij elkaar heeft gebracht zijn van een fabelachtige diversiteit, maar ook indrukwekkend van kwaliteit, bijeengebracht uit het Musée du quai Branly zelf, maar ook uit diverse internationale volkenkundige musea, uit het Louvre plus nog de nodige specialistische collecties.

Het kijken en speuren naar herkenningspunten wint nog aan intensiteit omdat La Fabrique des images impliciet suggereert dat ons eigen naturalisme, de vertrouwde objectieve kijk op de wereld, als ontologie niet logischer of betrouwbaarder in elkaar steekt dan de ontologieën van het animisme of het totemisme (analogisme is bij mijn weten geen bestaande etnografische term; ik denk dat Descola hem zelf heeft gemunt voor deze tentoonstelling, geïnspireerd door het hoofdstuk over “Het proza der wereld” in Michel Foucaults De Woorden en de Dingen, waarnaar hij in de catalogus verwijst). De tentoonstelling wijst er op dat het naturalisme zich lijkt te hebben ontwikkeld van een aandacht voor de objectieve werkelijkheid die samenging met aandacht voor het individuele karakter, zodat landschappen en stillevens een corresponderende innerlijke vrede oproepen, naar een allesomvattende naturalistische ontologie die de morele dimensie in zijn geheel decodeert als een natuurverschijnsel. Ziel en materie, res cogitans en res extensa in de terminologie van Descartes, bestaan eerst nog naast elkaar, maar op zeker moment, Descola lijkt te suggereren dat dit in de negentiende en twintigste eeuw gebeurt, neemt in het beeld de res extensa ook de plaats en de functie van de res cogitans over.Dan kan het kijken zelf ook maar beter worden overgelaten aan gespecialiseerde machines, die de kern van de zaak (zoals de vlucht van een vogel van moment tot moment, zie onder, de prachtige bronzen versie van de chronofotografie van Marey) beter vastleggen dan het menselijk oog bij machte is.

 

Gerard ter Borch: De leesles, circa 1652

Paul Richer: Buste van Descartes, met een afgietsel van zijn schedel. Frankrijk, 1913. Een voorbeeld van naturalisme dat geen ruimte meer lijkt over te laten voor iets anders dan de zuiver fysieke werkelijkheid.

Etienne-Jules Marey: Analyse van de vlucht van een duif, 1886

 

Het meest complex en intrigerend vond ik de afdeling ‘analogisme’, waarin Descola zeer uiteenlopend beeldmateriaal had samengebracht. Volgens zijn indeling heerst in deze ontologie het risico van de totale verwarring: natuur en geest zijn er discontinu, overal zijn er verschillen; zodat culturen en kunstenaars op zoek gaan naar een houvast, dat karakteristieke vormen kan aannemen als een chimaera, een samenstelling van microkosmos en macrokosmos, een netwerk of een fractal-structuur waarin dezelfde vorm steeds opnieuw maar dan op kleinere schaal terugkeert.  Descola heeft hiervan voorbeelden opgenomen uit heel diverse culturen, waaronder de Europese middeleeuwen.

Beatus de Gerone: Le Fléau des suterelles (de sprinkhanenplaag, naar de apokalyps van Johannes)

Olowe: verandapaal; Yoruba - sculptuur, circa 1930

José Benitez Sanchez: Huichol-kosmologie, circa 1980

De tentoonstelling geeft, al is het maar een heel klein beetje, toegang tot beelden die op een fundamenteel andere manier werken dan je gewend bent, en suggereert tegelijk dat beelden op heel veel manieren kunnen functioneren die het naturalisme overstijgen. Het zal vast een enorme vertekening betekenen dat ik geneigd ben alle niet-westerse kunst te bekijken alsof het hedendaagse westerse kunst is, maar die vertekening is op zijn minst ook een uitdaging; en ik zie het werk liever zo dan het simpelweg te waarderen op decoratieve mogelijkheden of dan dat ik het simpelweg bekijk als ‘primitief’, ‘surrealistisch’ of ‘nachtmerrie-achtig’. Descola  schrijft trouwens in zijn inleiding bij de catalogus dat ieder individu in principe toegang heeft tot alle vier ontologieën van het beeld – maar in het algemeen beslist de culturele gemeenschap welke beelden meetellen.

La Fabrique des images riep een hoop vragen bij me op. Om te beginnen: kun je deze tentoonstelling zelf indelen met zijn eigen schema? Hij hoort niet thuis in het naturalisme: dan zouden de andere vormen van beelden afgedaan moeten worden als achterhaald en irrelevant. Misschien is de tentoonstelling als geheel een vorm van analogisme, met zijn nadruk op discontinuïteit, op verrassende verbanden en op vervlochtenheid.

Zou je kunnen zeggen dat de hedendaagse kunst draait om de vrijheid in al deze vier categorieën te kunnen werken? (Maya Deren, experimenteel filmmaakster, schreef in 1953: “in a modern industrial culture, the artists constitute, in fact, an “ethnic group,” subject to the full “native” treatment. We, too, are exhibited as touristic curiosities on Monday, extolled as culture on Tuesday, denounced as immoral and unsanitary on Wednesday, reinstated for scientific study Thursday, feasted for some obscurely stylish reason Friday, forgotten Saturday, revisited as picturesque Sunday.”)

Waar zou televisie kunnen passen in het schema van Descola? En als je televisie op deze manier omschrijft, zoals Gretchen Bender deed in een interview door Cindy Sherman( http://www.bombsite.com/issues/18/articles/844): “I think of the media as a cannibalistic river. A flow or current that absorbs everything. It’s not “about.” There is no consciousness or mind. It’s about absorbing and converting.”

La Fabrique des images is nog te zien tot 17 juli van dit jaar.

Written by sytzesteenstra

21 maart 2011 bij 18:58

Geplaatst in antropologie, filosofie, kunst

Eén reactie

Subscribe to comments with RSS.

  1. […] te beschouwen (beiden waren gretige verzamelaars van niet-Westerse kunst, te vergelijken met wat ik hier in maart 2011 schreef over La Fabrique des Images), en te weinig aandacht toonden voor de […]


Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: